'Koele cijfers zijn ondemocratisch'

`Er is veel afstand tussen wet en werkelijkheid', zegt Henk van de Bunt, hoofd van het wetenschappelijk centrum van Justitie.

`DE DEMOCRATISCHE legitimering van beleid lijkt te worden vervangen door een wetenschappelijke', zegt Henk van de Bunt. ``Koele cijfers dringen de wil van het volk steeds meer naar de achtergrond. Ik zie dat als een gevaar, juist omdat het ondemocratisch is.'' Van de Bunt is vanaf 1994 hoofd WODC (Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum) op het ministerie van justitie. Hij is zowel socioloog als jurist. Als je die twee wetenschappen optelt is de uitkomst bijna altijd: criminologie.

Het WODC doet in opdracht van het departement beleidsondersteunend onderzoek. ``Wij doen nu bijvoorbeeld in opdracht van de overheid continu onderzoek naar de georganiseerde misdaad in Nederland'', zegt Van de Bunt. ``Elke twee jaar moeten we rapporteren. Wij proberen zo genuanceerd mogelijk te zijn, maar de politiek neemt wel tal van beslissingen, bijvoorbeeld over het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden, mede op basis van ons onderzoek. Beleidsvoering zou gebaseerd moeten zijn op normatieve, politieke keuzes. Die mag je niet verdringen met wetenschappelijke argumenten.''

KRACHT

De opwinding over het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM - ontstaan nadat een RIVM-statisticus het instituut ervan had beschuldigd onzekere modellen als waarheden te presenteren - is nog niet uitgewoed. Zou zoiets zich ook met het WODC kunnen voordoen? Van de Bunt: ``De problematiek is herkenbaar. Onze relatie met het departement is zeer hecht: als stafdirectie vallen we direct onder de secretaris-generaal. Het departement bepaalt de agenda van ons onderzoekprogramma en financiert ons instituut. Wij hebben geen vrijheid van onderzoekskeuze, maar wel in de uitvoering en in onze publicaties. Af en toe hoor je dat men niet wil dat bepaalde dingen gezegd of geschreven worden, maar van een gevecht tegen het ministerie is absoluut geen sprake. We zijn er, in tegenstelling tot het RIVM, gewoon onderdeel van. Daar ligt nu juist onze kracht: het leveren van onderzoeksgegevens waar het departement beleidsmatig mee uit de voeten kan. Het lijkt mij zeer onwaarschijnlijk dat we ooit te maken zullen krijgen met een rel à la RIVM.''

Zou het niet ook een rol spelen dat milieu-cijfers (hoe smerig is iets) een `harder' karakter hebben dan bepaalde uitkomsten van criminologisch onderzoek (hoe groot is de kans dat iemand een boef wordt)? Van de Bunt: ``Dat is maar ten dele waar. We werken bijvoorbeeld sinds een jaar met het `prognosemodel sanctiecapaciteit' (zie kader). Op basis van de uitkomsten van berekeningen aan de hand van dat model worden belangrijke beslissingen genomen over de investeringen in het gevangeniswezen. Het model kent talloze variabelen zoals politiesterke, demografische en criminologische cijfers en de slagkracht van justitie. Je kunt er ook allerlei beleidsresultaten mee voorspellen in de sfeer van: als de politie de komende tien jaar niet groeit, wat is daarvan dan het effect op de criminaliteit? Als de cijfers uit dat model niet kloppen, hebben we een groot probleem. Ik zie het echter ook als mijn taak het enthousiasme over dit model wat te temperen. Het mag geen gouden kalf worden. We hebben een extern instituut contra-expertise laten uitvoeren op bepaalde resultaten en laten schieten op het model zelf. Ik durf nu wel te zeggen dat het model niet meer valt te manipuleren.''

