Het schaduwrijk van de Dalai Lama

Op 31 maart 1959, vlak na de Tibetaanse opstand, vluchtte de Dalai Lama naar India, gevolgd door tienduizenden landgenoten. Om hun cultuur te beschermen, houden de ballingen een kloon van Tibet in stand.

Net als de Dalai Lama in maart 1959 draaide Tenzin zich nog één keer om naar de bergen van Tibet voordat hij, twee maanden geleden, de grens overstak. ,,Om te bidden voor de vrijheid en voor de Dalai Lama'', zegt de 37-jarige monnik. Vier nachten had hij met 35 andere vluchtelingen in een vrachtwagen gereisd van Lhasa naar de westelijk gelegen stad Shigatse. Daarna volgde een voettocht van elf dagen over de besneeuwde passen in de richting van de Mount Everest, op de grens tussen het bezette Tibet en het vrije Nepal. ,,Om de Chinese patrouilles te ontlopen trokken we alleen 's nachts. Overdag sliepen we'', zegt Tenzin in het Ontvangstcentrum voor Tibetaanse vluchtelingen in Dharamsala aan de voet van de Indiase Himalaya's, het ballingsoord van de Dalai Lama en diens regering. ,,Ik was doodsbang dat de Chinezen ons zouden pakken.'' Zijn rechterknie is nog steeds gevoelloos van de barre tocht. ,,We hadden honger, dorst en we waren kapot van de kou.'' Van een meisje van vijf moest een arts in Nepal later alle tenen afzetten. Haar voeten waren bevroren nadat de groep door een rivier had moeten waden. De opluchting was groot toen ze na twee weken Nepalese vlaggen zagen wapperen. De vrijheid duurde maar even. ,,Op de weg naar Kathmandu werden we gearresteerd door de Nepalese politie, geslagen en opgesloten totdat we al onze bezittingen hadden afgegeven. Voordat we Kathmandu bereikten gebeurde dat nog een keer, maar toen hadden we niks meer.''

Eenmaal in India werd Tenzin via New Delhi naar Dharamsala gebracht. Hij keek zijn ogen uit. Overal hingen Tibetaanse vlaggen en foto's van de Dalai Lama. Op straat werd Tibetaans gesproken door jong en oud. In de nauwe steegjes rondom de tempel van de Dalai Lama krioelden honderden monniken in hun donkerrode gewaden; ze mediteerden, baden en zongen, aten Tibetaanse momo's, hielden nachtelijke processies bij kaarslicht, schreeuwden leuzen voor een vrij Tibet en luisterden naar de Dalai Lama als hij boeddhistische lessen gaf.

Klein Lhasa is de hoofdstad van het Tibetaanse rijk-in-ballingschap. Dharamsala werd in 1960 door de toenmalige Indiase premier Jawaharlal Nehru aangeboden aan de Dalai Lama en zijn gevolg. Wegens de gevoelige Indo-Chinese betrekkingen erkende Nehru de Tibetaanse regering niet en verleende de Dalai Lama slechts onderdak. Met realistische kijk op Mao's Volksrepubliek liet Nehru de jonge Dalai Lama wel weten dat hij snel aan de slag moest als hij zijn volk en de rijke, eeuwenoude cultuur wilde behoeden voor de ondergang. Een kleine veertig jaar later hebben de Tibetanen, zo goed en zo kwaad als het ging, op Indiase bodem een bijna virtuele staat geschapen die garant moet staan voor het behoud van de tradities die in Chinese Occupied Tibet met kop en staart worden uitgeroeid, zoals de Tibetanen zeggen.

Het programma voor Tibetaanse slachtoffers van Chinese martelingen zetelt in een kantoor van het regeringscomplex halverwege de `Tibetaanse berg' van Dharamsala, vlak onder de Tsuglagkhang-tempel van de Dalai Lama. Tibetaanse activisten die door de Chinezen werden gemarteld worden hier soms maandenlang behandeld om van hun trauma's af te komen, al dan niet gecombineerd met een behandeling van de fysieke letsels in het Tibetaanse ziekenhuis van Dharamsala. De psychische ondersteuning is een mengeling van klassieke Tibetaanse filosofieën en psychologische, Westerse geneeswijzen, zegt Ugen Damdul, een Tibetaanse maatschappelijk werker die in India werd geboren, en zelf nooit in Tibet is geweest.

