Bruin monster

Behalve de Balkan zijn er nog twee zaken waaraan men gemakkelijk de vingers brandt: nostalgie en gezelligheid. Ronduit pijnlijk is gezellige nostalgie, en vrijwel ondraaglijk is nostalgische gezelligheid. Zo is de uitdrukking `het bruine monster', als men een voetbal bedoelt, schaamteloos gezellig en nostalgisch – of zij is ironisch, en dat erger. Hoe dan ook, de frase is een anathema voor een ieder die ooit daadwerkelijk met de kicksen op de groene mat heeft gestaan.

De documentaire die cineast Sherman de Jesus (1947, Curäcao) en scenarist Hans Heesen (1959) maakten als een ode aan de beginjaren van het Nederlandse voetbal, is nostalgisch gezellig, en heet bovendien Leve het bruine monster. Na de première in november tijdens de Nederlandse Filmdagen draaide de productie enige maanden in het Sportmuseum te Lelystad. Hedenavond is de film bij de TROS te zien. Het valt te begrijpen dat menigeen vanwege de titel vreest met het zweet in de handen voor de beeldbuis te moeten balanceren tussen pijnlijkheid en ondraaglijkheid. Maar dat valt mee.

Leve het bruine monster is een louter uit contemporaine zwart-wit beelden samengeknipte sfeertekening van voetbal in Nederland tussen 1879 en 1958, toen met de intrede van het professionalisme dit spel zijn onschuld verloor. Het betreft overigens niet slechts een compilatie van beverige wedstrijdbeelden uit die jaren. Er is behoorlijk wat plaats ingeruimd voor opnamen van een autoluw en kleurloos (want zwart-wit) Nederland, alsmede voor fragmenten uit de curieuze `voetbalfilms' van Dick Laan, zoals De droom van een voetballertje en Benny heeft het aan zijn hart. Een en ander wordt gelardeerd met door acteurs Gijs Scholten van Aschat en Huub Stapel stemmig gedeclameerde passages uit voetbalproza en dito poëzie van onder meer Nico Scheepmaker, C. Buddingh', Charivarius, Willem Wilmink en Jules Deelder.

Dit lijkt allemaal ernstiger dan het is. Hoewel deze nostalgisch gezellige documentaire naadloos past in de aandrift van onze tijd om voetbal te vermengen met artistieke pretenties en intellectuele interpretaties, is Leve het bruine monster aardig gemaakt en biedt genoeg interessants ter overpeinzing. Ik bedoel dan niet de gemeenplaats om de verhaallijn op te hangen aan juist de wedstrijden tegen Duitsland op 17 februari 1935 (2-3 thuisnederlaag) en op 14 maart 1956 (1-2 winst in Düsseldorf). Bij het spelen der volksliederen voorafgaand aan die eerste wedstrijd gaven alle Duitse spelers de Hitlergroet, wat geen enkele reactie op de Nederlandse tribunes tot gevolg had. De claim dat dit de dag was `dat voetbal oorlog werd', lijkt dan ook historisch ongegrond en een knieval voor een recente `invented tradition'.

Men laat hier trouwens een kans voor open doel liggen, door de toenmalige bondscoach Karel Lotsy vluchtig als een soort wonderdokter te schilderen, maar met geen woord te reppen over zijn Deutschfreundlichkeit, die hem enige jaren later de Nederlandsche Voetbalbond deed uitleveren aan de NSB en de SS. Gelukkig kwam dit weer een beetje goed doordat Anton Mussert op 12 december 1945 ter dood werd veroordeeld door voormalig nationale linksbuiten Nol van Berckel, die fungeerde als president van het Bijzonder Gerechtshof (dat twee jaar later trouwens ook de voormalige doelman van het Nederlands elftal Gejus van der Meulen vanwege diens SS-lidmaatschap veroordeelde).

Meer sfeer dan feiten kortom, want de heilige drie-eenheid van namen, plaatsen en data wordt nogal spaarzaam opgediend. Wie van niets weet, zal van Leve het bruine monster niet leren dat al in 1866 de buitenspelregel werd ingevoerd, in 1874 de scheenbeschermers in zwang kwamen, in 1875 de eerste echte scheidsrechter het veld betrad, en dat deze drie jaar later een fluit kreeg.

Neen, interessanter dan de nostalgische ijkpunten die voorbijtrekken – van Pim Mulier, die in 1879 als veertienjarige de eerste Nederlandse voetbalclub oprichtte (HFC), via Han Hollander naar Faas Wilkes en Bep Bakhuys – zijn de beelden die ons worden gegund op het publiek in de stadions. Wat hierbij opvalt, is niet zozeer dat destijds alle mannen een hoed droegen, maar wel dat er reeds voor de professionalisering van het voetbal wild werd geduwd en voorgedrongen door de toeschouwers. Het is een gesjor van jewelste bij de kaartverkoop, en men loopt elkaar zonder pardon onder de voet voor een goede staanplaats.

Die beelden bewijzen eens te meer dat de vernis der beschaving altijd al dun en breekbaar was, en dat voetbal – net als oorlog – ons hierop onverbloemd wijst. Wie kijkt naar Leve het bruine monster, beseft dat het monster niet datgene is dat wordt geschopt, maar degene die schopt. Op de een of andere manier geeft dat inzicht een gevoel van tevredenheid.

Leve het bruine monster, zondag, Ned.2, 22.00-22.50u.