Mannen op spekzolen

'Voor ik begin met Augustinus wil ik u waarschuwen', zei de bejaarde hoogleraar en keek ons indringend aan. Het was 1971 en met tien anderen - de studie filosofie was niet populair - wachtte ik op mijn eerste college: Wijsbegeerte van de Middeleeuwen. De professor vouwde de handen voor zijn borst, zuchtte een paar keer, zei mompelend dat de gemiddelde studieduur tien jaar, het nut van filosofie gering en de kans op een baan als wijsgerige nul was, en zweeg. Wij keken ongemakkelijk naar elkaar. Tot hij ineens zijn arm verhief en zijn vinger in de lucht stak en brulde: 'Wanneer u centjes wilt verdienen heeft u hier niets te zoeken, maar moet u iets met computers gaan doen.'

Ik had geen flauw idee wat hij bedoelde. Een baan en geld verdienen lagen ver achter mijn horizon; computers waren science fiction met mannen in witte jassen die ernstig keken naar grote machines vol flikkerende lampjes. Bij de eerste maanlanding, twee jaar eerder, was er een aan boord van de Eagle, herinnerde ik me. Maar die had gehaperd. Wanneer Neil Armstrong niet had ingegrepen, zouden de eerste mensen op de maan twee verpletterde doden zijn geweest.

In mijn tweede studiejaar verhuisden de filosofen naar een etage in een nieuw gebouw. Op de verdieping boven ons huisden de sterrenkundigen met op het dak een stalen koepeltje van waaruit ze de hemel konden bekijken. Onder ons waren acht etages vol wiskundigen met raadselachtige instituten, zoals die voor Grondslagen Onderzoek en die voor Toegepaste Wiskunde. In de lift ontmoette ik soms mannen die dozen met gele kaarten stevig vastgeklemd hielden. Als ik op de begane grond de lift instapte, stonden zij er al in - ze kwamen dus uit de kelder. Voordat ze op de vierde verdieping uitstapten, spraken ze raadselachtige taal met kreten als 'de run' en 'op zaal'. Met hun gewichtige houding en hun grijze schoenen met spekzolen leken ze op doktoren die een zware operatie achter de rug hadden.

Het Academisch Rekencentrum huisde in de kelder, hoorde ik later. In de dozen zaten ponskaarten die door computers werden gejaagd. Die mannen waren informatici. Ieder jaar groeide hun aantal. Ze sjouwden met grotere dozen, die niet alleen ponskaarten maar ook bruine tapes bevatten. Uit hun hautaine houding en de flarden van geheimzinnige gesprekken maakte ik op dat ze er van overtuigd waren essentiële zaken te ontdekken, zaken die alleen toegankelijk waren voor intimi.

In mijn studie filosofie had ik inmiddels de vaagheid van de Fenomenologie en het Existentialisme achter me gelaten en was via Wittgenstein bij Wetenschapsfilosofie en Logica terechtgekomen. Ik was, als de grote filosofen van deze eeuw, gaan snoepen van de Wiskunde. Al bij het begin van Recursietheorie hoorde ik van de Turing-machine: een band met vakjes die naar links en rechts kan bewegen; instructies lezen een vakje en geven een zwiep aan de band. Turings These hield in dat elk computerprogramma gereduceerd kan worden tot een toepassing van zo'n machine. Het bevestigde mijn vermoeden dat het gewichtige computergedoe van die mannen op spekzolen theoretisch niet veel voorstelde. Alleen door geheimzinnig te doen en genialiteit te suggereren konden ze overleven.

Nog hetzelfde jaar waren de dozenmannen verdwenen. De wiskundigen hadden hen verbannen, nam ik aan. Later bleek dat ik ongelijk had. De computers hadden de kelders verlaten en waren, uit mijn zicht, een bovengronds leven begonnen. De rekenmonsters kwamen in een eigen gebouw, met eigen hoogleraren, wetenschappelijk medewerkers en studenten. Kleinere exemplaren stonden al gauw op ieders bureau. Secretaresses, programmeurs, wiskundigen, filosofen, journalisten, boekhouders, schrijvers of telefonisten - door computers doen ze inmiddels allemaal hetzelfde: Ze zitten iedere dag urenlang te turen naar een beeldbuis, te tikken op een toetsenbord en te schuiven met een muis.

Computers regelen inmiddels onze bankrekening, gas, water, elektriciteit, verwarming en automotor. En nu vertellen de mannen in keurige pakken - de schoenen met spekzolen hebben ze uitgedaan - dat ze een fout hebben gemaakt. Ze beweren dat veel machines het jaar 2000 niet slikken. Een fout die ze uit zuinigheid voor het eerst maakten tijdens hun ondergrondse jaren, en waarmee ze, consequent als ze zijn, door zijn gegaan tot halverwege de jaren negentig. 'We hadden nooit verwacht dat computerprogramma's zo lang mee zouden gaan', is hun verweer.

Onzin, ze hadden oogkleppen op! Waarom spraken ze in de lift van de kelder naar de vierde verdieping alleen met elkaar? Hebben ze ooit een hogere verdieping bezocht? Nee, niet de negende, van de filosofen, want die hadden ze ook na tien jaar niet wijzer gemaakt. Maar bijvoorbeeld de hoogste etage van de sterrenkundigen, of het buurgebouw van de natuurkundigen. Daar hadden ze kunnen horen dat een eeuwenoude telescoop nog steeds werkt, dat een telefoon uit de vorige eeuw nog steeds aangesloten kan worden op het telefoonnet, dat een lamp uit dezelfde periode nog steeds brandt wanneer je hem aansluit, dat je zelfs uit de oudste bakelieten radio Sky Radio kunt laten schetteren en dat je op een tv-toestel uit de tijd van Dappere Dodo vandaag de Teletubbies kunt zien. Uitvindingen die snel en breed worden toegepast, zitten heel lang vast aan hun oorspronkelijk ontwerp en op succesvolle producten wordt generaties lang voortgeborduurd. Sukkels!