Het programma voor de slachtoffers van martelingen is pas enkele jaren oud, maar een belangrijke aanvulling op de faciliteiten die de Tibetaanse regering-in-ballingschap te bieden heeft aan de vluchtelingen. Sinds het bezoek van president Clinton aan China, vorig jaar, slaan de Chinese autoriteiten elk pro-Tibetaans geluid harder neer dan ooit, zeggen de pas aangekomen vluchtelingen. Twee- tot driehonderd Tibetanen komen nu maandelijks aan in Dharamsala; de uittocht uit Tibet is nog nooit zo groot geweest.

Er bestaat een vaste route voor nieuwe vluchtelingen, zodat zij snel hun weg kunnen vinden in de vele Tibetaanse kolonies in India, die samen ruim 100.000 geregistreerde vluchtelingen tellen. Wie aankomt in Dharamsala wordt ingeschreven in het Ontvangstcentrum en krijgt er eten, kleren, schoenen en een bed. Daarna volgt voor iedereen een audiëntie bij de Dalai Lama, de spirituele leider die de vluchtelingen thuis voor `separatist' moesten uitmaken, maar in India weer mogen aanbidden als hun goddelijke koning, zoals een pas aangekomen monnik uit het beroemde Drepung-klooster bij Lhasa zegt.

De vluchtelingen kunnen vervolgens kiezen uit een scala van mogelijkheden. Wie nooit Tibetaans heeft leren lezen – Tibetaanse scholen zijn op de meeste plaatsen in Tibet vervangen door Chinese – kan naar één van de tientallen Tibetaanse scholen. Monniken en nonnen kunnen direct door naar één van de vele Tibetaanse kloosters in India.

Inmiddels leven de Tibetanen verspreid over nederzettingen in tien Indiase deelstaten. Alles wat ze nodig hadden bouwden ze opnieuw op, met financiële steun van de Indiase regering en vooral van donoren in het buitenland. Daarnaast betaalt elke Tibetaanse balling boven de zes jaar vrijwillig één rupee (een stuiver) belasting per maand aan de Kashag, de regering die door de emigrés zelf is gekozen.

In de deelstaat Karnataka in het tropische zuiden van India, waar zo'n veertigduizend Tibetanen leven, werd in 1971 een replica van de 500 jaar oude klooster-universiteit van Drepung gebouwd op een stuk land dat de Tibetanen voor 99 jaar mochten huren van de deelstaatregering. De Drepung Universiteit telt nu 3.500 boeddhistische studenten, onder wie veel Indiërs uit de noordelijke, boeddhistische regio's – en zelfs Europese boeddhisten. In de Kangra-vallei vlakbij Dharamsala verrees enkele jaren geleden een kopie van het Norbulingka, het zomerpaleis van de Dalai Lama in Lhasa. In het instituut kunnen studenten de oude Tibetaanse kunsten en ambachten leren, van thangka-schilderen tot het weven van tapijten.

,,De eerste jaren waren een hel'', zegt een oudere man uit Amdo, de oostelijke provincie waar ook de Dalai Lama werd geboren. ,,We smeekten His Holiness om ons weg te halen, naar een koelere plaats in de bergen.'' In de Tibetaanse nederzettingen in Zuid-India, waar tienduizenden vluchtelingen in de jaren zestig terechtkwamen, stierven tientallen Tibetanen aan de hitte, aan malaria en andere ziektes die Tibet niet kende.

Hoewel de Tibetanen in India volop de kans kregen hun beschaving na te bouwen blijven de cultuur, het Tibetaanse boeddhisme en de taal de grootste zorgen. Er wonen inmiddels naar schatting acht miljoen Chinezen in Tibet tegenover zes miljoen Tibetanen. Sinds de Chinezen Tibet in 1949 binnenvielen zijn honderden kloosters vernietigd of leeggeroofd. Met name de kloostergemeenschappen lijden onder de Chinese druk, zegt Tenzin. Foto's van de Dalai Lama zijn verboden. ,,Eén van hun favoriete methoden is om menselijke uitwerpselen in het gezicht van een monnik uit te smeren, zodat hij zich onrein voelt en geen geestelijke meer wil zijn. Ze mogen zich niet meer schoonmaken'', zegt Ugen Damdul, maatschappelijk werker van het centrum voor slachtoffers van martelingen.

