Stoffer en cimbaal

Er is een mooie uitspraak van Jan Kuijper over het nut van de tekstinterpretatie, ofwel close reading: `Achterberg is heel geschikt voor close reading, omdat je zijn gedichten eerst níet snapt en na close reading snap je ze wél. Ook Lucebert snap je eerst niet, maar na close reading nog steeds niet. En Bloem snap je zo ook wel.' Daar moest ik aan denken bij het lezen van Gerrit Achterbergs gedicht Werkster, dat algemeen juist wordt gezien als een eenvoudig gedicht, over een alledaags onderwerp, met een heldere sonnetstructuur en een duidelijke bijbelse strekking: de nederige mens zal worden verheven:

Zij kent de onderkant van kast en ledikant,

ruwhouten planken en vergeten kieren,

want zij behoort al kruipend tot de dieren,

die voortbewegen op hun voet en hand.

Zij heeft zichzelve aan de vloer verpand,

om deze voor de voeten te versieren

van dichters, predikanten, kruidenieren,

want er is onderscheid van rang en stand.

God zal haar eenmaal op Zijn bodem vinden,

gaande de gouden straten naar Zijn troon,

al slaande met de stoffer op het blik.

Symbolen worden tot cymbalen in de

ure des doods - en zie, haar lot ten hoon,

zijn daar de dominee, de bakker en de frik.

De eerste acht regels spreken voor zich. Er zijn op aarde rangen en standen, en dat de werkster tot de lagere rangen behoort is duidelijk. Maar in het hiernamaals (na regel 8) is dat onderscheid er niet meer. Daar zal zij voor haar gezwoeg beloond worden. Zij zal door de gouden straten van het hemelse Jeruzalem mogen wandelen. Kruipen hoeft zij dan niet meer, en vegen met stoffer en blik evenmin. Zij zal rechtop gaan en haar traditionele werksterssymbolen kunnen gebruiken als traditionele muziekinstrumenten om de Heer te loven: haar symbolen worden tot cymbalen.

Deze mooie toverspreuk mag wel gelden als het hoogtepunt van het gedicht, en vermoedelijk heeft de gemiddelde lezer daardoor niet zoveel oog meer voor de anderhalve regel die er nog op volgt. De arme werkster, die voorzover wij weten haar hele leven niets anders heeft misdaan dan kruipend te sloven voor de hogere kringen, lijkt daar alsnog een trap na te krijgen: de dominee, de bakker en de frik moeten haar lot, haar hemelse gelukzaligheid, zo nodig nog even bespotten. Maar waarom eigenlijk?

Ik heb daar nooit een bevredigend antwoord op kunnen vinden, en ook de close readers uit de Achterbergologie niet (zie Nijhof, Kranendonk en Stolk in Achterbergkroniek 5, 9 en 10). Wordt de werkster aan het eind belachelijk gemaakt? Of worden daar juist de dichters, predikanten en kruidenieren bespot, gedevalueerd als ze zijn tot dominee, bakker en frik? Of hebben de heren uit regel 7 niet zoveel met die uit regel 14 te maken, en ook niet met de werkster? Zij, de voormalige voetveeg, is simpelweg in de gloria, en daarbij vergeleken degradeert ieder ander alsnog tot voetvolk? Er zijn nogal wat mogelijkheden. Argumenten, voor en tegen, nieuwe argumenten, speculatieve zijwegen, opperingen: het was mooi allemaal, maar dat geheel van niet sluitende verklaringen maakte van mij allengs een steeds onzekerder lezer die ten slotte allerlei mogelijkheden naast elkaar zag staan – en het ook niet meer wist.

Was dit gedicht nu bedoeld als een ontroerend portret van de immer zwoegende werkster? Of werd zij hier door de dichter juist beledigd en belachelijk gemaakt, als een doorgedraaid lid van een huisvrouwenorkest dat zelfs in het hiernamaals nog op haar blik blijft timmeren, zich intussen verbeeldend dat het de helklinkende cimbalen uit Psalm 150 zijn? Met wie heult Achterberg nu eigenlijk: met de dichters, de dominees, de frikken – of met de werkster?

Langzaam begonnen deze voor het gedicht nogal essentiële vragen zich in mijn hoofd te voegen bij een aantal andere onzekerheden en bezwaren die zich bij het lezen opgedrongen hadden. Het ging dan om zulke onbeantwoordbare stilistische vragen als: is die eerste regel welbeschouwd eigenlijk niet heel erg lelijk en houterig, met die onder-kant van het ledi-kant? Hoezo `want' in regel 3? Is `op hun voet en hand' niet een duidelijk geval van rijmdwang? Regel 5: omslachtige formulering. Regel 6-7: nog omslachtiger. Het meervoud `kruidenieren': rijmdwang. Hoezo `want' in regel 8? Vreemde woordkeus in regel 9: heeft God een bodem? Is het niet erg verwarrend om stoffer en blik, de maar al te aanschouwelijke gebruiksvoorwerpen van de werkster, symbolen te noemen? En is het eigenlijk niet heel erg ongelukkig om een stoffer en een blik te vergelijken met cymbalen, waar op grond van de slaande beweging een gong (of triangel, trom, pauk desnoods) meer voor de hand hadden gelegen? Hoezo `en zie' in regel 13, als er niets te zien is? Zouden er niet veel problemen zijn opgelost als die krukkige en verwarrende formulering `haar lot ten hoon' er niet had gestaan?

Allemaal vragen waar de close readers nog niet eens aan toe waren gekomen, druk als ze het hadden met het `interpreteren' van de eventuele bedoeling van het gedicht. Al lezende en herlezende en de lezingen van anderen lezende en herlezende drong zich bij mij niettemin steeds sterker deze verboden gedachte op: zou dit misschien gewoon een niet zo heel erg goed, welbeschouwd nogal lelijk, op heel wat plaatsen rammelend gedicht kunnen zijn, gebaseerd op niet veel meer dan het, toegegeven, knallende knalrijm symbolen – cymbalen?