VENIJN VERSCHOLEN IN EEN JONGENSLIJF

Een judoka die tijden van grote kampioenen als Geesink en Ruska bijna doet herleven. Mark Huizinga (25) werd verkozen tot de beste van Europa, nu nog van de wereld. Een bescheiden kampioen met bescheiden middelen. ,,Winnen op een zo eerlijk en mooi mogelijke manier, dat is pas sport.''

Een gewone jonge man in een gewoon flatje in een nieuwbouwwijk in de Randstad. Niets is gewoner dan Holland. Hier woont sinds kort de man die onlangs werd verkozen tot de beste judoka van Europa. Hij kijkt om zich heen, wijst op een geleende bank en verontschuldigt zich voor de nog sobere inrichting. In een hoek staat een bureau met een computer en in een kast staan foto's, bekers, medailles en andere attributen die herinneren aan succesvolle wedstrijden. Dat is voorlopig alles. Een liefdesrelatie is voorbij. Kampioen Mark Huizinga woont weer alleen.

Wie weet dat hier een drievoudig Europees kampioen woont? Bijna niemand. Wie weet dat hier een judokampioen leeft die de glorieuze tijden van Anton Geesink en Willem Ruska doet herleven? Niemand zal Mark Huizinga op straat herkennen als de Nederlandse judoka die met zijn oogstrelende stijl en onblusbare drift om met fraaie technieken te scoren, in heel Europa en zelfs daarbuiten bewondering afdwingt. Zeker in Frankrijk en misschien in Japan zou hij worden onderscheiden in het legioen van eer.

In Nederland koestert men zich liever in het licht van zogenaamde voetbalsterren. Maar een judoka die heel Europa en een groot deel van de wereld na Spartaanse trainingen met fraaie technieken tot opgave dwingt, is slechts een stofdeeltje in de grote mensenmassa. ,,Prestaties worden niet afgemeten aan wat de sportman ervoor heeft moeten doen'', weet Huizinga.

,,Het gaat om de uitstraling van de sport en vervolgens om de uitstraling van de sporter, naar de reële waarde van de sportpresatie wordt niet gekeken. Ik realiseer me dat ik aan de verkeerde sport doe wanneer ik populair en rijk zou willen zijn. Ik vind het wel goed zo.''

Judo is voor de massa maar judo. Wie de sport begrijpt behoort tot de uitzonderingen. Wie de oorsprong en de pedagogische waarde van judo doorgrondt, is een eenling. Judo, is dat niet die sport waarbij de bestuurders en trainers elkaar steevast in de haren vliegen, die sport waarin Anton Geesink, Willem Ruska en andere dommeriken met bloemkooloren goed zijn? Zo redeneert men toch?

Huizinga weet het, maar hij zal de wereld niet toeschreeuwen dat judo ook door gewone mensen wordt beoefend. Een reclamespotje voor een energieversterkend middel, compleet met beelden van snelle werptechnieken, is dat niet wat? Huizinga als de antipode van boksers. Hij moet er niet aan denken. ,,Ik judo en wat anderen ervan denken, is hun zaak.''

De Koninklijke Luchtmacht meent met Huizinga niettemin een goudhaantje binnen te hebben gehaald. Toen de judoka na afloop van zijn diensttijd dreigde te vertrekken, bood de luchtmachtleiding hem onmiddellijk een driejarig contract aan. ,,Ik kreeg alle faciliteiten. Twintig uur per week als medewerker automatisering en alle mogelijkheden om te trainen en aan buitenlandse toernooien en stages mee te doen. Defensie is trots op mijn successen. Zeker wanneer ik wereldkampioen bij de militairen ben geworden. Mijn collega's leven met me mee. Ze maken ook deel uit van mijn triomfen. Ik creëer een wij-gevoel. Andere judoka's als Ben Sonnemans en Claudia Zwiers, die bij de marechaussee werken, en Patrick Klas en Danny Ebbers, die bij de landmacht zitten, vervullen ook dezelfde rol.''

