Oud land

In het gebied bij Putten en Nijkerk heersen nog grootgrondbezit en oude tradities. Boerderijen hebben hun kleine raampjes behouden, beukenlanen lopen kriskras door weiden en akkers en overal staan bakhuisjes en schaapskooien. Landschappelijke sporen gaan er duizend jaar terug. Toerisme wordt geweerd.

'Je kan hier zo duizend jaar terug', zegt Renger de Vries. Hij beent in de snijdende wind, met niet meer dan een vest over zijn overhemd, door de weilanden en het natuurgebied rond boerderij Groot Ehrental. Ik houd hem nauwelijks bij, rillend en met de kaplaarzen van zijn vrouw aan mijn voeten. Het is drassig. Karrensporen staan vol water, heideveldjes staan praktisch blank. We passeren een bos dat uit een meer lijkt op te rijzen. Het is elzenhout, De Vries gebruikt het om de houtkachels te stoken die op Groot Ehrental de enige verwarming zijn. Je kunt er alleen niet altijd bij komen om te zagen; het moet stevig gevroren hebben, zo legt hij uit.

Het is een oud landschap waarin wij ons bevinden. De grenzen tussen de percelen en de lopen van de beken zijn al eeuwen hetzelfde. Er is hier nooit ruilverkaveld zoals in de meeste andere landbouwgebieden in Nederland. Het gebied tussen Putten en Nijkerk, evenals de polder Arkemheen (Arke-mheen, moet je zeggen) ten noorden van Nijkerk, bleven onaangetast. Ten dele - vooral in de polder - was dat omdat de gelovige boeren meer aan traditie hechtten dan aan efficiëntie. Hun verzet tegen de modernisering van het land baarde even opzien in de jaren vijftig, toen zulke maatregelen meestal zonder slag of stoot werden aanvaard.

Hier, op Groot Ehrental, speelde ook het grootgrondbezit een rol. Het bedrijf maakt deel uit van het oude landgoed Slichtenhorst. De eigenaar van een landgoed hecht - net als de koppige boeren in de polder Arkemheen - meer aan traditie dan aan efficiëntie, en als hij een beek of een bosje mooi vindt, dan laat hij ze ongemoeid, ook als dat lastig is met maaien voor de boer die de grond van hem pacht.

De grootste landeigenaar van de streek was jhr. mr. F. Schimmelpenninck, in de wandeling aangeduid als Jonker Frits, die het gebied ten oosten van Slichtenhorst bezat. Een zonderling die, zoals dat heet, nog in het feodale tijdperk leefde en tot zijn dood in 1991 iedere zichtbare modernisering met overgave bestreed. Hij was tegen het verharden van wegen, het aanleggen van gas en riolering, het verbouwen van de oude boerderijen op zijn land. Zijn grond, het 'jonkersgebied', strekte zich uit over 1.800 hectaren ten zuidoosten van Putten, en omvatte buurtschappen als Huinen en Hell, Appel en Gerven. De jonker woonde in een groot wit huis aan de rand van Putten, ooit de burgemeesterswoning. Zijn land is nu in handen van een nicht, die inmiddels heeft goed gevonden dat riolering is aangelegd in het gebied.

Landgoed Slichtenhorst, met daarop boerderij Groot Ehrental (benevens Ehrental, Klein Ehrental en nog een paar huizen) werd in 1917 gekocht door Pieter van Leeuwen Boomkamp, en is nu verdeeld onder drie van zijn kleinkinderen.

Eigen kap

Het is een landschap dat je moet leren zien. Geleidelijk krijg je oog voor de opbollende percelen (de engen), de houtwallen ertussen, en het feit dat beken hier vaak nog heldere stroompjes zijn in plaats van brakke sloten zoals op veel plaatsen elders.

