Bruisende heiligdommen

In de multiculturele Chinese stad Xiahe lijken Chinezen en Tibetanen vreedzaam samen te leven. Maar dicht onder de oppervlakte zijn de verhoudingen stroef. `Chinezen begrijpen net zo weinig van Tibetanen als andersom.'

De winterdagen in hotel De Witte Zeeslak gaan voorbij in koude stilte. Gasten zijn er nauwelijks en wat er te doen is, mag geen naam hebben. De baliemedewerker die de tochtige lobby bemant, brengt de trage uren voornamelijk door achter het donkerbruine glasportaal, met uitzicht op de belangrijkste kruising van het dorp. De verscheidenheid aan mensen die daar voorbij trekt, leest als een plaatjesboek. De Tibetaanse monniken, boeddhistische pelgrims, nomaden, Mongolen, moslims, Han-Chinezen en af en toe een buitenlandse toerist bieden baliemedewerker Liao stof tot nadenken.

,,Vorige week zag ik een Tibetaan en een Han-Chinees ruzie maken'', zegt Liao. ,,Ik weet niet waarover het ging, maar binnen de kortste tijd zag de kruising zwart van schreeuwende Tibetanen. Die Chinees droop natuurlijk af.'' Volgens Liao een schoolvoorbeeld van de achterstand in beschaving die Tibetanen op de etnische Chinezen hebben. Geen Han zou zich in zo'n conflict mengen. Het was immers zijn zaak niet. Hij zou kijken, maar zwijgen. ,,Dat komt doordat Han-Chinezen openstaan voor andere culturen'', zegt Liao, zelf een etnische Chinees. ,,We zouden er nooit een etnische kwestie van maken.''

In Xiahe, een belangrijk kruispunt van drie culturen in de West-Chinese provincie Gansu, is dat op zijn zachtst gezegd een omstreden uitspraak. In deze stad, die in het Tibetaans Sangchu heet, wonen boeddhistische Tibetanen, islamitische Hui en dominerende Han samen. Cultureel en historisch hoort Xiahe bij Groot-Tibet, dat zich uitstrekt over vier andere Chinese provincies – Qinghai, Yunnan, Sichuan en Gansu. En het is nog maar enkele decennia geleden dat militairen van het Volksbevrijdingsleger en fanatieke Rode Gardisten, uit naam van het communistische bewind in Peking hebben huisgehouden onder de omvangrijke Tibetaanse kloostergemeenschappen in de regio die vroeger Amdo heette.

De observaties van hotelmedewerker Liao zijn tekenend voor het gebrek aan zelfkennis en bescheidenheid van de Han-Chinese overheersers. Onder de Tibetanen en de islamitische Hui in Xiahe bestaat veel wrok jegens de Han-Chinezen, en de ogenschijnlijk vreedzame symbiose die het straatbeeld in het dorp doorgaans domineert, is uiterlijke schijn.

In Xiahe ligt Labrang, het grootste en snelst groeiende Tibetaanse klooster van heel China. Het heet dat de monniken er minder politiek zijn geëngageerd dan hun geloofsgenoten in de Tibetaanse Autonome Regio (TAR), waarvan de grens hemelsbreed zeshonderd kilometer naar het zuidwesten ligt. En in ruil voor die houding zou de monniken, wier aantal wordt geschat tussen de een- en tweeduizend, meer vrijheid worden geboden in de beleving van hun godsdienst. Volgens sommige Chinezen werkt die een overeenkomst zo goed, dat het model kan staan voor het Tibet van de toekomst.

Dat Tibet van de toekomst blijft voorlopig echter onzichtbaar: Peking is niet van zins onafhankelijke journalisten toe te laten. Xiahe is derhalve een unieke plek om vrijuit te kunnen zien wat bijna vijftig jaar Chinese overheersing voor de Tibetanen betekent.

Cyclaamrood

In de praktijk resulteert het `model'-Xiahe bijvoorbeeld in het samengaan van de tegenstellingen die de Chinezen en Tibetanen anders zo verdelen. In de schemering van de yakboter-kaarsen in de donkere ruimten van het indrukwekkende kloostercomplex staan naast elkaar de portretten van de Dalai Lama en de elfde Panchen Lama, de een na hoogste leider van Tibet. De Dalai Lama, de hoogste leider in Tibets religieuze hierarchie die in ballingschap in India verkeert, kan in Tibet zelf alleen heimelijk worden gesteund. Foto's van zijn beeltenis worden er niet getolereerd. Maar boeddhisten die trouw zijn aan de Dalai Lama erkennen de elfde Panchen Lama niet. Dat komt door Peking, dat drie jaar geleden, tegen de wens van de Dalai Lama in, een negenjarige jongetje aanwees als de reïncarnatie van de tiende Panchen Lama.

