NIET WIEBELEN!

De toekomst der natie zit in de schoolbank. En dus moet die deugen. Over de eeuw van het klaslokaal: kniebanken, klaptafels, draaistoelen, leerlingsetjes, Paul-Kolk-kasten, kuipjes, Rijksmodelbanken, Kufenstühle. Kortom: ethiek en hygiëne.

TWEE `wiebelkinderen' zitten op een skippybal. Een soort uiertjes houden de bal op zijn plaats, maar verder moeten de kinderen, zegt onderwijzeres Ingrid de Jonge, voortdurend op hun qui vive zijn. En dat is goed, want terwijl ze vroeger de hele dag zaten te wippen, te draaien of te wiebelen, gebruiken ze nu hun overmatige spierenergie voor het evenwicht. Het is rustiger geworden in groep drie van basisschool Centrum in Peize.

De schoolbank vind je tegenwoordig niet meer op school, maar verder alle denkbare variëteiten wel. Verstelbare stoelen. Rugloze stoelen. Kniebanken. Draaibare stoelen. Ballen. Kinderen die staan achter hun tafel. Verstelbare tafels. Tafels met hellend blad. Met opklapblad. Met opklapblad èn speciale ronding om te voorkomen dat bij het opklappen je potlood door de gleuf valt. Aan alles is gedacht.

Er is een wonderlijke discrepantie tussen de vanzelfsprekendheid waarmee een kind zijn of haar plaats inneemt in de klas en de beredeneerdheid waarmee die plaats is geconcipieerd en ontwikkeld. Schoolmeubilair is een optelsom van pedagogische, ergonomische, technische en esthetische overwegingen. En dat, in Nederland, voor nog geen 230 gulden per `leerlingensetje'.

Dat van die optelsom staat in Das Klassenzimmer. Schulmöbel im 20. Jahrhundert. Het boek hoort bij een tentoonstelling van een eeuw lang schoolmeubilair, die vorig jaar in Duitsland te zien was.

Niet toevallig, Duitsland. De Duitse preoccupatie met opvoeding en (geestelijke) gezondheid – samengevat in het begrip Hygiene – rond de eeuwwisseling leidde tot een reeks maatschappelijke vernieuwingen. Te beginnen op school. In 1901 hield de meubelmaker P. Johannes Müller een voordracht getiteld Moderne Schulbänke. Müller, die handelde in schoolmeubilair en dus zeker niet belangeloos sprak, hield zijn publiek voor: ``Mijne Heren! Duitslands toekomst zit op de schoolbank.'' Om vervolgens te pleiten voor een gezondere, ruimere inrichting van het schoollokaal. ``Ethiek en hygiëne, de verzorging van het gemoed en de verzorging van het lichaam, vereisen dezelfde zorgvuldigheid als de verzorging van het intellect.''

Niet alleen Duitse ondernemers buigen zich in deze tijd over het klaslokaal. Artsen wijzen op de medische noodzaak van een goede houding van leerlingen en op de noodzaak van goed meubilair om die houding te bevorderen. Alle belangrijke pedagogen richten hun ideale klas in. Maria Montessori leert dat een kind bewegingsvrijheid nodig heeft en stelt voor de lokalen te vergroten, het meubilair minder massief en zwaar te maken zodat kinderen er tussendoor kunnen lopen en het zelf kunnen verplaatsen. Célestin Freinet (alweer wat later) plaatst een verfhoek in zijn ideale lokaal, een drukpers en een timmerbank.

Tot halverwege de negentiende eeuw is er, niet alleen in Duitsland, maar één schoolmeubel, de bank. Met meestal het schrijfblad verbonden aan de zitting. Geen wiebelkinderen in de negentiende eeuw. Schuifelen in de banken, dat was alle bewegingsvrijheid die een kind voor zichzelf kon opeisen. En leerlingen van uiteenlopende leeftijd en lengte moesten zich met dezelfde bank en dezelfde afstand tussen zitting en schrijfblad behelpen. In Das Klassenzimmer staan mooie, plastische medische tekeningen afgedrukt van de gevolgen voor de wervelkolom.

Wat er gebeurt in de tweede helft van de negentiende eeuw zou je de ideologisering van de schoolklas kunnen noemen. Zoals socialisten strijden voor de bevrijding van de fabrieksarbeider, zo wordt de schoolstrijd er een om de bevrijding van het kind. Tot aan de NSDAP – de armetierige schoolklas van hun Führer is met een foto in het boek vereeuwigd – maken politieke bewegingen zich druk over het meubilair. Onder het motto fort mit der Schulbank! pleiten de nationaal-socialisten voor wat tegenwoordig het leerlingensetje heet: tafel en stoel. Opdat er een `ongedwongen samenzijn' heerse in de klassen.