Alleen de beukenlanen, daar kijk je niet gauw overheen. Machtige beuken en eiken staan ook om boerderij Groot Ehrental, de stal en de schaapskooi die erbij horen. Bomen rond een boerderij waren in de oude tijd nodig als timmer- en brandhout; de aanplant ervan werd verplicht gesteld door de grondheer. Het harde eiken- en beukenhout mocht niet worden gekapt zonder zijn toestemming, zelfs niet om de boerderij te verbeteren. Was de toestemming verkregen, dan had de eigenaar recht op een derde deel van de opbrengst - de derde boom - en moesten de opengevallen plaatsen door nieuwe bomen worden gevuld.

Ook Renger de Vries zou er niet over piekeren te kappen rond zijn huis zonder overleg met wat hij in de wandeling 'mijn bazin' noemt: mevrouw M. Pels Rijcken-Van Leeuwen Boomkamp. Hij drijft de boerderij in loondienst, en beheert daarbij nog een enorm stuk natuurgebied dat bij het landgoed hoort.

Het nuttige gebruik van het 'hout' rond de boerderij is op zijn initiatief weer belangrijker geworden. Zo worden de afrasteringen van weilanden en akkers niet, zoals overal in Nederland, gemaakt van gecreosoteerde paaltjes van vurenhout uit de boerenwinkel, maar van gekloofd eikenhout van eigen kap.

Over het bos zegt De Vries: 'Je moet niet alleen oud bos hebben. Oude bomen zijn wel mooi, maar jong bos is ook belangrijk want dat is dicht, en dus prettig voor de beesten.' Ook in de houtwallen kunnen hazen, reeën en allerlei kleinere beesten goed schuilen. Een houtwal is niet meer dan een strook bomen en struikgewas, vaak langs een waterloop, die met de tijd een soort richel in het land is gaan vormen. In de Middeleeuwen werden houtwallen aangelegd om akkers te beschermen tegen wind en indringers, menselijke of dierlijke.

Bij boerderij Groot Ehrental wordt langs de Brede Beek juist een nieuwe houtwal aangelegd. De Vries: 'Die was twintig jaar geleden gekapt door het waterschap, omdat de beek er vuil van werd. Toen bleek dat de warmte van de zon het water alleen maar troebeler maakte, dus nu komt er een nieuwe wal, om weer schaduw op het water te krijgen.'

Enkelsteens muren

In het gebied zijn schitterende boerderijen bewaard gebleven, uit de achttiende eeuw en ouder, die nu stuk voor stuk Rijksmonumenten zijn, net als de strogedekte schaapskooien en bakhuisjes die er meestal naast staan. Dat komt doordat pachtheren liever niet zagen dat de boeren hun huis moderniseerden. Het vergroten van ramen bijvoorbeeld is een ingreep die duizenden oude boerenhuizen in Nederland heeft misvormd; maar jonker Schimmelpenninck wilde het niet hebben, en ook op het land van de Van Leeuwen Boomkamps gebeurde het niet. Het gevoel voor de historische schoonheid van dit gebied blijft niet beperkt tot een enkele landeigenaar of monumentenzorger. Daarmee kom je er niet; alleen al omdat van de bewoner heel wat wordt gevraagd als hij wil leven in een ongemoderniseerde boerderij met enkelsteens muren en twee houtkachels als enige verwarming. 'Ach, ze branden 's winters dag en nacht, en de vloeren van de slaapverdieping zijn van hout, dus feitelijk hebben we boven vloerverwarming', zegt Renger de Vries (vader van vier jonge kinderen) opgewekt. 'En als het te koud wordt, zetten we gewoon de slaapkamerdeur los.' Ook elders is te merken dat bewoners van eeuwenoude boerderijen trots zijn op hun huis en het bakhuis dat er bijna altijd naast staat. Menige schaapskooi is onlangs gerestaureerd en van een nieuwe 'deken' (rieten kap) voorzien.