Dat beiden openlijk naast elkaar zijn neergezet, is volgens sommigen in Labrang het gevolg van het onzuivere pad dat de abt van Labrang bewandelt. De abt, die voluit Jamyang Lobsang Jigme Tubdain Qoigyi Nyima heet, heeft hoge functies binnen China's provinciale en nationale Raadgevende Volksconferenties. Hij is ondanks het celibaatsvoorschrift getrouwd met een Chinese vrouw en verkeert vooral in Peking en de provinciehoofdstad Lanzhou. De concessies die hij aan zijn religieuze overtuiging heeft gedaan, zouden hebben geresulteerd in de relatieve vrijheid van geloofsuiting die momenteel heerst in Labrang.

De hoofdstraat van Xiahe ziet letterlijk cyclaamrood van de monniken, en de buja, een plenair gebed in de Grote Gebedshal in de centrale tempel van het complex, is de grootste van heel China. Een constante stroom verweerde pelgrims uit alle windstreken van de Tibetaanse hoogvlakte draaien als bewijs van hun devotie eindeloze ronden langs tempels en andere heiligdommen. Overal in Labrang bruist het van de religieuze activiteit.

Exotische buitenkant

Het is een wereld die een eeuwigheid lijkt verwijderd van de jachtige marktsocialistische economie die de grootste delen van China zo kenmerkt. En de waardering van de enkele groep Han-Chinese toeristen die er per bus wordt aangevoerd, lijkt vooral gevoed door de behoefte getuige te zijn van een middeleeuws curiosum. Het `wei' of `hallo' dat een van de Chinezen op de binnenplaats van de Grote Gebedshal door zijn mobiele telefoon roept, overstemt haast de monotone brom van de reciterende groep monniken even verderop.

Pansok Tashi is een 27-jarige monnik van een lage rang. Hij woont in een Tibetaanse kloostergemeenschap in de omgeving van Xiahe, maar doet momenteel Labrang aan voor `onderzoek': het vastleggen op geluidsband van de Tibetaanse kloostercultuur. Op die manier heeft hij al een flink deel van de hoogvlakte bereisd en heeft hij twee keer de Tibetaanse hoofdstad Lhasa bezocht. Pansok, een vriendelijke man met een rond gezicht en levendige ogen, blijkt een uitgesproken mening te hebben over het volk dat hij documenteert. Dat de monniken van Labrang geen interesse zouden hebben voor de politiek is volgens hem een fabeltje. Hij is er van overtuigd dat het merendeel van de Tibetanen, inclusief diegenen die buiten het huidige Tibet wonen, zich diep in hun hart verzetten tegen de Han-Chinese aanwezigheid. ,,De mensen praten hier misschien niet over onafhankelijkheid, maar de politieke druk die zij hier ondervinden is net zo groot als in Tibet.''

Diepe bewondering heeft hij voor de Tibetanen die hij tien jaar geleden tijdens de opstand in Lhasa heeft ontmoet en die met gevaar voor eigen leven de belangen van hun mede-Tibetanen hebben verdedigd. ,,Hier gebeurt dat niet'', zegt Pansok ,,dat zou tamelijk zinloos zijn. Als je in Amdo sneuvelt voor je ideaal, weet niemand er van. De ogen van de wereld zijn gericht op Tibet en niet op de gebieden die er ooit bij hebben gehoord.''

Volgens Pansok begrijpen de Chinezen het Tibetaanse volk dat zij onlosmakelijk tot China berekenen niet. ,,Neem Chinese kunstenaars. Zij hebben de Tibetanen zogezegd pas ontdekt. Ze zingen er over, filmen, fotograferen en schilderen hen vaker dan ooit tevoren. Maar werkelijk begrijpen willen ze ons niet. Het is alleen de exotische buitenkant die hen van een afstand aantrekt.''

