Vlees, huid, water, lucht

Co Westerik was de eerste grote artistieke liefde van Frits Becht. Westerik is 75 geworden en Bechts bruiklenen zijn te zien op vier verjaardagsexposities.

De Muze van Co Westerik is een jong meisje in een kort rokje dat hem, de oude kunstenaar, met afgewend gezicht aanraakte. Zo althans heeft hij haar in 1970 in een klein Zelfportret met Muze in een gemengde techniek afgebeeld. Met haar linkerhand steunt ze op het hoofd van de zittende schilder, ze staat namelijk op één been. Het andere been heeft ze opgetrokken omdat er onder haar voetzool iets te krabbelen valt. Dat heeft haar volle aandacht en daarom lijkt ze geen belangstelling voor haar kunstenaar te hebben, die rustig zijn gang blijft gaan. Zij heeft hem als steun nodig, en niet andersom.

De aquarel/tekening is te zien in het Haarlemse Teylers Museum waar ongeveer zeventig zelfportretten Westeriks ouder worden weerspiegelen. Zeventig visies op zichzelf zoals die in een halve eeuw ongeveer ontstonden.

Eén groot zelfportret ontbreekt in Haarlem omdat het in Rotterdam in Boijmans Van Beuningen hangt, waar ook een expositie aan Co Westerik is gewijd, evenals in het Haags Gemeentemuseum en in het Museum Hofwijck in Voorburg. Dat alles rondom de 75ste verjaardag van de kunstenaar die beduidend meer heeft vervaardigd dan de beruchte vinger die zich aan een scherpe grasspriet snijdt en die honderdduizenden mensen heeft doen griezelen omdat een reproductie ervan lang in onze treinen heeft gehangen. Eén reiziger heeft ooit zijn onbehagen getoond door op de gewonde plek een pleister te plakken.

Op het grote geschilderde Zelfportret met neussituatie uit 1987, dat in Boijmans te zien is, heeft de kunstenaar zichzelf in een bijna monsterlijk, dreigend surrealisme neergezet. Het schilderij bestaat voornamelijk uit twee reusachtige neusgaten, twee tunnelingangen, waarbij een van die tunnels een buitenproportionele neusvleugel in de vorm van een duim is die op het verder vaag gehouden gezicht geboetseerd lijkt.

Dergelijke vergaande verplompingen keren met enige regelmaat in Westeriks oeuvre terug. Hij doet dan denken aan de gekwelde Ferdinand Erfmann die voornamelijk hem overheersende reuzen in vrouwengestalte schilderde, oersterke wijven met armen en benen als spierzuilen. Bijvoorbeeld het grote schilderij Opdrogende Baadster, dat nu in Voorburg hangt, is zo'n Erfmann-monster van Westeriks hand.

Bij Erfmann waren deze wezens uitingen van een ziekelijke obsessie, van een verwrongen seksualiteit die hem geheel beheerste en angst aanjoeg.

Bij Westerik vormen ze slechts een aspect van een oeuvre dat veel meer kanten uitgaat, al wordt het meeste werk gekenmerkt door een zekere afstandelijkheid en door een in allerlei vormen terugkerende ironie. De Opdrogende Baadster in het Huygensmuseum Hofwijck in Voorburg is een van de 64 geëxposeerde stukken uit de verzameling van Frits Becht, die al een jaar of veertig in een soort symbiose met Westerik verkeert. In 1956 was het de jonge Becht die op dezelfde plek de eerste eenmanstentoonstelling van de toen nog onbekende kunstenaar organiseerde. In dat jaar had Becht zijn eerste schilderij van Westerik gekocht. Touwtjespringers heet het, het kostte hem toen ƒ625 die met ƒ25 à ƒ50 per maand werden afbetaald. Het hing op het kamerje dat Becht in die dagen in Den Haag bewoonde. Nu is het in de hal van het kleine museum Hofwijck een der prominente stukken waarmee de expositie begint.

