Amerika overschat zijn eigen macht

Zoals opnieuw blijkt in Kosovo begeven de VS zich steeds weer met dezelfde militaire middelen in situaties die op deze manier niet kunnen worden beheerst. H.J.A. Hofland meent dat de Amerikaanse arrogantie hier de oorzaak van is.

Er is een overweldigend aantal goede redenen waarom het Westen zich zo vlug mogelijk van Miloševic moet ontdoen: laatste overblijfsel van de Koude Oorlog, dictator, fanaticus van de etnische zuiverheid, oorzaak van volksverhuizingen en verwoestingen, obstakel voor normale verhoudingen op de Balkan, enzovoort, enzovoort. Zijn staat van dienst bestaat uit wandaden waarvan zijn eigen volk en zijn buren het meest te lijden hebben. Objectief, beoordeeld naar de maatstaven die wij de objectieve noemen, de maatstaven van onze redelijkheid, humaniteit, democratie, zou iedere macht die de `internationale gemeenschap' van Miloševic verlost, algemene dankbaarheid moeten oogsten. Maar zo gaat het niet. Op alle fronten ontwikkelt zich een zwart scenario. Europa's vijand nummer één bezwijkt niet onder de bommenregen. In de hoofdsteden van de NAVO-landen komen duizenden op de been om de ruiten van Amerikaanse ambassades in te gooien alsof het weer Koude Oorlog is. De Kosovaren die moesten worden gered worden verder verdreven en uitgemoord. Bondgenoten aarzelen. Voor de militairen wordt de nachtmerrie tot werkelijkheid: wat een snelle luchtoorlog had moeten zijn, dreigt tot een uitzichtloze voortzetting van verwoestingen te worden. Onder de aanvallen van de overmacht wordt de vijand sterker. De kop van de draak is nog niet afgehakt en hij heeft er al twee bij gekregen. De crisis die bedwongen had moeten worden plant zich door de ingreep voort. Dat is erger dan een misdaad, het is een fout, zou Talleyrand hebben gezegd.

Om de werkelijkheid zo goed mogelijk te schatten, moeten we de nog sombere onwerkelijkheid en de apocalyptische onwerkelijkheid buiten beschouwing laten. Volgens de regels van het internationaal recht kan deze interventie worden beschouwd als een inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van een soevereine staat. De NAVO zou hiermee een precedent scheppen. Hierna zouden de Koerden aanspraak kunnen maken op steun tegen Turkije en Irak, en krijgen de Tsjetsjenen nieuwe kansen tegen Rusland. Dat zijn legalistische fantasieën. Er is geen enkele derde macht die zich in deze conflicten zal mengen, omdat hier geen politiek belang is dat ertoe uitnodigt. Het juridisch argument wordt in Kosovo alleen serieus gebruikt door partijen die een politiek belang bij het voortgaand succes van Miloševic hebben.

De apocalyptische onwerkelijkheid is nog verder gezocht. Op de Balkan, vanouds `het kruitvat van Europa', zou nu de Derde Wereldoorlog kunnen worden ontketend. Dat gebeurt niet want daarvoor zijn diametraal tegenover elkaar staande, ongeveer gelijkwaardige machtsblokken nodig. Die zijn er niet, en evenmin is er zo'n tegenstelling die uitnodigt tot een strijd op leven en dood. Rusland is de enige macht die misschien geopolitieke motieven zou hebben om zich dieper in de strijd te mengen, maar de economische motieven zijn dringender, en wat er van de Russische strijdkrachten over is, zal Moskou niet in de verleiding brengen een uitputtende worsteling te beginnen. Slotsom: wordt er een precedent geschapen dan is het een leeg precedent, en voor de Derde Wereldoorlog ontbreekt het aan de gelijkwaardige partijen die elkaar de wereldmacht betwisten.