Nijkerk zowel als Putten hebben bloeiende historische verenigingen. De voorzitter van de Puttense vereniging, oud-gemeenteambtenaar Klaas Friso, neemt de bezoekster mee op een autotochtje in de omgeving. Zijn verhalen maken duidelijk dat de tijd van de grote particuliere landeigenaren wel de recentste, maar voor hem niet de belangrijkste periode in de historie van het gebied vormt. Hij vertelt over de Duitse kloosters in Elten en Paderborn die het gebied hier als eerste 'koloniseerden'. Zij stichtten in de Middeleeuwen boerderijen en bestierden die tot in de Franse Tijd. Pas daarna kwam het gebied in handen van rijke families.

'Kijk, dat huis daar heet de Mollenpol', zegt Friso, wijzend op een naoorlogse bungalow even buiten Putten. 'Die man kan dat natuurlijk niet weten, maar die naam is fout. Het moet Malenpol zijn. Daar, vlak naast het huis is een bosje, op een bult in het land. Dat is de malenpol, een plek waar de boeren die bij de maalschap hoorden, in de Middeleeuwen bij elkaar kwamen om afspraken te maken.'

Maalschappen, zo leer ik, waren associaties van boeren die een stuk grond in gemeenschappelijk bezit hadden, heidegrond en wat bouwgrond - de es of eng - die ze samen hadden ontgonnen en daarna verdeeld. De heidegrond was nodig om de akkers vruchtbaar te houden. De bovenste, begroeide laag werd van de grond getild (geplagd), waarna de plaggen in de potstal werden gelegd. Daar leefden de beesten (koeien, soms schapen) er een tijdlang op. Zo raakten de plaggen vol met mest. Vervolgens werd de dikke koek humus-met-mest over een stuk akkerland verspreid. Het plaggen van de hei moest om de zeven jaar gebeuren; om een hectare akker regelmatig te bewerken had je zeven hectare hei nodig. De akker werd intussen steeds hoger, in duizend jaar ongeveer één meter. 'Die grond heette eerdgrond. En dat was behoorlijk vruchtbare grond hoor, het verhaal van de arme Veluwse keuterij gaat hier beslist niet op.'

Door de ogen van Klaas Friso zie je dat de Middeleeuwen het land hier hebben gemaakt. Het meeste van wat nu groene weiden zijn, was toen woeste grond, heidegebied; aan de vormen van de percelen is af te lezen wanneer het land in cultuur is gebracht. In het oudste gebied, het kampenlandschap, is geen rechte lijn te bekennen. Houtwallen lopen in bochten om engen heen, beken kronkelen in diepe lopen langs de wegen.

Boerderij Renselaar, die al in Middeleeuwse oorkonden wordt genoemd en misschien wel de mooiste van de streek, staat bij een kruispunt van indrukwekkende beukenlanen die hier kriskras liggen alsof iemand ze losjes heeft uitgestrooid. De oude potstal is te herkennen aan de deuren en raampjes in de zijwanden. 'De koeien stonden soms zo hoog op de plaggen', vertelt Friso, 'dat ze bijna met de rug tegen de balken stonden.' Renselaar was in de zeventiende eeuw in handen van een familie die als kolonisten naar de latere staat New York gingen, nog altijd ligt daar een stadje met de naam Rensselaer. De boerderij heeft een markante roomwitte daklijst met uitgezaagde figuren, die 'omgekeerde tabakspotjes' worden genoemd. Voor het huis heeft de boerin een formele tuin aangelegd. Tussen buxushaagjes zijn perken gemaakt waarin de eerste bollen hun voorzichtige puntjes uit de donkere aarde steken. Het erf is keurig aangeharkt, en in de zwarte houten stal, gedekt met donkerrode pannen, staan twee kruiwagens met voer rustig te wachten tot het tijd is. Alleen een glimp van een roestvrijstalen melktank in de schuur ernaast herinnert aan de hedendaagse bedrijfsvoering.

Tegen het eind van de negentiende eeuw begon de opmars van de kunstmest. Potstallen waren niet meer nodig (ze waren ook wel erg onhygiënisch, er kwam vaak mest in de melk), en de uitgestrekte heidegebieden werden voortvarend aangepakt. Er werd gras- en akkerland van gemaakt, de drassigheid werd bestreden met afwatering. Waar dat gebeurd is, kun je zien aan de kaarsrechte wegen rond vrij grote percelen, zoals bij de Kruishaarsche Heide ten zuiden van de Beulenkamper Steeg.