Standvastig

Co Westerik kan dus beschouwd worden als de eerste grote artistieke liefde van Frits Becht. Zeker niet zijn enige liefde maar wel de meest standvastige. Waarom?

De verzamelaar kan daar niet onmiddellijk een afdoend antwoord op geven. Het is een combinatie van factoren in het werk van Westerik die hem grepen. Het heeft waarschijnlijk ook te maken met de vele varianten die dat werk binnen de grenzen van een onmiddellijk herkenbaar handschrift vertoonde. Daardoor bleef het boeien.

Frits Becht is een van die verzamelaars die al heel jong zonder aanwijsbare reden op beeldende kunst gefixeerd raakte. Een ander voorbeeld is Albert Waalkens, een boerenzoon in het Groningse Finsterwolde, die dwars tegen de in zijn omgeving heersende mening als schooljongen al in kunst geïnteresseerd raakte, vooral in de meest geavanceerde en daarmee een leven lang bezig bleef. Of de zeeman Salco Tromp Meesters die tijdens verlof in Nederland kunst kocht die hij voorlopig in de galerieën liet staan omdat hij halve à hele jaren achtereen in het Verre Oosten op tankers voer. Hij `bezat' zijn aankopen in zijn herinnering eraan.

Frits Becht (68), de oudste van de zeven kinderen van een bankbediende, kreeg van huis uit ook geen speciale belangstelling mee voor beeldende kunst. Ze waren thuis meer in het toneel geïnteresseerd. Wél zat hij op het Haags Lyceum in de klas met Wim Beeren maar dat is uiteraard een gegeven dat slechts achteraf aardig is om te weten.

Hij zegt dat ze als redacteuren van de schoolkrant in het begin vooral op de literatuur gericht waren, Marsman, Ter Braak, Walschap, Gijsen. Langzamerhand, hoe en waarom is moeilijk na te gaan, verschoof zijn belangstelling. Mischien speelt het een rol dat hij in Den Haag op de Dennenweg kwam te wonen, de straat van galerieën en antiquairs.

Cobra

Op een niet meer te achterhalen moment ontdekte Becht dat hij het mooi vond, het werk van Pieter Ouborg, Carel Visser, de Cobra-kunstenaars, ook dat van Lotti van der Gaag.

Als haar naam valt, zegt hij dat hij op haar begrafenis was. Willemijn Stokvis, de Cobra-expert, had daar gesproken maar van de desbetreffende schilders was er niemand: ,,Een schande.''

In die beginjaren was het werk van de kunstenaars die hij bewonderde of belangrijk vond, nog te betalen, ook voor een man met een kantoorbaantje, die af en toe wat kocht. Het was toen nog geen echt verzamelen, het waren meer losse aankopen. Een paar tientjes voor een tekening van Co Westerik, een map handgekleurde grafiek van Ouburg voor een tientje, de weduwe Ouborg gaf zelfs nog korting.

Becht werkte aanvankelijk op een accountantskantoor, later bij de Nederlandse Stichting voor de Statistiek en richtte in 1962 zijn eigen bureau voor marktonderzoek Intomart op dat een succes werd en Frits Becht in staat stelde uiteindelijk al zijn tijd aan de beeldende kunst te wijden. Die nieuwe carrière begon min of meer in 1987 toen de toenmalige cultuurminister Brinkman hem opdroeg het Van Goghjaar te organiseren. Een van zijn vondsten was de voorverkoop van entreebewijzen die aan een bepaald uur waren gebonden. Het systeem wordt bij grote exposities nog steeds gebruikt.

Inmiddels was Becht, samen met zijn vrouw Agnes, een belangrijk verzamelaar geworden, wonend in een Gooise villa die geheel doordrenkt is van de internationale beeldende kunst van deze eeuw, met overigens een voorkeur voor ruimtelijk werk, dat dikwijls veel te groot is om in een particulier huis te worden getoond. Zoals de soms tien meter of meer grote werken van Richard Long, soms bestaande uit hele zalen vullende patronen van stukken steen. Of de uit hopen as en metalen draden opgebouwde werken van Reiner Ruthenbeck.