Uit de onderzoeksagenda van het WODC tot 2000 is de politieke opportuniteit goed af te lezen. Jeugdcriminaliteit, rechtshandhaving, sancties, vreemdelingen, georganiseerde misdaad: het zijn allemaal zaken waar ook het openbaar ministerie zich de komende jaren op zal richten, getuige het OM-jaarplan 1999. Van de Bunt heeft wel enige twijfels over het nut van de tweejaarlijkse rapportage over de georganiseerde misdaad. ''In het kielzog van de IRT-enquête heeft de groep-Fijnaut een rapport van 1.100 pagina's geschreven. Dan is het de vraag wat je na een paar jaar daaraan nog kunt toevoegen.''

De hoofdconclusies van de laatste `WODC-monitor georganiseerde criminaliteit' van begin dit jaar waren: de georganiseerde misdaad loopt minder langs etnische scheidslijnen dan we dachten en de rol van vrouwen in de netwerken is juist groter dan we dachten. Hebben we hier iets aan? Van de Bunt: ``We doen wat de Tweede Kamer vraagt. De nuttigheidsvraag is dan minder relevant. Over de georganiseerde misdaad zeggen we nu in feite: etniciteit doet er niet toe, het gaat om de sociale verbanden. Dat is toch weer een andere manier van denken dan de thans vigerende.''

Wat de vreemdelingen betreft zal het WODC zich de komende tijd richten op onderzoek naar de effecten van de koppelingswet. Deze wet zorgt ervoor dat illegalen geen gebruik kunnen maken van tal van voorzieningen waarop `gewone' burgers wel recht hebben zoals uitkeringen. Van de Bunt: ``Daarnaast gaan we de motieven van asielzoekers onderzoeken waarbij we ons concentreren op de vraag waarom ze naar Nederland komen. Er is thans sprake van een sterke aanname dat asielzoekers voor Nederland kiezen, bijvoorbeeld omdat de opvang hier zo goed zou zijn. Wellicht is dat geheel onjuist en is er helemaal geen sprake van een positieve keuze. We weten dat vele asielzoekers niet eens door hebben dat ze in Nederland zijn. Je kunt de vraag ook toespitsen: wat is de rol van reisagenten of mensensmokkelaars bij de keuze voor Nederland? Ook in de discussie over asielzoekers zie ik een duidelijke taak voor het WODC om de knuppel in het hoenderhok te gooien.''

Dat is in elk geval uitstekend gelukt bij de rapportage eind vorig jaar over de effecten van de ontnemingswetgeving, beter bekend als `Pluk ze'. De opbrengst aan geconfisqueerd crimineel vermogen bleek bitter tegen te vallen. Van de Bunt: ``Er is vaak nog te veel afstand tussen wet en werkelijkheid. Dat is uiterst frustrerend: er wordt vaak jaren gesoebat om een wet die, eenmaal aangenomen, nauwelijks blijkt te werken. Hier hebben wij bij uitstek een functie. Niet alleen om te onderzoeken waarom een wet slecht werkt, zoals bij `Pluk ze', maar ook om te zorgen dat de wetten beter aansluiten op de maatschappelijke realiteit. Vandaar dat ook wetgevingskwaliteit een prioriteit heeft gekregen op onze nieuwe onderzoeksagenda.''

DISCRIMINATIE

Vorig jaar vierde het WODC het 25-jarig bestaan. Van de Bunt is het vierde `hoofd' na het illustere rijtje Wouter Buikhuisen (1973-1975, waarnemend), Dato Steenhuis (1975-1982), Jan van Dijk (1982-1988) en Josine Jünger-Tas (1988-1994). Buikhuisen kreeg de opdracht het toenmalige WVDC (Wetenschappelijk Voorlichtings- en Documentatiecentrum) uit te bouwen. Een van zijn belangrijkste wapenfeiten is het creëren van het documentatieblad Justitiële Verkenningen dat thans negen keer paar jaar een gezaghebbend themanummer brengt.