De hei verloor meer en meer terrein. Niet alleen door ontginning, maar ook doordat er niet meer werd geplagd of gegraasd. Tegen het pijpestro dat dan opkomt, houden de heideplantjes geen stand. Er is in 1999 nog maar een fractie over van de uitgestrekte heidevelden die honderd jaar geleden kenmerkend waren voor de streek.

Solitaire bomen

Margreet Pels Rijcken-Van Leeuwen Boomkamp, eigenares van het landgoed van 150 hectare dat grotendeels wordt beheerd vanuit boerderij Groot Ehrental, hoeft niet lang na te denken over de vraag wat de schoonheid van deze streek uitmaakt. 'De kleinschaligheid, de afwisseling van open land, bos en houtwallen, de solitaire bomen ook. Als je er zelf geboren bent zoals ik en je er daardoor mee verbonden voelt, is het je ideale landschap.

'Mijn grootvader kocht Slichtenhorst in 1917 van Baron Von Goltstein. Het hoorde bij de Vanenburg, een landhuis ten noordoosten van Putten, wat je aan de vorm van de boerderijen, met die overkapte deel-ingangen, nog wel kunt zien. Er werd veel gejaagd. Schavenou, de boerderij vlak bij Groot Ehrental, heeft een jachtkamer aan de voorkant waar de mensen van de Vanenburg konden eten als ze hier jaagden.

'Pas later heb ik begrepen hoe veel mijn vader zelf aan de verfraaiïng van het landschap heeft gedaan. Het was helemaal plat, hoorde ik een oom van me op zijn begrafenis zeggen. Hij liet mooie bomen en lanen aanleggen, snoeide houtwallen op, zodat het na 1920 echt mooier is geworden, romantischer. In de jaren vijftig en zestig hield hij de grote ramen in de boerderijen tegen.

'Mijn vader wilde graag zelf boer worden. Ik ben geboren op Ehrental. Het grote huis, De Neude, waar mijn ouders aanvankelijk woonden was in de oorlog niet warm te stoken; daarom verhuisden ze naar boerderij Ehrental, aan de overkant van de weg (niet te verwarren met Groot Ehrental). Nu woont mijn broer daar, die is ook boer geworden.

'Wij kinderen liepen elke dag naar het schooltje van Appel, kilometers verderop. Dat betekent dat je de hele generatie kinderen daar kent. We liepen op klompen, het was vaak ontzettend drassig. Waren we nat geworden, dan mochten we op het bankje zitten bij de gloeiende kolenkachel in het klaslokaal, met zo'n scherm er omheen.

'Op Schavenou hadden ze toen, in de jaren vijftig, nog geen telefoon. Er woonden twee katholieke gezinnen, waar steeds kinderen werden geboren. Een van die kinderen, een meisje, was niet in orde en moest naar het ziekenhuis. De ouders hadden geen telefoon, wij op Ehrental wel. Dus belde mijn moeder dagelijks naar het ziekenhuis hoe het ging, en schreef dat op een briefje dat ze in een leeg stroopblikje deed. Wij stopten dat op weg naar school in een boom bij Schavenou. Daar haalde de boerin het uit, en deed een snoepje voor ons in het blikje. Op de terugweg konden we dat dan meenemen.'