Toch spelen ook deze en dergelijke stukken hun rol in het functioneren van de verzameling, die altijd in gedeelten over de wereld reist om als bruiklenen ergens hun werk te doen.

,,Ik weiger in principe nooit,'' aldus Becht, die overigens als een kunstminnend verzamelaar en zeker niet als agent van moderne kunstenaars gezien moet worden. De bruiklenen zijn om niet, slechts de transport- en verzekeringskosten moeten door de veelal arme musea worden betaald. Gefilosofeerd zou kunnen worden over de vraag welke belangrijke exposities zonder de medewerking van verzamelaars als Becht mogelijk zouden zijn.

Op de dag dat ik hem spreek zijn er net twaalf werken van Joseph Beuys uit Polen teruggekeerd om meteen naar een andere bestemming door te reizen. In totaal zijn er op dat moment negentig werken uit de verzameling op reis, objecten van Bruce Nauman, Reiner Ruthenbeck, Joseph Semak, Donald Judd, Sol LeWitt, Fontana. Sommige kunstwerken blijven vele maanden weg omdat ze van museum naar museum trekken, tot in verre buitenlanden.

Dan hangen er in Breda nog werken van Marc Brusse uit de collectie van Becht en dus nu ook een groot deel van zijn verzameling Westerik in Voorburg. Dat betekent dat er kale plekken zijn in zijn huiskamer, want daar hingen een paar Westeriks, zoals de Touwtjespringers en ook De Schoolmeester met leerling, ook weer van die wanstaltig opgeblazen figuren, een volwassene die zijn hand beschermend op het hoofd van een kind heeft gelegd, dat alles tegen de achtergrond van een hermetische bakstenen muur. Waar bevindt het tweetal zich? Wat is er aan de hand? Het zijn vragen die je kan blijven stellen, waardoor de voorstelling levend blijft.

De deelverzameling rondom Westerik bestaat uit vijftien schilderijen (van de ongeveer 135 schilderijen die Westerik tot dusver maakte), ongeveer honderd tekeningen en omstreeks veertig stukken grafiek. De speciale band tussen Westerik en Becht wordt in zijn verzameling slechts geëvenaard door die tussen hem en de Japanner Kudo Tetsumi, die bizar, pop-art-achtig werk maakt. Hij werd door Wim Beeren op hem geattendeerd, toen die in Italië op een kleine expositie werk van de Japanner had gezien.

Becht bezocht die in Parijs wonende kunstenaar en kocht onmiddellijk werk van hem. Het was liefde op het eerste gezicht. Tetsumi is overigens de enige kunstenaar van wie Becht werk heeft doorverkocht. Hij doet nooit iets weg, zegt hij, maar maakte juist uit waardering voor Tetsumi bij hem een uitzondering. Hij verkocht enkele stukken aan een Japans museum om de kunstenaar in eigen land meer erkenning en waardering te geven dan hij daar tot dusver had.

Wereldje

De band met Westerik verdiepte zich langzamerhand, de band met de Japanner was er plotseling.

