Vossius van stof ontdaan

MEN KAN maar beter geen foliant zijn. Men wordt dan immers per definitie omschreven als `vergeeld', `stoffig', `vergeten' en `onleesbaar'. Dat lot deelt men met paperassen en manuscripten, die immers ook als ontoegankelijke en nutteloze relicten uit een ver verleden worden beschouwd. Een enkele kamergeleerde bladert er nog wel eens doorheen, blaast er het stof weg, waarna de zaak weer in het depot verdwijnt. De talloze bewaard gebleven manuscripten van de zeventiende-eeuwse geleerde Gerardus Vossius zijn enigszins aan dit lot ontkomen. Ten eerste wordt er nog regelmatig onderzoek gedaan naar zijn geschriften, ten tweede worden ze op het ogenblik gerestaureerd en ten derde is een selectie ervan, onder de titel `Vossius in verleden en toekomst', nu tentoongesteld op een kleine expositie in de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek. De aanleiding voor deze uitstalling van voorbeelden van zijn gedrukte werk, zijn wetenschappelijke handschriften en zijn correspondentie, is het feit dat het 350 jaar geleden is dat Vossius overleed. Bovendien wordt er gewerkt aan de restauratie van al dit papier, dat al sedert meer dan een eeuw is ondergebracht in de Universiteitsbibliotheek.

Gerardus Joannes Vossius gold als een van de meest veelzijdige geleerden in de Republiek en was samen met Caspar Barlaeus de eerste hoogleraar aan het in 1632 in Amsterdam gestichte Athenaeum Illustre. Zijn verzameld werk beslaat zes dikke folianten, uitgegeven tussen 1695 en 1701, maar toen was zijn roem al aan het tanen en tegenwoordig herinnert niet veel meer aan hem dan een Amsterdamse school en een straat. Toch wordt zijn dood herdacht met een expositie in de Amsterdamse UB.

Gerardus Joannes Vossius (1577-1649) werd, na een carrière als rector van de Latijnse School in Dordrecht, hoogleraar in de welsprekendheid en de geschiedenis en later ook in het Grieks in Leiden. In 1630 vroeg het stadsbestuur van Amsterdam hem om rector en hoogleraar te worden van het op te richten Athenaeum Illustre. Vossius zegde toe en hield op 8 januari 1632 in de Agnietenkapel als rector zijn openingsrede over het nut van de geschiedenis. De volgende dag hield zijn vriend en collega Caspar Barlaeus ook een rede, die veel bekender is geworden en die niets aan actualiteit heeft verloren: Mercator sapiens. Daarin bepleit Barlaeus het vruchtbaar en noodzakelijk samengaan van de (Amsterdamse) handelsgeest met de kennis van wetenschap en cultuur.

Het Athenaeum was een universiteit zonder promotierecht. De regentenzonen konden hier worden klaargestoomd in hun studie waarna ze elders konden promoveren. Tot de hoogleraren behoorden niet de minsten. Ook Nicolaas Tulp – die van de Anatomische Les – doceerde er en er zijn pogingen gedaan Hugo de Groot en Galilei te krijgen.

Vossius zelf was een echte boekenman, een filoloog in de Hollandse humanistische traditie met een onwankelbaar respect voor de klassieke auteurs. Hij schreef over geschiedenis en geschiedschrijving, over retorica, poëzie, mythologie, theologie en kerkgeschiedenis. Zijn eerste werk, de Institutiones oratoriae, Lessen in welsprekendheid, verscheen in 1606. Hij publiceerde ook boeken voor het onderwijs in Latijn, Grieks en retorica. Zijn Latijnse grammatica bleef tot in de vorige eeuw in gebruik. Vossius maakte op kritische wijze klassieke teksten toegankelijk. In die zin stond hij aan het eind van een lange humanistische traditie, die in de zeventiende eeuw op zijn eind liep om te wijken voor andere, meer empirisch ingestelde manieren van wetenschapsbeoefening. Zelf heeft hij die ontwikkeling ook wel gezien. Weinigen zullen nu nog een blik slaan in de lijvige folianten waaruit zijn verzameld werk bestaat.

Vossius bezat een grote, altijd groeiende bibliotheek, waarvan elke belangstellende gebruik mocht maken. De uitleenbriefjes zijn bewaard gebleven en geven een goede indruk van zijn omvangrijke kennissenkring. Die komt nog beter naar voren in zijn correspondentie met talloze geleerden die behoorden tot het Europese intellectuele netwerk, dat bekend staat als `De Republiek der Letteren'. Na zijn dood bleven zijn correspondentie en zijn andere manuscripten in de familie, tot een kleinzoon het grootste deel ervan aan de Remonstrantse Gemeente in Amsterdam schonk. In 1878 gaf die de hele collectie in bruikleen aan de Universiteitsbibliotheek Amsterdam. Van die correspondentie verscheen in 1993 een gedrukte inventaris, waarin 2092 brieven aan en 1296 door Vossius zijn opgenomen. Hij schreef niet alleen met medefilologen, maar ook met dichters en juristen als Vondel, Hooft en Huygens.

Op de expositie liggen handschriften, drukken en enkele portretten die tezamen een indruk geven van leven en werk van Gerardus Vossius. Tevens wordt er aandacht besteed aan de restauratie en conservering van zijn handschriften. Men ziet er voorbeelden van manuscripten voor en van na de restauratie. Een van de meest complexe restauraties is die van de handgeschreven catalogus van zijn bibliotheek geweest. Deze gebonden bundel was in de loop der jaren ernstig uitgebulkt, doordat Vossius er telkens nieuw bladen tussen aanbracht. Voor de restauratie werd alles losgemaakt. Zo werden tekstgedeelten die diep in het hart van de bundel verscholen zaten weer zichtbaar. De bladen werden rechtgestreken, waar nodig hersteld of steviger gemaakt en opnieuw, maar nu vlak, weer ingebonden. Het hele bestand zal op microfilm worden vastgelegd.

Over enkele weken verschijnt een herziene uitgave van de biografie van Vossius, geschreven door C.S.M. Rademaker (Uitgeverij Verloren). De tentoonstelling duurt tot en met 29 april. Het bijbehorend boekje kost ƒ15,–.