Hartland van Servië

Servië koestert een bezitterige liefde voor de regio Kosovo. De verbondenheid is zo sterk, dat Servië bereid is de bommen van de NAVO over zich heen te krijgen. Hoe komt dat?

Ooit, eeuwen geleden, was Kosovo het centrum van een machtig Servisch koninkrijk, en nog steeds herbergt het de belangrijkste orthodoxe kloosters, kerken en historische monumenten van de Serviërs. Later, in de zeventiende, achttiende en twintigste eeuw, zijn de Serviërs er in meerderheid weggetrokken. Nog maar tien procent van de bevolking bestaat uit Serviërs en Montenegrijnen. Dat percentage wordt elk jaar kleiner: pogingen meer Serviërs naar Kosovo te lokken, stuiten af op de troebele relatie met de Albanese meerderheid. De Serviërs die er nog wonen, voelen zich bedreigd en willen weg.

Niettemin: hun hartland zijn de Serviërs nooit vergeten. Dat ze zo hardnekkig vasthouden aan het bezit van de regio dat ze er een oorlog met de hele NAVO voor overhebben, heeft alles met dat verleden en hun emoties over dat verleden te maken.

Dit is het beeld, dit is de emotie: in juni 1389, bij de Slag van het Merelveld, de Slag van Kosovo Polje (Kos betekent merel), even buiten het huidige Priština, brak een nacht over de Serviërs aan die vijf eeuwen zou duren. Servië, het enige Servië in de geschiedenis dat, hoe kort dan ook, kan worden omschreven als groots en machtig en glorieus, het Servië van tsaar Dušan, het Servië dat reikte van de Donau tot de Egeïsche Zee, het Servië dat in Kosovo zijn centrum had, werd verslagen en bleef het vijfhonderd jaar lang. En daarom is Kosovo de wieg van het Servische volk, de Servische cultuur, de Servische beschaving, de Servische kerk. Kosovo is het hartland van het enige Servië dat ooit meetelde in Europa, dat ooit iets voorstelde. Kosovo, zeggen de Serviërs, is ons Jeruzalem.

Het is een machtige emotie, na de ondergang van dat grootse Servië eeuw na eeuw gecultiveerd in mondeling overgeleverde mythen en legenden, tot er een klassiek verhaal ontstond. Een epos van heldendom en verraad, het nationale epos van de Serviërs, dat verhaalt van de heroïsche tsaar Lazar die in 1389 onderging en de verraderlijke Vuk Brankovic en moeder Jugovic die hoorde van de dood, in de strijd, van de ene zoon na de andere, tot ze bij het horen van de dood van haar negende zoon zelf bezwijkt.

Dat klassieke epos dat Kosovo voor eeuwig een emotioneel thema maakt voor de Serviërs, heeft met de historische werkelijkheid weinig te maken. Het werd, onderweg in die eeuwenlange mondelinge overlevering van generatie op generatie, gemythologiseerd, aangevuld en gezuiverd. De onaangename of twijfelachtige historische feitjes verdwenen, want dat in Lazars legers Albanese troepen en Bosnische en Hongaarse en zelfs Turkse troepen meevochten, dat wil geen Serviër horen. Geen Serviër wil horen dat het grootse Servië al veertig jaar vóór de Slag op het Merelveld bij de dood van tsaar Dušan uiteen was gevallen. Nog minder wil een Serviër weten dat Kosovo bovendien pas zeventig jaar ná 1389 door de Turken volledig werd bezet. Net zomin als hij wil weten dat het zwaartepunt van Dušans rijk niet in Kosovo lag, maar ten noordwesten ervan, in Rascia, en dat Dušan niet in Kosovo, maar in Skopje resideerde, dat hij Griekenland dankzij nota bene Albanese legers veroverde. Dat de wieg van de Servische orthodoxe kerk ook al niet in Kosovo stond, maar in Centraal-Servië – dat zijn allemaal onwelkome feiten.

Het epos en de mythe blijven onaangetast. En de emotie blijft, de emotie over en voor Kosovo. En die emotie, die zegt: hartland, die zegt: wieg. Onze wieg. Ons Jeruzalem. Ook al woont er niet één Serviër meer. De nederlaag van juni 1389, zei Slobodan Miloševic bij de zeshonderdste herdenking (en anderhalf miljoen Serviërs stonden op het Merelveld en hoorden het hem zeggen) was geen nederlaag, het was een zege, want vanaf 1389 leerden de Serviërs hoe ze onder een vreemd juk konden leven. Ze overleefden, ze wonnen.

In 1912 kwam Kosovo, na de Balkanoorlog, bij het onafhankelijke Servië dat zes jaar later hartland werd van het nieuwe Joegoslavische koninkrijk. In 1974 kreeg Kosovo binnen Joegoslavië de status van autonome en zelfbesturende provincie. De etnische spanningen tussen de groeiende Albanese meerderheid en de slinkende Servische minderheid hebben in de regio altijd een rol gespeeld, maar de verlening van de autonomie bracht ze in een stroomversnelling. De Serviërs, die zich vernederd voelden omdat Tito Kosovo van Servië had `afgepakt', klaagden allengs over onderdrukking door de Albanezen.