Het contact met Westerik ontstond ergens in het begin van de jaren vijftig toen zij zich in Den Haag in ongeveer hetzelfde wereldje bewogen. Becht zegt zich toen vooral op ruimtelijk werk en op de abstractie te hebben gericht. Westerik viel daarbuiten maar trok hem, Becht, toch aan, die merkwaardige, eigenzinnige figuratie met korte, gedrongen figuren in dikwijls raadselachtige situaties. Ze leken zo misvormd dat ze oorspronkelijk bij het publiek nogal wat weerstand opriepen. Zoals in 1951 toen hij de Jacob Marisprijs kreeg voor zijn Visvrouw, die lelijk en afstotend werd gevonden. Er kwam zelfs een bescheiden relletje van. En zoals gezegd riep ook de zich aan gras snijdende vinger ergernis op. Veel minder bekend bleef dat hij ook de maker was van het vrolijk touwtje springende meisje dat als een hele gevel beslaande muurschildering op het politiebureau van Rotterdam terecht kwam. Becht was een van enkele verzamelaars die al vroeg het unieke en waardevolle in de visie en techniek van Co Westerik doorzagen. Zijn werk is moeilijk in een kunsthistorische categorie onder te brengen. Zelf heeft hij vele jaren geleden in een interview gezegd tussen de pop-art en de nieuwe figuratie `door te zeilen' met een lichtelijk surreële voorkeur. Zijn inspiratiebronnen, zei hij toen ook, komen voort uit een continue verwondering over alles wat er om je heen gebeurt.

Die scherpe grasspriet bijvoorbeeld werd waargenomen toen hij ergens in een graslandje lag en daar om zich heen keek. Hij schilderde enkele versies van de zich verwondende vinger, in een paar ervan gaat de vinger terugbijten, in de snijwond hebben zich kleine tandjes ontwikkeld. Zo kan een idee blijven malen. Westerik noteert zijn soms piepkleine waarnemingen in een logboek, een uiting van zijn registratiedrift in notities, schetsen, foto's, eens vinden ze hun plaats in een voorstelling die dikwijls meerduidig is en daardoor iets magisch kan krijgen. Juist dat raadselachtige en zeker ook ironische in zijn werk, zijn elementen die het uniek maken en die daardoor de aandacht trokken van bijvoorbeeld Agnes en Frits Becht.

Westeriks ironie krijgt fraai gestalte als hij het in zelfportretten inderdaad over zichzelf heeft. Het blijkt uit zijn ogen zoals die de beschouwer van de expositie in Teylers Museum vele tientallen malen aankijken. Afstandelijk en met een glimp van wantrouwen, nemen ze niet alles even serieus en zijn bereid tot een grapje af en toe.

Zoals in de kleine aquarel met Oost-Indische inkt waar de kunstenaar zichzelf frontaal, naakt heeft afgebeeld onder de titel Zelfportret zonder bril.

In Boijmans is vooral het paneel De Grammofoonspeler een voorbeeld van zijn gedeformeerde, eenzaamheid suggererende raadselachtigheid. Een man met een keurig gekapt waterhoofd ligt met zijn gezicht in zijn armen naast een pick-up, een draaiende pick-up waaruit vele elektriciteitsdraden naar ergens buiten het schilderij lopen. Er kan van alles met die man aan de hand zijn, verdriet, ontroering over de gespeelde muziek, hij kan ook de pest in hebben omdat de grammofoon het niet goed doet.

Westerik zelf zegt de huid iets erg moois te vinden, de huid en vlees in combinatie met lucht en met `water aan je hand': ,,Dat is een tikkie obsessief.''

In hetzelfde interview zegt hij `s middags uit het atelier naar zijn huiskamer af te dalen met het tevreden gevoel weer iets moois gemaakt te hebben, maar als hij `s morgens weer naar zijn werkruimte is geklommen vindt hij het allemaal niks.

Als je dat eenmaal weet kan er in veel van zijn werk ook iets aarzelends worden gezien, iets onzekers dat het extra charme geeft.

Co Westerik, t/m 4 juli in het Huygensmuseum Hofwijk, Westeinde 2a, Voorburg. Za & zo, 13-17 uur.

T/m 30 mei in Teylers Museum, Spaarne 16, Haarlem, Dinsdag t/m zaterdag van 10-17 uur, zon- en feestdagen, 12-17 uur.

Haags Gemeentemuseum, Stadhouderslaan 41, t/m 2 mei, Di t/m zo, 11-17 uur.

Museum Boijmans Van Beuningen, Museumpark 18-20, Rotterdam. T/m 5 april, dit/m za, 10-17 uur, zo 11-17 uur.