Hoe komt het dan dat Kosovo nu de allure van een grote internationale crisis krijgt? Omdat hier alle zwaktes van de laatste supermacht en zijn bondgenoten samenkomen. Kosovo is een crisis omdat het een ontmaskering is van de ordestichters en vredesbewaarders van het Westen. De wereldmacht die er van overtuigd is de vrijheid, welvaart, enzovoort te vertegenwoordigen en naar die overtuiging handelt, bereikt al doende het tegendeel van het beoogde. Dit is een feitelijke ontmaskering, onbegrijpelijk voor degenen die het overkomt, niet in het minst omdat deze grote macht in de overtuiging van haar moreel gelijk wordt ontmaskerd door de kleine schurk van het drama. Het is verre van nieuw. Toch wekt het telkens weer verbazing en een gevoel van miskenning bij de partij die met de nobelste bedoelingen de interventie is begonnen. Uit de herhaling blijkt dat dit soort interventies het gevolg is van een constructiefout in de buitenlandse politiek van het Westen.

Tegen het einde van de jaren vijftig verscheen in Amerika een boek, geschreven door Eugene Burdick en William J. Lederer, The Ugly American. Het is geschreven toen de Koude Oorlog in laatste instantie alle internationale verhoudingen bepaalde. De buitenlandse politiek van Washington, en dus die van het Westen, was gegrondvest op het absolute verschil tussen goed en kwaad zoals het in Amerika werd gezien. De uitdrukking The Evil Empire is pas dertig jaar later in omloop gekomen – een late verduidelijking die voor het politieke en militaire handelen geen verschil heeft gemaakt.

De strekking van The Ugly American is dat dit wereldbeleid doordesemd is met de beste bedoelingen, maar dat daar vooral in Zuidoost-Azië anders over werd gedacht. De praktijk van de beste bedoelingen kreeg de vorm van een dictaat. De strijd tegen het communisme leidde tot simplificaties waarbij nationale identiteiten, culturen, tradities door de wereldmacht opzij werden geschoven, ondergeschikt als dit alles was aan de grote inzet van de Koude Oorlog. Het verschijnen van The Ugly American markeert het begin van Amerikaanse zelfkritiek die verder verbreid was dan de kringen der intellectuelen. Tot een doorslaggevende invloed heeft deze kritiek het nooit gebracht.

De geschiedenis van de naoorlogse Amerikaanse politiek is rijk aan mislukkingen. Het Zuidoost-Azië Pact bleek in zijn oorspronkelijke vorm niet levensvatbaar. Dan komt de gestrande invasie in de Varkensbaai, gevolgd door de lange marteling van Vietnam. De gijzeling van de Amerikaanse ambassade in Teheran met de mislukte bevrijdingspoging hoort tot de meest dramatische. De eerste Golfoorlog is een halve mislukking want hoewel Koeweit werd bevrijd, bleef Saddam. De tweede Golfoorlog maakte van het halve fiasco een heel: Saddam zit er nog steeds. Somalië is uitgelopen op een ramp. Haïti is een succes dat, achteraf gezien, niets te betekenen heeft gehad. Bedekte interventies tegen de drugskartels in Colombia hebben geen effect gehad. Bosnië met Dayton lijkt de grote uitzondering maar is het niet, omdat het betrekkelijk goede resultaat te danken is aan de Kroaten die de landoorlog hebben gevoerd, waarna een paar luchtaanvallen de rest deden. Bosnië mag eerder worden opgevat als een les – verwaarloosd – dan als een succes.

Vietnam is het trauma, zegt men. Hierna zouden nooit meer Amerikaanse levens op het spel worden gezet in een oorlog die niet direct met het Amerikaanse belang te maken heeft, en waarbij de overwinning niet vaststaat nog voor het eerste schot is gelost. Vandaar de verpletterende overmacht die tegen Irak werd ontplooid. Toch kon na de luchtoorlog niet aan de landoorlog worden ontkomen. De eerste week van de interventie in Joegoslavië lijkt sterk op het begin van de eerste Golfoorlog.