De Ot-en-Sien-achtige idylle die mevrouw Pels Rijcken beschrijft, is anderhalve generatie later uitgemond in bewuste inspanningen om het landgoed in zijn huidige staat te bewaren. Al jaren is Renger de Vries, in overleg met de Pels Rijckens, bezig het gebruik van kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen op zijn grond terug te dringen. Dat kan, want grond is er genoeg. Dit gebied is bij uitstek geschikt voor extensieve landbouw, verklaart De Vries. Dit jaar is het zover dat het melkveebedrijf erkend is als 'biologisch', wat betekent dat de melk van de zeventig koeien vanaf 1 mei naar een melkfabriek in Limmen (bij Castricum) gaat, vanwaar zij als eco-melk verkocht wordt. Dat levert de boer een dubbeltje per liter meer op. Het prijsverschil is hard nodig, omdat de productiviteit bij biologisch boeren aanvankelijk iets achteruitgaat. Ook is het voer duurder. Een aardige bijkomstigheid is wel weer dat een deel van dat voer kan worden betrokken van de buurman, Van Leeuwen Boomkamp op Ehrental, die zelf ook natuurvriendelijk werkt, en meer aan akkerbouw doet.

Maar misschien nog het belangrijkste is, dat met de opbrengst van het landbouwbedrijf ook het beheer van het natuurgebied moet worden bekostigd. Dat kan dankzij het feit dat daarvoor ook her en der 'potjes' te vinden zijn: subsidies. Zo laat Renger de Vries met trots De Bunt zien, een uitgestrekt terrein waar heide wordt geplagd - en daarmee in stand wordt gehouden. Het plaggen gebeurt natuurlijk niet meer zoals vroeger met de hand, maar met machines. Het werd mogelijk doordat er via de gemeente Nijkerk een werklozenproject van werd gemaakt. Het resultaat is fraaie natuur, een afwisseling van open plekken, jong en oud bos.

Ook zijn poelen gegraven, zoals die vroeger werden gebruikt om drinkwater voor het vee te verzamelen. Nu is de waarde vooral dat er kikkers, salamanders en padden op af komen, en er zeldzame wilde planten groeien zoals gele lis, watermunt en beekpunge. De grootste poel, een meertje haast, vormt bij vriesweer een prachtige ijsvlakte om op te schaatsen. 'Toen het deze winter één keer genoeg gevroren had, had ik meteen alle kinderen uit de buurt hier op het ijs.'

Op een korte wandeling in het gebied zien we hazen, fazanten, buizerds en zelfs twee reeën die zich snel uit de voeten maken als zij mensen horen naderen. Renger de Vries vertelt met hoeveel omzichtigheid te werk wordt gegaan om de fauna te beschermen: 'Als we 's zomers willen gaan maaien, komt de avond tevoren de jachtopziener, die hangt grote plastic zakken op om de reeën uit het veld te houden. Hij zoekt ook nesten op de grond, en waar die zijn, zet hij in de lengterichting van het perceel gele paaltjes op drie meter afstand aan weerszijden, zodat we er omheen kunnen werken.'

Dat op Slichtenhorst gejaagd wordt is een van de verschillen tussen agrarisch natuurbeheer en de benadering van de professionele natuurbeschermers. Volgens de boer is de jacht onvermijdelijk: als je niet op vossen jaagt, blijft er geen bodembroeder over, zegt hij. Rentmeester Pels Rijcken bevestigt dat. Hij jaagt zelf: 'Als je streeft naar een veelzijdige fauna die hier thuishoort, dus niet met bisons of zo, maar reeën, vossen en hazen, dan is regulering door de mens nodig. Stadsmensen, wat natuurlijk de meeste leden van Natuurmonumenten zijn, begrijpen dat niet. Jacht hoort bij het buitenleven, maar je schiet heus niet maar wat raak. Nee, er wordt een actief faunabeheer gevoerd. De reewildstand wordt opgenomen in beheerplannen die door de overheid moeten worden goedgekeurd. Afhankelijk van de draagkracht van het terrein, en rekening houdend met andere doodsoorzaken zoals het verkeer, wordt het jaarlijkse afschot vastgesteld.'

Het zou wel eens zo kunnen zijn, suggereren mijn zegslieden voorzichtig, dat Natuurmonumenten zelf ook weer een beetje anders gaat denken over de jacht, gelouterd door de ervaring op hun eigen, onbejaagde terreinen.