``Elke nieuwe staatssecretaris levert ons geld op.'' Tot aan de dag van vandaag bemoeit de politiek zich met het schoollokaal. Hans Weldam, verkoopleider van Schilte bv, verdient er zijn brood mee. Een nieuwe opvatting over de gymles? Het departement schrijft een `bewegingslokaal' voor en Schilte levert de klimgym, de kast, de banken, de matten. Zeventienduizend gulden per lokaal. ``Gouden handel.'' We staan in de toonzaal van Schilte bv, sinds 140 jaar makers van schoolmeubilair. En Weldam zegt tevreden: ``Alles wat hier staat hebben wíj niet bedacht. Dat is op school bedacht.'' Neem die kast. Een kloeke romp, planken aan twee kanten, zware zwenkwielen eronder. Noemt Weldam de Paul-Kollingkast, naar de leraar die hem bedacht en maakte. Wat een lomp kreng, zeiden ze bij Schilte, toen Weldam voorstelde hem in productie te nemen. Nu is het een topper als `multifunctionele kast'. Zeker sinds er de Gerard-Haakswandjes tussen kunnen. Naar weer een ander schoolhoofd, die bedacht dat je tussen twee multifunctionele kasten een wandje kunt plaatsen om daarmee bijvoorbeeld een stuk van de gang tijdelijk af te schermen. Weldam liet twee scharnierhaken op de zijkant van de kast schroeven en nu is het een kasten-trein. Hij knakt de kast en daar ontstaat ineens een `concentratiehoek' in de toonzaal.

De creativiteit op scholen is enorm, zegt Weldam, en die houdt gelijke tred met de behoefte van scholen om zich ten opzichte van elkaar te profileren. En dat heeft weer alles te maken met de concurrentie die zijn intrede in het onderwijs heeft gedaan. ``Bij het meer leerlingen krijgen dan je buur.''

Weldam bezoekt veel scholen in Nederland en, zegt hij, ``nergens staat nog oud spul.'' Dat kunnen scholen zich niet meer veroorloven. Nu de signatuur van een school geen garantie meer biedt voor de toestroom van gelijkgezinde leerlingen, is het opletten geblazen. ``Vroeger had je een goede school als de muren volhingen met leuke werkstukjes, nu moet-ie er goed uitzien.'' En er is zoiets bijgekomen als `uitgekeken raken op' het meubilair. ``Dan wil de leiding iets léukers.'' Maken ze een soort poppenkast waar de computer op kan staan, in plaats van de kantorige tafel-op-wieltjes. In de ruim twintig jaar dat Weldam bij Schilte werkt, heeft hij alle modes, trends en grillen door de school zien gaan. Hij heeft de plastic stoelen gezien, met leraren die enthousiast op de kuipjes sprongen om te bewijzen dat deze nooit stuk konden. Nu zijn ze helemaal verdwenen, er braken toch hoekjes af en er bleek een verhoogd risico voor reuma aan te kleven. Hij heeft de schreeuwerige setjes uit Frankrijk zien komen en gaan, de meubel-experimenten uit Zweden. Hij heeft het hout plaats zien maken voor metaal en kunststof, en het hout toch weer zien terugkomen. Gelukkig maar, want Schilte zit ``van huis uit in de houtsfeer''.

Pedagogisch-ideologisch zijn enkele schooltypen altijd het hout trouw gebleven. Jenaplan, Dalton, Montessori, Vrije School (``ongelakt hout, zelfs''), dat zijn de houtliefhebbers. Maar tegenwoordig wil, schat Weldam, tachtig procent van de basisscholen hout. ``Het is warmer en het geluid doffer. Als de hele klas tegelijk opstaat van metalen meubels, dan is dat heel wat lawaaiiger dan van hout.''

Das Klassenzimmer is net de toonzaal van Schilte, maar dan honderd jaar achtermekaar en internationaal – dat wil zeggen, Europees en Amerikaans. Het is een boek dat de lezer heen en weer slingert tussen verbazing, vertedering en herkenning. De klaptafel. Waarom een klaptafel? Elke keer dat je iets uit je vakje moest hebben, kwam je handen tekort om de boel bijelkaar te houden. De Amerikaanse schoolbanken waar de leerling gemakkelijk uit kon opstaan als het volkslied gezongen moest worden. De Rettigbank, in Nederland overgenomen als Rijksmodelbank. De in Duitsland razendpopulaire Kufenstuhl. De veelkleurige stapelstoeltjes.

Maar wat vrijwel ontbreekt in Das Klassenzimmer, is het kind. Ja, het is er wel als object, als etalagepop, als aangeklede wervelkolom. Maar niet het kind en zijn plaats – `plaats' in de zin van `tafel en stoel'. De plaats is het bolwerk vanwaaruit ieder kind zijn juf of meester weerstaat en waar zijn medeleerlingen af en toe een kijkje mogen nemen. Waar hartekreten in de rand van de tafel worden gekerfd. Waar, onzichtbaar in het kastje eronder, naast de potloden en schriften, fossielen, passers, messen en spiegeltjes liggen. De plaats als oase van persoonlijke rust in een tot aan de wc's publiek domein.

Je verwacht in een uitputtend (laten we het woord `grondig' nu eens vermijden) boek als dit, waar werkelijk ieder aspect van het meubel wordt belicht, een mooi opstel over de plaats van het kind in de klas. Het omslag wekte die verwachting ook op. Een schitterende foto van Robert Doisneau, la Pendule, drie jongetjes achterin een klas. Sobere schoolbanken. Ergens in de jaren vijftig. Eén jongetje heeft de blik langs de lens gericht, op de meester of wie weet op welk oneindig. Eén jongetje kijkt omhoog naar de klok – iedereen die op school is geweest kent die blik en de wanhoop die hem dirigeert. Het derde jongetje kijkt met panische ogen recht de camera in. Achter hem op de muur hangen kindertekeningen. Je voelt hun kramp en er is niets maar dan ook niets op de foto te zien dat redding kan bieden tegen de grillen van de leraar. Daar was de klaptafel toch heel handig voor.

Thomas Müller en Romana Schneider (red): Das Klassenzimmer. Schulmöbel im 20. Jahrhundert. Prestel München/New York ƒ116,30.