En nu het merkwaardige: telkens opnieuw begeeft Washington zich met deze militaire middelen in situaties die op deze manier niet kunnen worden beheerst. De diepste oorzaak daarvan blijft de Amerikaanse arrogantie – niet ter kwader trouw, integendeel, met hooggestemde bedoelingen – maar arrogantie die belet dat Washington de grenzen van zijn macht ziet. Misschien is het nu zelfs ernstiger dan het in de Koude Oorlog van tijd tot tijd kon zijn.

De ineenstorting van het communisme en de Sovjet-Unie – het ideologische en het machtspolitieke wapenfeit samen – hebben het Amerikaanse superioriteitsgevoel niet alleen gigantische proporties gegeven; men is er hier ook aan gewend, men denkt langzamerhand dat de Amerikaanse grootheid een natuurgegeven is. Men ziet het nog iedere dag door het nationaal economisch succes bevestigd. Madeleine Albright repte van the indispensable nation; en dit komt, verklaarde ze, doordat we stand tall and hence see further than other nations. Anderen stellen vast dat Amerika de eerste niet-imperialistische macht in de geschiedenis is; een land dat zijn hegemonie vestigt door samenwerking en niet door dreiging. Nieuw is het alweer niet. Er is een school van Amerikaanse denkers die al tientallen jaren geleden de superioriteit van de Verenigde Staten afleidde uit het wereldsucces van de supermarkt en de autoproductie. Het is moeilijk hun gelijk te ontkennen. Maar het veel en steeds meer omvattende van Amerika is nog lang niet het wereldomvattende. Dat dit veel met de wereld wordt verward, is het meest manifeste teken van de arrogantie. In het kort: het thema van de onmisbare natie heeft een ongeteld aantal variaties en wordt overal op aarde ten gehore gebracht en veroorzaakt zowel begeren als verzet.

Het superioriteitsgevoel heeft voor de Amerikaanse publieke opinie, het gros van de media, de televisie van de grote networks, de populaire pers twee gevolgen. De onverschilligheid voor alles wat buitenlandse politiek is, neemt toe (en de belangstelling was al niet zo groot). Door het besef de laatste supermacht te zijn, acht het publiek en ook een belangrijk deel van de politieke elite zich ontheven van de plicht nog duurzame belangstelling voor het buitenland te hebben, zolang het geen vakantieoord is of tot West-Europa hoort. (Israel en Rusland zijn de uitzonderingen.) Men weet zich superieur maar heeft een zeer bescheiden notie van het buitenland. Het resultaat is onverschilligheid voor de rest van de wereld. Dat is geen politiek beredeneerd isolationisme. Het is een onvermijdelijk gevolg van het nationaal gevoel.

De rol van de VS in de wereld verandert, zonder dat de Amerikanen zelf zich er een goede voorstelling van maken. Terwijl hun arrogantie is toegenomen zijn ze in de ogen van steeds meer andere landen een macht waarmee minder rekening hoeft te worden gehouden. Eén oorzaak is dat na de Koude Oorlog geen natie nog de bescherming tegen de andere supermacht nodig heeft. Zeker zullen de twee mislukte oorlogen tegen Saddam en de ramp van Somalië hun effect hebben gehad. En het grootste deel van 1998 is de buitenlandse politiek van Washington verlamd geweest door het Lewinsky-schandaal. Het valt niet te becijferen hoeveel schade het kwartet Clinton, Lewinsky, Tripp en Starr de Amerikaanse reputatie in het buitenland heeft berokkend. Het saldo leedvermaak valt niet te meten. De binnenlandse schade is duidelijk: Clinton is een president die zijn status moet herstellen, te midden van gezworen vijanden die iedere mislukking dankbaar zullen begroeten.

