Weinig terughoudendheid bij veroordeling schrijver

Vorige week werd de auteur Pieter Waterdrinker veroordeeld om een passage in zijn roman Danslessen. Wat waren de gronden?

In 1967 verbood het gerechtshof in Amsterdam een novelle van Lodewijk-Henri Wiener, opgenomen in zijn bundel Seizoenarbeid. Een restauranthouder uit Zandvoort meende zich in het verhaal te herkennen. Hij achtte zich beledigd door een aantal passages waarin een fictieve collega-exploitant van een lunchroom in een gemeente aan de Noordzeekust met een blauw-gele vlag op de plaatselijke toren (de kleuren van Zandvoort) in een compromitterende situatie met een serveerster werd betrapt door de ik-figuur in het verhaal.

`Afschuwelijk' was de reactie van literatoren op dit vonnis. Voortaan kan iedereen die zichzelf - terecht of ten onrechte - in een verhaal meent te herkennen een boek laten verbieden, ook al heeft de auteur nog zoveel persoonlijke bijzonderheden van het vermeende slachtoffer veranderd. Deze kritiek schoot de vooraanstaande jurist G.E. Langmeijer in het verkeerde keelgat. Het Hof had helemaal niet bedoeld `iedereen' te beschermen en zich juist gebaseerd op de aanzienlijke kans van herkenning met alle morele nadelen van dien. Toch staat de uitspraak in de zaak-Wiener niet geboekstaafd als een geslaagd vonnis. Op grond van deze uitspraak zou de Max Havelaar van Multatuli een goede kans hebben gemaakt op een verbod, opperde H.U. Jessurun d'Oliveira in een befaamd opstel over literaire belediging.

De uitspraak van het Amsterdamse Hof uit 1967 heeft dan ook geen navolging gevonden, zoals dat onder juristen heet. Dat is maar goed ook, aldus de huidige hoogleraar mediarecht G.A.I.Schuijt vijfentwintig jaar later. Waarom is dat goed? Zijn antwoord was eenvoudig: ,,in de literatuur is de verbeelding aan de macht'. Deze stelling valt juridisch sterk te onderbouwen met een beroep op het Europees verdrag voor de mensenrechten. Maar vorige week was het toch weer prijs. Alweer ging het om Zandvoort. Wat heeft die plaats toch?

De politierechter in Haarlem veroordeelde de auteur Pieter Waterdrinker (pseudoniem van de journalist Pieter van der Sloot) bij verstek tot een boete van vijfhonderd gulden voor het gebruik van de term `joodje' in zijn roman Danslessen in verband met de burgemeester van de badplaats door de katholieke roman-wethouder Gladpootje. Het hielp niet dat diens geloofsgenoten in de roman worden betiteld als `podikken'.

Nu heeft de roman-burgemeester toevallig de naam Van der Heijden, net als de werkelijke bekleder van dit ambt. Deze had dan ook een strafklacht ingediend. Alweer was de reactie uit literaire kring er een van afschuw: `onbestaanbaar', `krankzinnig'. Van der Sloot gaat dan ook in hoger beroep. Dat heeft in elk geval het voordeel dat we te weten komen wat de politierechter van Haarlem heeft bewogen. Want zijn uitspraak was een zogeheten kop-staart-vonnis, een summiere veroordeling waarbij de motivering pas wordt ingevuld als hoger beroep wordt aangetekend.

Zo kan iemand bij verstek worden veroordeeld zonder te weten waarom. Dat past in de pre-occupatie van het moderne rechtsbedrijf met `omloopsnelheden' en productienormen. Maar zelfs bij een boete van slechts vijfhonderd gulden is een kop-staart-dooddoener in een onmiskenbaar principiële zaak als een literatuurverbod echter niet goed voor het aanzien van de rechtspraak als bastion van de uitingsvrijheid.

Er is wel een verschil tussen de zaak-Waterdrinker en de zaak-Wiener. Burgemeester Van der Heijden klaagde niet over zichzelf maar over belediging van een bevolkingsgroep dat in de jaren dertig is ingevoerd. Dit delict vormt een uitzondering op de klassieke stelregel dat de strafwet slechts boodschap heeft aan persoonlijke belediging. Begin jaren zeventig werd de strafbepaling op grond van een VN-verdrag toegespitst op raciale of godsdienstige onverdraagzaamheid. Hierbij ging echter een belangrijke nuance verloren, bracht de Groningse jurist Fred Janssens vorig jaar in herinnering in een proefschrift over strafbare belediging. Het vereiste dat sprake is van een beledigende vorm van uitdrukken verviel. En dat is juist een belangrijke rem voor strafvervolging van literaire uitingen.

De regering beloofde dat deze bepaling niet dan met uiterste terughoudendheid zou worden toegepast. Daarin valt in de nieuwe Zandvoortse zaak weinig te bespeuren.

Gewone belediging

In de nieuwsanalyse Weinig terughoudendheid bij veroordeling schrijver (in de krant van vrijdag 26 maart, pagina 8) vermeldt F. Kuitenbrouwer dat de romanschrijver Pieter van de Sloot is veroordeeld wegens belediging van een bevolkingsgroep. Dit was gebaseerd op een onjuiste mededeling van de Haarlemse rechtbank. Het delict belediging van een bevolkingsgroep wegens ras of geloof was wel ten laste gelegd, maar werd juist niet bewezen geacht. De auteur werd veroordeeld wegens gewone belediging van de Zandvoortse burgemeester die dezelfde naam heeft als de Zandvoortse burgemeester in de roman.