UIT BOVEN DE POLDER

`JE KUNT je afvragen waarom de internationalisering van het Nederlandse onderwijs zo laat op gang komt', zegt Arno Peters, conrector van de openbare scholengemeenschap Wolfert van Borselen in Rotterdam. ``We moeten boven het polderlandse denken gaan uitstijgen'', meent zijn collega Karel Philipsen, coördinator van het tweetalig VWO. ``Weg met het kokerdenken dat niet verder reikt dan Lobith en Vaals.''

De school moet kinderen aanzetten tot mentale wendbaarheid, zodat ze zich thuis gaan voelen in een samenleving die steeds internationaler wordt, vinden ze op deze scholengemeenschap. Maar hoe doe je dat? Door leerlingen tweetalig onderwijs aan te bieden, zodat ze aan het eind van de rit het Engels als near-native-speakers beheersen? Door uitwisselingsprogramma's met Duitse scholen te organiseren of door de kinderen op werkwerk naar Dublin te sturen? Op de Wolfert doen ze dit al allemaal, maar ze willen meer. Verdieping van het internationale besef, nieuwsgierigheid naar andere gewoonten en culturen, sensitiviteit in de dagelijkse omgang met mensen die een andere achtergrond hebben. Eigenlijk willen ze op de Wolfert hun leerlingen zoiets als `wereldburgerschap' meegeven, zodat ze zich moeiteloos kunnen bewegen in de global village en op de elektronische snelweg.

Voorwaarden zijn er voldoende op de Wolfert, daarover zijn Arno Peters, Karel Philipsen en rector Rob Fens het roerend eens. Goed beschouwd hebben ze de hele wereld binnen hun school. De populatie van 1.400 leerlingen telt tussen de vijftig en zeventig nationaliteiten. ``Dat houden we niet bij, want dat vinden we niet relevant'', zegt Philipsen, ``Verschillen zijn op deze school uitgangspunt.'' Er is een internationale schakelklas (ISK), voor buitenlandse kinderen die nog geen Nederlands spreken, maar hier wel zullen blijven. Daarnaast herbergt de school de International School of Rotterdam, waar leerlingen instromen die tijdelijk in Nederland wonen en een internationaal georiënteerd diploma willen halen. En vanaf 1992 is er een tweetalig VWO, ook wel omschreven als het `moderne gymnasium'. Wolfert van Borselen was een van de eerste middelbare scholen die met een tweetalig VWO startten. De afdeling is afgelopen zeven jaar van 24 tot 325 leerlingen uitgegroeid en zal in de nabije toekomst doorgroeien tot ongeveer 450 leerlingen. Daarmee is het de school met de grootste tweetalige VWO-afdeling, die bovendien tweetaligheid van de eerste tot en met de zesde klas aanbiedt. In Nederland zijn inmiddels zo'n twintig middelbare scholen met een tweetalig VWO.

Aan internationale mix dus geen gebrek. ``De grote vraag is alleen'', zegt Chris Struiksma, vader van twee kinderen die op het tweetalig VWO zitten, ``hoe je binnen het onderwijs gebruik maakt van die culturele verscheidenheid. Sommige kinderen beschikken van nature of van huis uit over nieuwsgierigheid en een `open mind', maar als onderwijsinstituut sta je voor de taak die dingen juist ook mee te geven aan leerlingen die dat niet in hun bagage hebben.''

Samen met collega-ouder Margreet van Vliet, die jarenlang in Hong Kong woonde en nu een dochter op het tweetalig VWO heeft, buigt Struiksma zich al enige tijd over deze kwestie in de oudercommissie. Deze commissie vindt dat internationalisering in het onderwijs verder moet gaan dan goed Engels leren en een werkweek in Dublin, hoe nuttig en leuk dat allemaal ook moge zijn. Van Vliet zocht voor haar dochter die tot dan toe in Hong Kong Engelstalig onderwijs had genoten, een school waar ze met haar internationale achtergrond geen buitenbeentje zou zijn. ``Waar ze bijzondere dingen leuk vinden'', legt Van Vliet uit. ``En dat kan op deze school'', vult Struiksma aan. ``Hier wordt het gewaardeerd als je intellectueel meer in je mars hebt. Je mag dat laten zien.''