Tiendboom

Op een wandeling stuiten de fotografe en ik op een plek die wel bij uitstek kenmerkend mag heten voor particulier grondbezit. Tussen twee onafzienbare, vers geploegde akkers loopt een breed, met gras begroeid pad naar een groep bomen in de verte. Halverwege het pad staat één enkele, grote eik: is het een tiendboom, zoals die in oude tijden werden geplant om iemands bezit te markeren?

Er staat een bord Verboden toegang voor het pad, maar de kaarsrechte, groene loper tussen de akkers is onweerstaanbaar. Vier-, vijfhonderd meter wandelen we tot we aan het eind zijn: bij een hek dat toegang geeft tot een particuliere begraafplaats. Hier, in een ovaal parkje onder drie hoge beuken, rusten de leden van de familie Van Leeuwen Boomkamp sinds de tijd dat zij hier wonen, de jaren twintig. Een loggia met vier bakstenen pilaren en een bankje eronder noodt tot overdenking - en beschermt zonodig tegen de regen. Eén graf is niet van een familielid, maar van iemand die een huishoudster moet zijn geweest, Hieke Veen. Zij is 91 jaar geworden. 'Meer dan 70 jaren gaf zij ons haar zorg en liefde', luidt de inscriptie uit 1972.Toerisme wordt in het landgoederengebied niet aangemoedigd. Er is geen café of hotel te vinden, er rijdt geen bus doorheen en naar de enkele camping moet je zoeken. Je vindt ze vooral meer naar het oosten, bij Krachtighuizen en Voorthuizen. Niet dat de schoonheid van het gebied overal ongerept is, bepaald niet. Streekhistoricus Klaas Friso wijst regelmatig op nieuwe huizen waar de bezoekster 'niet op moet letten', moderne stallen, en zelfs de enorme, rommelige opslagplaats van een aannemer, vlak bij de Gervense weg, waar een paar fraaie, stokoude boerderijen staan. 'De gemeente doet niks.'

Zelf maakt hij 's zomers zo nu en dan op verzoek van de Puttense VVV een fietstochtje met geïnteresseerde bezoekers.

Beter misschien nog dan te fietsen is het om te wandelen over de nu eens drassige, dan weer zanderige wegen in deze streek. Een lange-afstandswandelpad voert er dwars doorheen, het Zuiderzeepad. Die voert de wandelaar bijvoorbeeld langs het romantische park van landgoed Oldenaller, waar een slingerend klinkerpaadje tussen hoge beukebomen voert naar het kasteel. Hoog oprijzend uit zijn slotgracht, bijna vierkant van vorm, is het in de zeventiende eeuw gebouwd door de classicist Jacob van Campen - en na 1850 grondig onder handen genomen door de architect Zocher. Die verving onder meer de centrale schoorsteen door een grappig torenkamertje.

Na Oldenaller voert de route langs de indrukwekkendste beukenlaan van de hele streek. Wat is het toch met beukenlanen dat ze zo overweldigend maakt? Tussen de hoge, gladde bomen die glimmen als het regent, en als de zon schijnt bijna elk sprankje zonlicht effectief weten tegen te houden, voelt iedere wandelaar zich klein. Behalve misschien de landeigenaar die weet dat ze van hem zijn, dat zijn grootvader ze heeft geplant voor zijn plezier, voor het mooie, het statige. Beuken groeien sneller dan je denkt. Maar: na een eeuw of anderhalf zijn ze, zo eeuwig als ze er uit zien, meestal wel aan vervanging toe.

Wie zoiets weet, kijkt anders naar een beukenlaan. Hoe lang houden ze het nog vol? denkt zij. Het is maar één voorbeeld van het feit dat natuur nu eenmaal onderhoud vergt, en zorg. Cultuur en natuur zijn niet van elkaar te onderscheiden. Dat geldt in heel Nederland, maar hier, te midden van de oude landgoederen in een gebied dat sporen draagt van duizend jaar geschiedenis, is het wel heel duidelijk.