Het kwam tot rellen en klachten. De spanningen liepen zo hoog op dat na 1987 de nieuwe Servische leider Slobodan Miloševic de Servische onvrede kon uitbuiten in een fel-nationalistische campagne die hem stevig aan de macht bracht. Die campagne had evenwel nog een onvoorzien effect: de Kroaten en de Slovenen werden erdoor in de gordijnen gejaagd. In beide republieken ontwikkelde zich als tegenwicht een eigen anti-Servisch nationalisme dat in 1991 resulteerde in hun afscheiding en de desintegratie van het oude Joegoslavië.

In 1989 maakte Miloševic een eind aan de autonomie van Kosovo. Daarmee begon het duisterste hoofdstuk in de recente geschiedenis van de regio: de Albanezen raakten massaal hun werk kwijt, in het landsbestuur, in de gezondheidszorg, in het onderwijs, in de industrie. Hun parlement werd naar huis gestuurd. Honderdduizenden mensen raakten werkloos.

De Albanezen reageerden op de onderdrukking door zich onder hun pacifistische leider Ibrahim Rugova ondergronds te organiseren. Ze stichtten een illegale samenleving, die niets meer te maken had met de `bovengrondse', door de Serviërs geleide samenleving. Ze zetten een eigen regering, parlement, universiteit, eigen scholen, eigen ondergrondse ziekenhuizen en zelfs een eigen systeem van sociale zorg op, dit alles gefinancierd met een eigen belastingsysteem en financiële hulp van de Kosovaren die in het buitenland werken.

Tegelijkertijd werden pogingen ondernomen de internationale gemeenschap opmerkzaam te maken op de onderdrukking. Maar de internationale gemeenschap had geen belangstelling: de desintegratie van het oude Joegoslavië had geleid tot bloedige oorlogen in Kroatië en daarna Bosnië. Voor Kosovo was geen tijd, ook al kon iedereen weten dat de Albanezen hun vreedzame verzet tegen de Serviërs op een kwade dag zouden opgeven. Kosovo was een kruitvat dat jarenlang lag te wachten op een vonk. Maar niemand die ernaar keek.

Kijken deed men pas in 1997. Toen radicaliseerde een deel van de Albanese bevolking, die aanvoerde dat acht jaar van vreedzaam verzet geen enkel resultaat en geen enkele verbetering had opgeleverd. De radicalen stichtten het Kosovo Bevrijdingsleger (UÇK), dat brak met het pacifisme van Rugova en dat de wapens opnam tegen de onderdrukker, met aanslagen op Serviërs en op collaborerende Albanezen.

Meer dan speldenprikken waren die UÇK-acties niet. Maar in februari vond Belgrado dat de maat vol was: het kwam tot een groot militair offensief, bedoeld om het UÇK voor eens en voor altijd uit te schakelen.

Het kruitvat ontplofte: het offensief tegen het guerrillalegertje werd uitgevoerd met het in Kroatië en Bosnië beproefde middel van de `etnische zuivering'. Dorpen werden in de as gelegd, tienduizenden onschuldige Albanezen werden op de vlucht gedreven, hele gebieden werden met grof geweld ontvolkt. Binnen een jaar vielen tweeduizend doden en raakte een kwart van de totale bevolking van twee miljoen zielen dakloos. Wéér een onbedoeld gevolg: het wrede geweld radicaliseerde de Albanezen, die nu, anders dan in het verleden, onafhankelijkheid gingen eisen en zich met duizenden tegelijk bij het UÇK aansloten. Militair was en bleef het UÇK tegen de tot de tanden gewapende Servische troepen machteloos, maar het werd wel een factor die ook politiek niet langer meer kon worden genegeerd.

De internationale gemeenschap ontwaakte, na al die jaren van passiviteit. Zware druk op Belgrado leidde in oktober 1998 nog tot een akkoord, dat evenwel prompt door de Serviërs werd geschonden. Het resultaat was de Kosovo-conferentie in Rambouillet in februari 1999, waarop de Albanezen en de Serviërs een plan kregen voorgeschoteld waarin Kosovo voor een interimperiode van drie jaar zelfbestuur zou krijgen (inclusief eigen bestuur, eigen politie en eigen rechtspraak), maar niet de onafhankelijkheid die de Albanezen – vooral onder invloed van het UÇK – eisten. Op de uitvoering van het plan moest een NAVO-vredesmacht toezien.

De Kosovaren tekenden het plan op de vervolgconferentie in Parijs, in maart 1999. Maar de Serviërs bleven weigeren: een NAVO-troepenmacht in Kosovo konden ze niet accepteren, ook niet op straffe van luchtaanvallen van de NAVO. En die kwamen dan ook, na een mislukte `ultieme poging' van de Amerikaanse gezant Richard Holbrooke.

Zie ook Dossier Kosovo conflict op www.nrc.nl

Vaticaan = Venetië

De kaart van Servië in 1355 bij het artikel Hartland van Servië (in de krant van zaterdag 27 maart, pagina 31, eerste pagina van het Zaterdags Bijvoegsel) was niet geheel juist. Het geelgekleurde gebied stond niet onder controle van het Vaticaan, maar van Venetië.