Het bureau internationale militaire sport heeft vastgesteld, weet Huizinga, dat defensie gebruik moet maken van topsporters, om meer vrijwilligers te werven. Tv-spotjes met Huizinga als de luchtmachtofficier die zo mooi en sterk is gebouwd, en de vijand onschuldig in een verwurging legt in plaats van met bommen bestookt. Zoiets dus. ,,Ze halen ons wel binnen. Maar defensie zou best wat meer kunnen doen met mijn naam om haar imago te versterken'', is de bescheiden mening van eerste luitenant Huizinga. ,,Maar ze doen het niet. Aan de andere kant wel zo netjes en niet zo berekend.''

Huizinga is al lang blij dat hij redelijk goed verdient bij de luchtmacht en daarnaast alle gelegenheid krijgt om succesvol in zijn sport te worden. Klagen over geld en gebrek aan steun, zoals veel topsporters graag doen, hoeft hij niet. Maar laten we het zo zeggen: hij is een verademing zoals hij daar aan zijn kale eettafel zit. Maar is hij werkelijk zo braaf, netjes en bescheiden? Zit er dan geen gif in dat lange, gespierde, mooie jongenslijf?

Verlegen, bijna beschaamd zegt hij: ,,In het dagelijks leven ben ik braaf en te lief. Op de judomat soms ook wel, maar dat verandert langzaam. In het gevecht komt iets in me boven. Nee, niet een beest. Maar wel de drang om te overleven, niet te verliezen, maar vooral om te winnen op een zo mooi mogelijke manier.''

Tactiek hoort erbij. De tegenstander afbluffen, gemeen zijn, dat hoort er ook bij. Maar liever niet op een gemene manier. ,,Tegenstanders proberen van alles om me uit m'n evenwicht te krijgen. Zo proberen me kwaad te maken, maar dat lukt ze niet. Soms raak ik geïrriteerd door het publiek. Als ik niet aanval, soms omdat ik gewoon niet kan door vermoeidheid, beginnen ze te schreeuwen. Dan word ik echt kwaad. Dan ga ik aanvallen. Maar ja, dat is nou net verkeerd, de valkuil. Want zodra je kwaad wordt, verlies je je geestelijk evenwicht. En wie aanvalt in judo, moet erop rekenen dat zijn aanval wordt overgenomen en snel op zijn rug ligt. Die beheersing heb ik moeten leren. Ik wil te graag, scoren en mooi winnen.''

Een natuurtalent? Hij schrikt alleen al van het woord. ,,Nee, hoor ik ben er zomaar ingerold. Door veel trainen, een groot plichtsbesef en veel enthousiasme ben ik zo goed geworden. Wie altijd bezig is, wekt aandacht. Toen ik eenmaal bij mijn huidige trainer Chris de Korte kwam, ben ik gegroeid. Hij heeft me geleerd te incasseren. Hij heeft me van mijn mogelijkheden overtuigd.''

Judoën was jarenlang een leuke, vrijblijvende bezigheid. Zijn moeder had hem op zijn vierde aangemeld bij een judoclub, omdat judo haar wel een leuke sport voor Mark leek. ,,Het was in die jeugdjaren niet vechten'', herinnert hij zich. ,,Het was meer stoeien, leren rollen en leren vallen op zo'n lekker zachte mat. Je leerde dat vallen geen pijn deed. Hoe jonger hoe beter, als je heel jong bent ben je nog onbevangen en leer je meer. Hoe ouder je wordt, hoe meer je bang wordt en dus gespannen en verkrampt. Als je dan valt heb je pijn. Pas toen ik elf was, bleek ik de beste van de club te zijn. Maar als ik dan op een nationaal toernooi kwam, bleek ik nog helemaal niet zo goed.''

