Examens (slot)

DE EINDEXAMENS Havo en VWO: zij zijn de maat van al ons onderwijs. Van zowel de basisschool die er aan voorafgaat, als van het hoger beroepsonderwijs en de universiteit die er op volgen. Zij zijn de scharnierpunten waar ons hele onderwijs om draait.

De basisschool bereidt de leerlingen voor op de middelbare school. Ouders willen dat hun kinderen daar zo hoog mogelijk terecht komen. Die ouders hebben gelijk, want het niveau van scholing is in ons land de meest bepalende factor voor maatschappelijk succes. Daarom is het streven van de basisschool er in de regel op gericht zo veel mogelijk leerlingen te brengen op een zodanig niveau dat ze de school verlaten met een Havo- of VWO-advies. In de concurrentiestrijd tussen scholen wordt dit ook gehanteerd als maatstaf voor de kwaliteit.

De middelbare school op haar beurt weet zich voor haar voortbestaan eveneens afhankelijk van haar succes. Scholen die maar weinig leerlingen naar het eindexamen brengen worden gestraft in die zin dat de betere leerlingen de school gaan mijden. Met als gevolg dat ze eerst hun VWO- en vervolgens hun Havo-afdeling moeten sluiten. Als je als school wordt afgerekend op je succes, laat je alleen leerlingen toe die redelijk kansrijk zijn. Overigens gelukkig maar, want leerlingen voor wie dat niet geldt, zijn elders beter op hun plaats.

De eindexamens vormen de afsluiting van de middelbare school, maar in tegenstelling tot veel andere landen hebben ze in Nederland daarnaast ook nog een andere functie: het einddiploma vormt tevens het toelatingsbewijs voor de opleidingen erna. Met VWO mag je naar de universiteit en met Havo naar het HBO.

Daarmee zijn de examens Havo en VWO bepalend voor zowel de eisen die worden gesteld aan de leerlingen in het primair onderwijs als voor de kwaliteit van de instroom in het tertiair onderwijs. Vandaar dat het belangrijk is de kwaliteit van onze eindexamens te koesteren. Daarmee staat of valt immers ons hele onderwijs.

Toch, zo is in het recente verleden gebleken, is het niveau van de eindexamens op zichzelf niet voldoende om de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen. Daar is nog meer voor nodig, namelijk dat ouders zich gedragen als kritische onderwijsconsumenten. Wonderlijk genoeg is dat niet altijd het geval geweest. Tot voor kort lieten scholen, louter en alleen ter wille van de eigen werkgelegenheid, leerlingen toe die evident kansloos waren. Het is de verdienste van het dagblad Trouw geweest dergelijk gedrag, cijfermatig onderbouwd, aan de kaak te stellen. Daarmee kregen ouders gegevens in handen om scholen op hun kwaliteit te toetsen.

Terwijl de kwaliteit steeds meer bepalend is geworden voor het voortbestaan van scholen voor primair en secundair onderwijs, geldt deze maatstaf niet voor het tertiair onderwijs. Daar spelen andere factoren een rol zoals de vraag: wat kost het als je iemand zonder diploma wegstuurt? en wat gebeurt er met mijn baan als onze vakgroep minder studenten telt? Ook is de kritische onderwijsconsument in deze contreien lang niet altijd uit op kwaliteit. Voor veel studenten gelden andere maatstaven zoals de vraag of het mogelijk is er een baantje bij te nemen. Wat dat betreft is er dus niets veranderd, zult u wellicht denken. Toch wel. Een heleboel zelfs, want de consequentie mag niet zijn dat je dan ook een paar jaar later afstudeert. Een korte studie èn een baantje ernaast, moet kunnen.