Onder deze omstandigheden ontwikkelt zich de crisis om Kosovo. De eerste drie van de belangrijkste factoren zijn: de overschatting van eigen macht en gezag, daartegenover de afgebrokkelde reputatie van de natie, en een president die vecht voor zijn politieke leven. Kosovo vestigt opnieuw de aandacht op de ongewenstheid van Miloševic. Washington probeert door dreigen tot een oplossing te komen. Amerikaanse inmenging met grondtroepen lijkt uitgesloten, want de president kan zich niet veroorloven dat Amerikaanse soldaten in bodybags worden gerepatrieerd. Dan ontwikkelt zich een politiek-diplomatieke versie van de moerasmythe. Washington en zijn bondgenoten raken verstrikt in hun eigen dreigingen. Niet weer een politiek van rhetoric and retreat. Deze escalatie kan niet theoretisch blijven, er moet actie volgen. Dit wordt dan toch de luchtoorlog, aanvallen die verwoesten zonder tot het doel te leiden. De puinhopen worden overal op de televisie vertoond. Sinds jaren zijn er niet zulke omvangrijke protestbetogingen gehouden. Dat Miloševic de boosdoener is, dat de hele operatie is begonnen om de Kosovaren voor de moord en brandstichting van zijn etnische schoonmaak te bewaren, is niet meer van belang. De indispendable nation heeft zich voor de publieke opinie die niet tot het Westen hoort, als oorlogsmisdadiger ontmaskerd. Dat is, vijf dagen na het begin van de bombardementen, het saldo van de humanitaire oorlogsoperatie. De VS beginnen zich te verstrikken in een politiek Vietnam.

Het Amerikaanse thuisfront is slecht voorbereid en verdeeld. Veel van hen die tot hun verdriet het impeachment hebben zien mislukken, hopen dat Clinton hier zijn nek zal breken. Een paar bondgenoten in de NAVO, de Grieken en de Turken plotseling verenigd, zien niets in de operatie; de Italianen van wier vliegvelden de bommenwerpers vertrekken, twijfelen. Het bondgenootschap wordt er niet sterker op.

Was er een andere manier geweest om Kosovo te sparen en Miloševic te bedwingen? Met die vraag komen we aan de borreltafel terecht. Het ligt voor de hand: de Russen hebben in Belgrado invloed, en ze hebben Amerikaans krediet nodig. Primakov was op weg naar Washington. Had het niet voor de hand gelegen nog een paar dagen te wachten en het krediet te koppelen aan het gebruiken van de Russische invloed? Wat is er achter de schermen gebeurd dat Washington ertoe heeft gebracht deze optie te verwaarlozen? Dat komt misschien nog aan het licht als de vrede is gesticht. Hoe?

Scenario 1: Miloševic verslaat zichzelf door zijn bezetenheid, etnische zuiveringen, moordpartijen. Mogelijkerwijs redt hij zijn positie en luistert naar de Russen die een chaos op de Balkan evenmin kunnen gebruiken. Hij blijft de leider van een volk dat meer dan ooit verlangt naar revanche. Hij wordt de tweede Saddam. Scenario 2: de luchtaanvallen gaan door tot de Servische strijdkrachten zijn verslagen. Het verzet daartegen neemt toe, ook binnen de NAVO. Maar ten slotte gebeurt toch wat gewenst was: Miloševic gaat in zijn eigen oorlog ten onder. De Amerikanen hebben de vrede gesticht, hun macht bewezen. Door de gevolgen van de oorlog blijft de Balkan het Europees probleemgebied. Washington wordt belast met de uitbreiding van zijn verantwoordelijkheid, een gevolg dat het juist heeft willen vermijden. En zo vallen er nog meer varianten te bedenken. Ze hebben gemeen dat alle resultaten slechter zijn dan de uitgangspositie en op den duur ernstiger: dat de grondslagen van de politiek die hiertoe heeft geleid, niet zijn veranderd.

H.J.A. Hofland is columnist van NRC Handelsblad.