Op advies van zijn jeugdtrainer ging hij naar de school van De Korte in Hoogvliet. ,,Het was een cultuurschok voor me'', lacht hij verlegen. ,,Ik zag grote, sterke jongens, jongens die ik op de televisie had gezien. Ze gooiden me in alle hoeken, ze deden me pijn. Maar toch wilde ik erbij horen. Het fascineerde me tussen die grote, sterke jongens te mogen staan. Ik was kansloos, maar hoe langer ik volhield, hoe trotser ik werd. Na een half jaar lukte het me een tegenstander te gooien. En dat smaakte naar meer. Ineens was ik een judoka geworden die won. En toen was ik niet meer te stuiten.''

Mark Huizinga is geen judoka die als een Rambo het strijdperk betreedt. Uiterlijk vertoon, bluf en snoeven zijn hem vreemd. Toch zou het volgens zijn trainer De Korte geen kwaad kunnen als Huizinga wat meer zijn gespierde borst en armen toonde voordat hij het gevecht aanging. Een verbeten grimas kan wonderen doen. ,,Niet als het lieve jongetje de mat op, maar arrogant of alsof het gif door je lijf spuit, kokend van woede. Daarmee zou je de tegenstander al op achterstand kunnen zetten. De Korte zag dat er ergens diep in mijn lijf venijn zat. Dat heeft hij naar boven gehaald. En het helpt. Soms voelt het niet echt. Je schrikt toch van je eigen agressie. Maar ik ben een zachtaardige jongen die als judoka altijd wil scoren en graag met mooie punten. Zelfs als ik verlies verlies ik nog mooi. Dat is toch mijn stijl. En die zal waarschijnlijk altijd zo blijven.''

Na zijn bronzen medaille op de Olympische Spelen van Atlanta, drie opeenvolgende Europese individuele titels en zijn twee opeenvolgende Europese teamtitels, houden de vergelijkingen tussen Geesink (21 maal Europees kampioen) en Huizinga onstuitbaar aan. Het zegt hem niks, want hij heeft Geesink nooit zien judoën. ,,Ik zou best eens tegen judoka's uit die tijd hebben willen vechten. Ik denk dat ik het wel zou winnen. Judo is veel sneller en veel harder geworden. Ik kan rustig zeggen dat ik met mijn techniek, stijl, kracht en aanvalsdrift beter ben dan judoka's van dertig jaar geleden.''

Geesink en Ruska zijn beroemdheden in Japan, halfgoden zelfs. Zover is Huizinga nog lang niet. Maar sinds hij in Tokio de Kano-Cup won, buigen de Japanse judoka's als knipmessen voor de Nederlander. ,,Dat vergeten ze nooit meer. Japanners hebben toch veel meer respect voor sporthelden dan Nederlanders.''

Met een mengeling van afgrijzen en vreugde kijkt hij terug op de trainingsstages in Japan. ,,Elke universiteit heeft een kolossaal aantal judoka's. Vaak sta je te trainen met 150 judoka's in een heel grote hal. De meeste gooi ik wel, maar het zijn er zoveel dat je aan het einde van zo'n dag helemaal kapot bent. Er is geen betere training voor een judoka dan zo'n Japanse stage. Daar word je echt hard van.''

Japanners judoën nog in de oude, traditionele stijl, weet Huizinga. ,,Ze staan mooi rechtop, elegant en gracieus en ze zijn altijd gericht op de worp waarin ze gespecialiseerd zijn. Mooi en technisch judo dus. Maar daarom verliezen ze steeds vaker van Koreanen, die sneller, sterker, vechtlustiger en gemener zijn, of van Europeanen die betere allrounders zijn.''

Zoals Huizinga. Hij is pas 25 jaar, zijn beste tijd moet nog komen. Volgend jaar op de Spelen van Sydney bijvoorbeeld. Of nog eerder, dit jaar op het wereldkampioenschap in oktober. Daar moet hij zich kwalificeren bij de eerste acht om genomineerd te worden voor de Spelen van Sydney. Dat lijkt een routineklus.

Elke dag twee uur trainen, zeven dagen in de week, en de moed erin houden. Dat is alles. En dan wereldkampioen worden en een gouden medaille halen in Sydney.

Gewoon nog vaak kampioen worden, gewoon Mark Huizinga blijven.