Chinezen zoals baliemedewerker Liao bevestigen dat ten dele. Hij is geboeid door de monniken van Labrang, maar beschrijft hun bezigheden als zinloos tijdverdrijf. ,,Ze bidden de hele dag. Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. En dan hopen ze ook nog dat zij in een volgend leven als betere wezens terugkeren. Ik kan daar het nut niet van inzien. De monniken dragen weinig bij tot de economische vooruitgang in China'', zegt hij. Maar dan lacht hij en verbetert hij zichzelf. ,,Tuurlijk, als er geen monniken zouden zijn, dan was er geen klooster en zouden geen toeristen naar Xiahe komen. Dan zouden wij onze handel wel kunnen vergeten. Maar aan de monniken persoonlijk hebben we niets te danken.''

Liao verwoordt daarmee een gangbare gedachte in China: religies zijn een primitieve overlevering en leiden de aandacht van belangrijke zaken af. ,,Ik ben bang dat het een kwestie is van scholing. Op een schaal van een tot tien staan de Han-Chinezen bovenaan en de Tibetanen onderaan als het om kennis gaat. De Hui zitten daar tussen in. Tibetanen zouden veel van de Chinezen kunnen leren. Dat hebben de Hui ook gedaan. Die drijven handel, zetten zaken op, net als wij. Hoe komt het anders dat het merendeel van de winkels in Xiahe in handen is van Han-Chinezen en Hui? Tibetanen staan nergens voor open. Ze zijn geisoleerd. Hoe minder ze geschoold zijn, hoe meer zij de bescherming

opzoeken van hun eigen cultuur.''

Gebrekkig intellect

Op de kleine slaapzaal van Qingzhensi, de belangrijkste moskee van Xiahe, heerst een onrustig geroezemoes. De zes jonge mannen, allen in opleiding tot imam, zijn boos op hun Han-Chinese landgenoot die durft te beweren dat Han slimmer zijn dan Hui. ,,Han en Hui hebben geen contact met elkaar. Wat weten zij van ons?'' vraagt Ma (21), die evenals zijn 21-jarige medestudenten een wit geborduurd hoofddeksel draagt.

Maar zodra het over de Tibetanen gaat, is de woede over de zelfingenomenheid van de Han-Chinese dorpsgenoot opeens verdwenen. ,,De Tibetanen schelden ons voortdurend uit'', zegt Ma. Regelmatig zouden de vierduizend moslims in Xiahe hinder ondervinden van de Tibetaanse dorpelingen. Enkele dagen daarvoor zijn in een Tibetaanse gemeenschap even voorbij Xiahe, Hui en Tibetanen met elkaar slaags geraakt. Een Tibetaan zou daarbij zijn doodgestoken, waarop Tibetanen de winkels van enkele Hui kort en klein zouden hebben geslagen. Ma weet zeker dat het gebrekkig intellect en het behoud van een primitieve religie de Tibetanen in de weg zitten. ,,Boeddhisten houden er verscheidene goden op na'', zegt hij ongelovig.

Pansok zucht bij het horen van de verwijten. Hij erkent het feit dat veel Tibetanen in China ongeschoold zijn, maar wijt dat vooral aan het Han-Chinese systeem. ,,Tibetanen weigeren de hulp van de Chinezen. Als zij die aannemen zijn ze zeker dat ze hun culturele erfgoed verliezen.'' Tibetanen staan daarbij voor een lastige keuze, want alleen met de kennis van Chinees maken zij een goede kans op te klimmen op de economische ladder. Maar leren zij eenmaal Chinees, dan raakt het Tibetaans al snel in onbruik. Het onderwijs in Xiahe is dan ook ten naaste bij gesegregeerd. Tibetaanse kinderen zijn vrij in hun keuze, maar bijna iedereen kiest voor de Tibetaanse basis- en middelbare school in het dorp. Han- en Hui-kinderen zitten zonder uitzondering op Chinese scholen.

Opmerkingen over het primitieve ontwikkelingsniveau van de Tibetanen zijn begrijpelijk wanneer men rondstruint in Labrang. Hoewel het klooster, met de vele paleizen, tempels met gouden daken, stupa's en witte lemen hofjes zes instituten van hoger onderwijs telt, is het beeld op de keien en het zand tussen de gebouwen weinig verheffend. Daar zakken vele monniken en pelgrims regelmatig door de knieën om onder afgedragen pijen en rokken, op plekken waar het uitkomt hun behoeften te doen.

Indrukwekkend, maar schrijnend is het beeld van de stroom pelgrims die hun rondes doen langs de tempelgebouwen of het complex. In kleurrijke kostuums, reusachtige schouderjassen, bonte hoofddeksels, maar zonder uitzondering stoffig en versleten, zet een stoet oude, jonge, manke en verwilderde mensen in hoog tempo hun schreden van devotie. De meest toegewijden onder hen werpen zich na iedere stap ter aarde, vele uren lang en dagen achtereen. Volgens Pansok is het goed voor de gezondheid en spiritueel verheffend, ,,zolang de mensen het fysiek aankunnen''. Maar persoonlijk acht hij het, zoals de meeste monniken in Xiahe, overbodig.

