Bonnefanten in wankel evenwicht

Alsof het verdoemd was, zo lag het Bonnefantenmuseum in Maastricht er de afgelopen jaren bij. Niets lukte; de nieuwbouw van Aldo Rossi werd gematigd ontvangen, het beleid van het museum werd door de Mondriaanstichting gedesavoueerd en de bezoekersaantallen bleven achter bij de verwachting. Vervolgens sommeerde de provincie Limburg het museum, dat internationale aspiraties heeft, zich `meer op de provincie Limburg' te richten. Het contrast met het gelijktijdig geopende Groninger Museum werd dan ook pijnlijk: dit trok in het openingsjaar twee keer zoveel bezoekers, hoewel het net zo weinig `in de loop' ligt als het Bonnefanten.

Die kritiek was bovendien niet onterecht. Vooral de `basis-collectie', de belangrijke, hedendaagse werken waarop de rest van de moderne kunst-collectie zou worden gebaseerd, lag er weinig florissant bij. Directeur Van Grevenstein en zijn conservatoren hadden zich te makkelijk laten verleiden tot het aankopen van de bekende grote namen: Mario Merz, Jannis Kounellis, Robert Mangold en nog wat kunstenaars die in het Stedelijk, het Van Abbe en De Pont met meer en betere werken zijn vertegenwoordigd. Dat daar weinig mensen door werden verleid, viel te begrijpen – de collectie van het Bonnefanten had evenveel smoel als een mus in een dierentuin.

Nu, een jaar na de ingreep door de provincie, presenteert Paula van den Bosch, de nieuwe conservator hedendaagse kunst, de tentoonstelling Provisorium I waarop de vijf kunstenaars worden gepresenteerd die de kern van het nieuwe beleid zullen vormen. Een curieus gezelschap: de Zwitsers Roman Signer en Thomas Hirschhorn, de Nederlandse Lily van der Stokker en Lara Schnitger en de Belg Patrick van Caeckenbergh. Geen hippe jonge Engelsen dus, geen Duitsers of Amerikanen, geen fotografie en slechts één video – het lijkt erop dat het Bonnefanten bewust de periferie heeft opgezocht en heeft besloten zich op te werpen als verdediger van kunstenaars die nauwelijks in Nederlandse collecties zijn vertegenwoordigd.

Dat zou je een negatieve keuze kunnen noemen, ware het niet dat het vijftal een duidelijke overeenkomst heeft: alle vijf maken ze werk dat een zekere naïviteit of `knutseligheid' uitstraalt. Thomas Hirschhorn bijvoorbeeld maakt installaties die vooral uit objecten bestaan die in aluminiumfolie worden verpakt. Ook zijn installatie in het Bonnefanten, Pilatus Transformator, ziet eruit als het domein van een folie-fetisjist. Aan de wand hangen vier meer dan manshoge horloges van folie, op een paar tafels staan vage, zilveren objecten, er wapperen twee vlaggen en uit een vuilnisbak onder de tafel puilen wat `goudstaven', voor de verandering verpakt in goudfolie. Hirschhorn bedoelt zijn werk als een commentaar op de hypocrisie in Zwitserland en dat weet hij redelijk over te brengen – de knulligheid van het folie valt mooi samen met de onmacht die Hirschhorn ten opzichte van zijn vaderland moet voelen.

Hirschhorn is darmee meteen de duidelijkste vertegenwoordiger van het nieuwe Bonnefantenbeleid. Ook de installatie van Lara Schnitger, een ingenieus web van nylonkousen en stukken karton die als een atoommodel door de zaal zijn gespannen, past daar goed in, net als het filmpje van Roman Signer, waarin een speelgoedhelikopter als een lastige vlieg om een bed heenzoemt.

Het overtuigendste op Provisorium is echter Patrick van Caeckenbergh. Zijn werk ziet er op het eerste gezicht onbegrijpelijk uit: plaatjes uit tijdschriften, collages, rare beelden en rare materialen (ongebakken klei, ingesmeerd met jodium bijvoorbeeld) allemaal door elkaar heen gebruikt. Toch zit er een systeem in: Van Caeckenbergh rangschikt zijn materiaal vaak in stambomen of sterrenbeelden. Daar wordt zijn werk weliswaar niet veel begrijpelijker van, maar het geeft je als toeschouwer wel het gevoel dat er zoveel method in zijn madness zit dat je geïntrigeerd blijft, en nieuwsgierig.

Met deze vier kunstenaars zou Provisorium een goede `herstart' zijn geweest, maar helaas: Van den Bosch besloot als vijfde Lily van der Stokker uit te nodigen. Ook Van der Stokker maakt een soort anti-kunst, maar dan als tegenwicht tegen pretenties of hoogdravendheid. Alleen is bij haar het middel veel erger dan de kwaal. Haar grote, stripachtige (wand)tekeningen met bloemetjes en krulletjes en in mierzoete kleuren en teksten als `Jack is 60 and I am 44', of `Het is toch best lekker weer vandaag' zijn plat en diep lullig. Hoe je ook kijkt, er is geen enkele verrassing of originele gedachte in te bekennen – waardoor je er voornamelijk agressief van wordt.

De keuze voor Van der Stokker maakt duidelijk dat het Bonnefanten zich met haar nieuwe beleid in een wankel evenwicht heeft begeven. De structurele keuze voor deze `knutselkunstenaars' is origineel, zo origineel zelfs dat het museum zichzelf er bewust mee op een zijpad van de hedendaagse kunst heeft gemanoeuvreerd. Op dat pad is soms goed werk te vinden, zoals dat van Schnitger en Van Caeckenbergh, maar ook de ergste kunst die er heden ten dage geproduceerd wordt, zoals die van Van der Stokker. Dan komt het dus aan op onderscheidingsvermogen. Provisorium I laat zien dat het daar in het Bonnefanten niet altijd goed mee zit.

Tentoonstelling: Provisorium I. T/m 9 mei in het Bonnefantenmuseum, Avenue Ceramique 250, Maastricht. Di t/m zo 11-17u.