Onder Buikhuisen werd de criminologie in Nederland snel volwassen. Promoveerde hij zelf nog op een proefschrift over de nozems van het eind van de jaren zestig (zijn dat criminelen of geëngageerde wereldverbeteraars?), onder zijn leiding deed het WODC participerend onderzoek naar discriminatie door de politie in contacten met verdachten, een onderwerp dat ook nu nog uiterst actueel is. De belangrijkste uitkomst: Surinamers werden zeer nadrukkelijk gediscrimineerd. Dat onderzoek, uitgevoerd door Josine Jünger, een jonge promovendus van Buikhuisen, zou grote gevolgen hebben voor het WODC. Buikhuisen (in de WODC-jubileumbundel): ``Nou, Josine schreef dat allemaal op en het rapport ging naar Jac Fonteijn (de toenmalige directeur-generaal politie). Ik werd gebeld door Fonteijn en die zei: `Amice, dit kan niet gepubliceerd worden. Daar moet nog eens goed over gesproken worden.' Ik zei toen: `Dat ben ik niet met je eens. De afspraak is dat jullie drie maanden de tijd krijgen om je op de publicatie voor te bereiden. Je hebt dus tijd genoeg om maatregelen te nemen.' `Nou', zei hij, `dat kan zo echt niet'. Dus hij belt minister Van Agt. Van Agt zegt ook nee. Via de SG kreeg ik te horen dat het rapport niet kon worden gepubliceerd. Dus ik bel Van Agt en zeg: `Of het rapport wordt gepubliceerd, of ik neem ontslag. Ik ben hier gekomen om op de praktijk gericht en voor Justitie relevant onderzoek te doen. Sommige onderzoek zal pijn doen, ander onderzoek zal blij maken, daar gaat het niet om.' Nou, het is toen een heel conflict geweest, maar dat was ook direct het eerste en het laatste, want vanaf dat moment is zo'n discussie nooit meer gevoerd.''

ONDER DE PET

Terwijl het volgens Buikhuisen dus nooit is voorgekomen dat concrete onderzoeksresultaten onder de pet werden gehouden, zegt zijn opvolger Steenhuis dat de strijd tegen het departement (``dat het toch maar verdomd lastig vond dat die rapporten zo maar gepubliceerd konden worden zonder dat er een vetorecht op zat') ``pas onder minister Job de Ruijter in het einde van de jaren zeventig ``endgültig in het voordeel van het WODC is beslist''.

In de wereld van de criminologie is de strijd tussen de `gouvernementelen' (het WODC) en de `academen' (de universitaire criminologen) nog altijd niet uitgewoed, al zijn de scherpe kantjes – toen de academische wereld WODC-onderzoek al bij voorbaat als besmet zag – er wel af. Deze animositeit heeft ook een belangrijke financiële oorzaak: juist in de periode dat de universiteiten werden getroffen door enorme bezuinigingen, groeide het WODC uit zijn voegen: onder Steenhuis verdubbelde het aantal medewerkers. Van de Bunt: ``Je ving geluiden op dat het geld niet op kon, bijvoorbeeld dankzij het extra budget voor preventieprojecten. Dat financiële verschil is er nog steeds. De WODC-accomodatie is nog altijd veel beter dat die van het gemiddelde onderzoeksinstituut.''.

Dit heeft ook te maken met het feit dat criminologie zich in Nederland nooit heeft weten te ontwikkelen tot een sterke, zelfstandige wetenschap. ``Het zou goed zijn als er een zelfstandige studierichting criminologie zou komen aan de juridische faculteiten'', zegt Van de Bunt. ``Maar tegelijkertijd zal criminologie altijd gevoed moeten worden door `moederwetenschappen' als rechten, sociologie en pedagogiek.'' Prof. C. Fijnaut schrijft in de jubileumbundel echter dat ``het criminologisch onderzoek aan Nederlandse universiteiten nog steeds hoofdzakelijk wordt verricht door een paar deeltijds kleine middenstanders die, geholpen door wat familieleden en buren, het hoofd boven water proberen te houden''. Daarom is hij verhuisd naar België (Leuven) waar criminologie volgens hem wél de wetenschappelijke plaats krijgt die zij verdient.