Uit de verhalen van recent gevluchte Tibetanen blijkt dat steeds meer kloosters worden gesloten; boeddhistische monniken en nonnen worden vervolgd. Jongeren mogen van de Chinese regering niet meer op hun zesde, maar pas na hun achttiende verjaardag monnik worden. ,,We kregen wekelijks een hersenspoeling van de Chinezen'', zegt Tenzin op zijn stapelbed in het Ontvangstcentrum. ,,De Chinezen vertelden ons dat we van het moederland China moesten houden en dat we alleen over het communisme mochten lezen, geen Tibetaanse geschriften.'' In 1996 werd hij met een groep monniken uit het Drepung-klooster gezet, waarna hij Tibetaanse les ging geven op een schooltje in Lhasa. Vorig jaar verboden de Chinezen dat ook. Vlak daarna moest hij vluchten. Hij had geprobeerd een stapel documenten over Chinese gruweldaden te overhandigen aan Mary Robinson, de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN, die Lhasa mocht bezoeken. Maar de stad was afgegrendeld door een cordon van duizenden soldaten en politie-agenten in burger. Omdat zijn papieren op verschillende plaatsen in Lhasa opdoken werd het te gevaarlijk in Tibet. ,,Ik ben gevlucht om mijn vrijheid terug te krijgen. Voor mezelf ben ik daar blij om, maar het doet pijn dat ik de Tibetaanse bevolking niet meer kan helpen.''

Oorverdovend hard blaast de Indiase filmhit Kuch Kuch Hota Hai over het schoolplein van het Tibetaanse Kinderdorp in de heuvels boven Dharamsala. Jongens en meisjes in spijkerbroeken, met Reebok-shirtjes en Nike-petjes, zingen de Indiase schlager uit volle borst mee – in het Hindi. Een paar jongens spelen cricket op het kale voetbalveld tussen de klaslokalen. Hoewel de school 2.400 Tibetaanse kinderen telt zijn er op het eerste gezicht, afgezien van de gelaatstrekken en de vrolijk wapperende boeddhistische gebedsvlaggetjes weinig aanknopingspunten met Tibet. In de klaslokalen is het anders. En klein jochie oefent op een schoolbordje Tibetaanse letters. De onderwijzeres spreekt alleen Tibetaans met de kinderen. Aan de muur, boven een klein altaar, hangt een grote foto van de Dalai Lama, zoals in vrijwel elk huis in Dharamsala. Behalve Tibetaans leren de kinderen ook Engels, Hindi en de bekende andere vakken.

,,Buiten Tibet staan we bloot aan lokale culturen'', zegt Tenzing Sangpo, het hoofd van de school. Zijn ouders namen hem in 1960 mee tijdens hun vlucht naar India, toen hij vijf jaar oud was. ,,We moeten allemaal Hindi leren. Daardoor verdwijnt het Tibetaans langzaam en daarmee de cultuur. De taal is de ziel van een natie.'' Behalve over de taal is hij bezorgd over de Tibetaanse mentaliteit. ,,De Tibetaanse maatschappij was vroeger in Tibet heel simpel, absoluut niet materialistisch. Een gast gaf je alles wat je had. Je ziet hier in India dat de jonge Tibetanen vreemden niet eens aanspreken. De menselijke kwaliteit is achteruitgegaan. In deze moderne wereld denken ze aan geld verdienen en aan goede banen. De jongeren willen allemaal professional worden.''

Zolang ze in India blijven, waar de Tibetaanse gemeenschap ongekend hecht is, blijven de Tibetaanse gebruiken in stand, zegt Sangpo. ,,Maar ze willen nu ook naar Amerika, net als de Indiërs. In de Verenigde Staten spreken veel Tibetanen alleen nog maar Engels, en zijn getrouwd met niet-Tibetanen.'' Het is de tol van een halve eeuw Chinese bezetting, zeggen de ballingen in Dharamsala, waar ongeveer vijfduizend Tibetanen wonen. In de jaren zestig riep de Dalai Lama de Tibetanen nog op om, ,,als het enigszins kan, met een Tibetaan te trouwen''. Ouderen kwamen in het geïsoleerde Tibet nooit in contact met buitenlanders, maar voor de jonge Tibetanen die in India werden geboren is dat anders. ,,Een jonge Tibetaan denkt daar tegenwoordig niet meer bewust over na'', zegt Sangpo.