Koning aap

Chinezen begrijpen net zo weinig van Tibetanen als andersom, zegt Pansok. Hij vertelt dat het onbegrip van de Tibetanen vooral wordt gevoed door een afkeer voor de Chinezen die is overgeleverd door een Tibetaanse generatie die niets dan ellende heeft ondervonden van de Chinese aanwezigheid. Nomaden die zich tijdens de vorming van communes in 1958 tegen de Chinese machthebbers hebben verzet, werden massaal vervolgd. De drieduizend monniken die oorspronkelijk in Labrang waren gevestigd, werden in datzelfde jaar uit het klooster gejaagd en opgesloten. En veel Tibetanen uit Amdo verdwenen in werkkampen in de aangrenzende provincie Xinjiang, waar volgens buitenlandse historici tweederde van hen overleed.

De jonge generatie Chinezen is zich daar niet van bewust. Opgevoed en geschoold als zij is met de staatspropaganda die leert dat zonder hulp van de communistische leiders het Tibetaanse volk nog vast zou zijn verankerd in de feodale slavenmaatschappij die het ooit zou zijn geweest. Daarom bieden veel Han-Chinese vrijwilligers zich aan voor ontwikkelingsprojecten in de `achtergestelde regio', vanuit een diepgewortelde overtuiging dat alleen dankzij de hulp van het moederland Tibet, en de Tibetaanse gemeenschap daarbuiten, vooruitgang kan worden geboden.

Uiteraard verzet Pansok zich tegen die gedachte. ,,De Chinese argumenten voor de aanwezigheid in Tibet zijn een eindeloze herhaling van dezelfde propaganda.'' De economische hulp, de overdracht van kennis en de infrastructurele projecten zijn vooral bedoeld voor de Chinezen zelf. ,,In Amdo is het wegennet in de jaren vijftig en zestig aangelegd door Tibetaanse `laogai'-dwangarbeiders. Het zijn projecten geweest ten gerieve van de Han-Chinezen, die het land dat rijk is aan mineralen op die manier eenvoudig konden exploiteren. Dat Tibetanen tegenwoordig ook gebruikmaken van die wegen is niet de verdienste van de Chinezen.''

Ook bij de heropbouw van Labrang, dat tijdens de razernij van de Culturele Revolutie in de jaren zestig voor zeker tweederde werd verwoest, zet Pansok kanttekeningen. Hij wijst op de muurschilderingen bij de nieuwe ingang van het hof dat toegang biedt tot de Grote Gebedshal. Die zijn onmiskenbaar door Chinese hand aangebracht. Het mythologisch verhaal van Koning Aap is Chinees en heeft met het Tibetaanse boeddhisme niets van doen. ,,Waarom een Chinees gevraagd wanneer er competente Tibetanen zijn'', vraagt Pansok zich af. ,,Omdat achter het kunstwerk een ideologie schuilgaat die de cultureel onlosmakelijke band tussen Tibet en China moet aantonen.''

,,De Tibetanen zullen nooit een onafhankelijke staat krijgen. Niet zolang de communistische partij aan de macht is'', zegt hotelman Liao. En dat de communistische partij aan de macht is vindt hij meer dan terecht. ,,Als de eenpartijstaat verdwijnt en meer partijen het voor het zeggen krijgen, ontstaat er chaos. Daarvoor is China te groot en te divers. Alleen dan valt China uiteen. Net als de Sovjet-Unie.'' Liao is daarom overtuigd van de juistheid van het beleid van de communistische partij.

Maar volgens Pansok blijkt uit de partij-ideologie die Liao aanhaalt de belangrijkste tekortkomingen van het bewind in Peking. ,,Vanwaar die angst voor chaos'', vraagt de jonge monnik. ,,Als alles in orde is in China en Tibet, zoals iedereen in China beweert, dan zal toch geen sprake zijn van chaos? De Chinese leiders verraden er zichzelf mee. Zij weten natuurlijk ook dat zonder democratische hervormingen het land alleen met autoritaire maatregelen onder de knoet kan worden gehouden. Ik zeg je, het kan niet eeuwig zo blijven.''

De namen van de betrokkenen zijn op hun verzoek gewijzigd.