Toch zijn ze nog niet tevreden. Ze zijn op zoek naar iets dat rector Fens zo mooi omschrijft als `door de culturen heen leven'. ``Waardoor je'', aldus Struiksma, ``in je hele manier van lesgeven, eigenlijk in je hele houding, al vind ik dat een rotwoord, voortdurend gebruik maakt van de culturele verschillen. Laat kinderen voelen dat het ook anders kan, dat niet iedereen is zoals wij. Alleen al dat idee is belangrijk. Zet ze op het verkeerde been en maak ze nieuwsgierig.'' Struiksma benadrukt dat het studiehuis in de hoogste klassen van Havo en VWO deze elementen in zich heeft. ``Maar dan moet het niet slecht uitpakken, want anders wordt het onderscheid tussen kinderen die uit zichzelf die nieuwsgierigheid en openheid hebben en de kinderen die dat niet hebben alleen maar groter.''

Wat moet er gebeuren met de leerlingen bij wie je dat proces niet op gang kunt brengen? Daarop zoekt de oudercommissie een antwoord en daarom organiseren ze van tijd tot tijd ouderavonden met sprekers die het misschien kunnen weten. Maar de speurtocht heeft helaas nog niet veel concrete aanwijzingen opgeleverd. Vorig schooljaar nodigden ze de toenmalige werkgeversvoorzitter Blankert uit. Die stak weliswaar de loftrompet over de internationalisering van de opleidingen, maar met al zijn ervaring kon hij niet vertellen wat je kinderen op school moet meegeven, zodat ze zich in een internationale wereld goed kunnen redden. ``Hij had leuke anekdotes, maar geen antwoorden'', stelt Struiksma vast. En ook onderzoekster Anne Geerdink, die deze week een veertigtal ouders toesprak en aan het werk zette, zorgde wat hem betreft voor een teleurstelling. ``De discussie strandt aldoor in anekdotes en aardige voorbeelden. Ze kunnen wel vertellen waar het mis kan gaan. Maar de vraag hoe je dat vertaalt naar een didactisch concept ligt er nog levensgroot'', vindt Struiksma.

Karel Philipsen beaamt dat. ``Er is nauwelijks theorievorming op dit punt, ook andere scholen worstelen hiermee.'' Er komt wel iets van culturele beweging in een school wanneer er Engelstalige native speakers als docent worden aangetrokken, denkt hij, want de Angelsaksische didactiek is anders dan de onze. Minder frontaal en klassikaal en meer projectmatig. Maar het wordt er ook niet makkelijker op, zo vertelde docente Sjenny Koot op de ouderavond. ``Onze Engelstalige lerares uit Singapore was hevig geschokt toen ze ontdekte dat er gespiekt werd in haar klas. Bij ons is het zo, dat je geluk hebt als niemand het merkt en je hebt pech als je gesnapt wordt. Maar voor haar was het zoiets als stelen.''

Ook docenten die werkzaam zijn geweest in de internationale schakelklas doorlopen een belangrijke leerschool, omdat ze daar gedwongen worden zeer individueel les te geven op een handen-en-voetenniveau. Ze worden gevoeliger voor verschillen tussen leerlingen. ``Maar met oprechte belangstelling voor kinderen heb je nog geen theoretisch kader voor het internationaal perspectief binnen je onderwijs'', concludeert Philipsen. ``We moeten ook zeker niet vergeten'', vult conrector Peters aan, ``dat de Wolfert een Nederlandse school is. Hier gelden onze normen en waarden. Er kunnen tien culturen rondlopen die vinden dat je best te laat mag komen, maar dat wordt hier niet geaccepteerd.''

De schoolleiding en de oudercommissie geven hun zoektocht naar een didactiek die gebruik maakt van de culturele verscheidenheid echter niet op na deze wat moeizame pogingen. ``In het bedrijfsleven geldt de wet van the survival of the fittest'', zegt Struiksma, ``degenen die de mentale wendbaarheid in zich hebben redden het wel. Dat geldt ook enigszins in het voortgezet onderwijs. Maar een school pretendeert toch meer te doen. Die hoort zicht te hebben op wat je kinderen moet meegeven in deze wereld. En zover is het onderwijs nog niet.''