KINDEREN MET LIJMOREN LOPEN ACHTERSTAND IN TAAL EN SPRAAK SNEL IN

Kinderen met langdurige oorontstekingen die daarbij een lijmoor ontwikkelen (waarbij een lijmachtige vloeistof in het middenoor zit opgehoopt) zijn vaak maandenlang behoorlijk doof. Dit kan succesvol worden hersteld door buisjes in de oren aan te brengen, maar de populariteit van deze ingreep is niet groot. De `buisjes' zijn in feite knoopjes met een gat erin die in het trommelvlies worden geplaatst. Het drukverschil in de verstopte buis van Eustachius wordt erdoor opgeheven, wat de oorpijn vermindert en de doofheid doet afnemen. Sommige ouders vinden een chirurgische ingreep bij hun kinderen traumatisch en ongewenst, sommige oorartsen stellen de ingreep liever zo lang mogelijk uit omdat er altijd een zeer kleine kans op vroege of late complicaties is. Maar crèche, school en sommige andere artsen wijzen op de taal-, spraak- en opvoedingsachterstand die een kind oploopt als het maandenlang vrijwel doof is. De keus is moeilijk.

Een onderzoek van Britse oor- en kinderartsen en sociaal geneeskundigen van het ziekenhuis van de universiteit van Bristol biedt enig houvast bij het kiezen voor opereren of wachten. Zij hebben een gerandomiseerd onderzoek uitgevoerd naar de taal- en spraakachterstand bij 182 kinderen met lijmoren die in leeftijd varieerden van ruim één tot bijna vijf jaar (de gemiddelde leeftijd was bijna drie jaar). De kinderen hadden minstens drie maanden last van een lijmoor en leden aan een gehoorverlies van 25 tot 70 decibel.

De kinderen werden `door het toeval' verdeeld in twee groepen. De ene groep kreeg binnen zes weken buisjes. Bij de andere groep werd negen maanden oplettend gewacht, wat betekent dat ze buisjes kregen als de toestand echt ondraaglijk werd. Van de 90 kinderen bij wie werd afgewacht kregen er 16 binnen die 9 maanden toch buisjes. Bij 10 van hen vonden de oorarts of de ouders het echt nodig. Zes kregen buisjes vanwege een niet nader uitgelegd, buiten het onderzoeksprotocol vallend `wachtlijstinitiatief'. Toen de negen maanden om waren lieten ouders en artsen overigens bij 55% van de wachtende kinderen toch buisjes plaatsen. Die gelegenheid bestond, was aan het begin van het onderzoek afgesproken. In de behandelde groep kregen uiteindelijk twee kinderen geen buisjes. De rest kreeg ze binnen zes weken na het begin van het onderzoek (The Lancet, 20 maart).

De kinderen werden getest op doofheid, mentale ontwikkeling, verbale uitdrukkingsvermogen en taalgebruik. Dat gebeurde aan het begin, na negen maanden en na nog eens 18 maanden. Na negen maanden hadden de afwachtende kinderen een achterstand in taal- en spraakontwikkeling die net boven het significante niveau uitkwam. De kinderen in de wachtgroep liepen toen drie maanden achter in hun taal- en spraakontwikkeling op de direct behandelde groep. Beide groepen lijmoorkinderen hadden een achterstand ten opzichte van hun leeftijdgenoten. Weer 9 maanden later waren de onderlinge verschillen en de verschillen met de leeftijdgenoten verdwenen, maar inmiddels had dus 85% van de aanvankelijk wachtende kinderen buisjes. Ongetwijfeld ingegeven door die buisjeslawine na 9 maanden is de korte conclusie van de onderzoekers dat buisjes in de oren enige voordeel bieden bij de taal- en spraakontwikkeling, maar dat het tijdstip van de operatie er niet veel toe doet. Ze hadden er ook op kunnen wijzen dat toch nog 15% van de wachtende kinderen aan de buisjesingreep is ontsnapt. Dat van de vroeg behandelde groep inmiddels 17 kinderen voor de tweede keer buisjes hadden gekregen, tegenover 3 in de afwachtend behandelde groep.

Ouders betrekken vaak ook de last die de lijmoren bij hun kinderen en binnen het gezin veroorzaken in hun overwegingen, maar pijn of slapeloze nachten hebben de onderzoekers niet gemeten. De haast waarmee direct na de negen maanden de buisjes er alsnog in werden gezet doet het ergste vrezen, wat die last betreft. (Wim Köhler)