Loket of draaideur

ALS HET AAN het kabinet ligt, zullen aan het woud van afkortingen in de sociale zekerheid weer enkele nieuwe pareltjes worden toegevoegd. Geredeneerd vanuit de `één-loketgedachte' staat de uitkeringswereld wederom een ingrijpende reorganisatie te wachten. Een uitkering en het zoeken naar een baan moeten beter op elkaar worden afgestemd. Dat is althans de bedoeling van de nieuwe stelselherziening.

Een en ander zal leiden tot de vorming van ongeveer tweehonderd Centra voor Werk en Inkomen (CWI's) die op hun beurt vallen onder een Landelijk Instituut van Werk en Inkomen (LIWI) dat geheel volgens het geldende jargon zal `aansturen'. Kansmeters, een nationale sollicitantenbank, een Cliënt Volg en Communicatie Systeem, Arbodiensten en indicatiecommissies doen de rest. Dat alles wordt gelardeerd met een flinke dosis marktdenken, waarbij diensten kunnen worden ingekocht c.q. verkocht en financiële prikkels de toon zetten, spreekt voor zichzelf.

Voor de goede orde: het ging er dus om de effectiviteit van de uitvoering van de sociale zekerheid te vergroten en de daarbij betrokken organisaties klantvriendelijker te maken. Getuige ook de eerste reacties van degenen die de reorganisatie tot stand moeten brengen, moeten die doelen voorlopig maar even worden vergeten. Alles wijst erop dat de jongste kabinetsplannen, zoals die zijn neergelegd in de deze week gepresenteerde nota Structuur Uitvoering Werk en Inkomen, allereerst zullen leiden tot het innemen en opeisen van stevigere posities van alle bureaucratische belanghebbenden in het krachtenveld van de sociale zekerheid. In die strijd speelt de uitkeringsgerechtigde of werkzoekende hoegenaamd geen rol.

DE BEVINDINGEN VAN de in 1993 gehouden parlementaire enquête naar de uitvoering van de sociale zekerheid hebben de afgelopen jaren de aanzet gegeven tot het aanpakken van de lappendeken waartoe het systeem was verworden. De verantwoordelijkheden zijn anders komen te liggen, de oude bedrijfsverenigingen met de zo dominerende rol voor sociale partners bestaan niet meer en er is meer keuzevrijheid gekomen. Er is kortom al het nodige veranderd. Maar tot werkelijke verbeteringen heeft dit nog niet geleid. Tekenend is wat dit betreft de gang van zaken rond de WAO. In de uitvoering is er van alles veranderd, maar van de cliëntgerichte benadering van arbeidsongeschikten, waardoor dezen weer sneller in het arbeidsproces kunnen worden opgenomen, is bitter weinig terechtgekomen. Terwijl de organisaties onder het mom van reorganisatie elkaar bevochten en nieuwe statige kantoorpanden bouwden, was er nauwelijks aandacht voor de arbeidsongeschikten zelf.

Waar thans vooral behoefte aan is, is een grondige evaluatie van wat de afgelopen jaren is veranderd, niet aan weer nieuwe organisaties met alle bijbehorende competentiegeschillen. Kritiek op de plannen kan natuurlijk worden afgedaan als angst voor verandering. Voor een belangrijk deel is dat ook zo. De ervaring met het stelsel dat heeft geleid tot de Nederlandse verzorgingsstaat heeft geleerd dat weinig organisaties zo inflexibel zijn als de uitvoeringsinstanties in de sociale zekerheid. Het probleem van de kabinetsplannen zoals die nu zijn geformuleerd is nu juist dat de gekozen opzet alle ruimte geeft voor nog meer obstructief gedrag van de verschillende belanghebbenden.

DE ÉÉN-LOKETGEDACHTE voor de sociale zekerheid, die overigens reeds in het begin van de jaren tachtig werd ontvouwd, heeft de charme van de eenvoud. Iemand die op zoek is naar werk of is aangewezen op een uitkering dient met zo min mogelijk papieren beslommeringen zo direct mogelijk geholpen te worden. Maar het monstrum waaraan nu gewerkt wordt, dreigt tot het tegenovergestelde te leiden. In de praktijk zal het loket een draaideur blijken te zijn waar cliënten door naar binnen gaan en alleen op straffe van grote duizeligheid weer uit naar buiten komen.