Reizen dat het gedrukt staat

Nederland is `het groote veen van Europa' een `algemeene stinkende of grondeloose kuyl'...., `een groene kaas, rontom in de pekel'. Het land bestaat uit een evenwicht tussen modder en water. De egoïstische inwoners houden maar van twee dingen: geld en vrijheid. Ze verenigen de kwalijke eigenschappen van allerlei dieren. Ze lijken op kikkers, omdat ze zowel op het land als in het water leven, op waterhoentjes omdat ze vers uit het nest het water inlopen, op kraaien omdat ze altijd in het zwart rondlopen, op wouwen omdat ze altijd op een prooi uit zijn en op varkens omdat ze op zee varkensvoer eten. Zo gaat het maar door in een, zacht gezegd, bevooroordeelde kijk op onze voorvaderen.

Deze kwalificaties kwamen uit de pen van de Engelsman Owen Felltham die ze in 1623 neerschreef in A Brief Character of the Low-Countries. Dit geschrift beleefde tussen 1648 en 1709 achttien drukken en zou zo een van de meest gelezen Engelse teksten over Nederland worden.

Owen Fellthams tekst is een typisch voorbeeld van een eclectisch reisverslag, samengesteld uit eigen observaties en uit een hele reeks boeken. Het is kritisch, satirisch, en laat in het eerste deel geen spaan van de Nederlanders heel. Maar wie in het tweede deel belandt, leest daar ineens een positieve beschrijving. Waar die ambivalentie aan te danken is, wordt niet helemaal duidelijk in het artikel over Felltham in de bundel Reizen en reizigers in de Renaissance. De auteur, Kees van Strien oppert dat het misschien een spiegel is die de lezer wordt voorgehouden. Men kan er in lezen dat naties, en ook mensen, tegenstrijdige eigenschappen kunnen bezitten. Maar zou het ook niet een commerciëel vernuftige truc zijn geweest, om zowel voor- als tegenstanders van Nederland van polemische munitie te voorzien?

In deze lezenswaardige bundel worden in zeven artikelen reizigers behandeld die in Europa en in Amerika hebben gereisd, waarna nog twee fictieve reizen aan bod komen. Eigenlijk gaat deze bundel niet zozeer over reizen, maar eerder over reisverslagen: over de manier waarop reisbeschrijvingen worden vervormd, uit persoonlijke of politieke motieven, en hoe ze worden verfraaid onder invloed van literaire of retorische regels. Want dat is wat in de hele westerse reisliteratuur gebeurt: het reisverhaal leest lekker weg, maar de lezer blijft met de ongemakkelijke vraag zitten of de reis ooit gemaakt is en zo ja, of dat dan is gebeurd zoals het verhaal ons wil doen geloven. Zo was het meest populaire reisgeschrift uit de Middeleeuwen, dat van John de Mandeville, populair en invloedrijk, maar hoogstwaarschijnlijk betreft het een verzonnen reis. Ook aan de waarheidsgetrouwheid van die andere middeleeuwse bestseller, de reizen van Marco Polo, wordt getwijfeld.

Petrarca

Die dubieuze status van het reisgeschrift (en natuurlijk ook het mondelinge reisverslag) was er de oorzaak van dat de reiziger altijd een beetje verdacht was en dat er gezegdes ontstonden met de strekking dat men reizigers en dronkelappen nooit moet geloven. Daar zit natuurlijk nog steeds iets in. Omgekeerd legden de auteurs zich daar niet bij neer en ziet men in alle reisverhalen en zeker in de voorwoorden en opdrachten hoeveel moeite de auteur of zijn uitgever zich getroosten om de lezer ervan te overtuigen dat dit boek onvoorwaardelijk waar is. Ook in de hoofdtekst zelf ziet men allerlei strategieën van de auteur om geloofwaardig over te komen. Uitroepen als `ik heb het zelf gezien' of `ik heb het niet uit de boeken' of `die en die was er ook bij' zijn nog de meest doorzichtige van deze strategieën. Op hun beurt hebben auteurs van fictionele reisverslagen deze trucs ook weer toegepast. Vandaar dat men ook in de meest onwaarschijnlijke reisberichten formuleringen tegenkomt die de waarheid onderstrepen.

Het eerste hoofdstuk in deze bundel geeft al een mooi voorbeeld van de vervorming van brieven die tijdens een reis geschreven zijn. Het betreft de rusteloze reiziger, de peregrinus sine fine, Petrarca. Tijdens zijn lange leven heeft hij half Europa doorgezworven. Op die reizen schreef hij brieven en die zijn ook allemaal mooi uitgegeven in zijn verzamelde werken. Een van de samenstellers van deze bundel, Karel Enenkel laat zien waarom men die brieven niet mag opvatten als realistische verslagen. Ze blijken lang na de reis zorgvuldig te zijn gecomponeerd als bouwstenen voor een biografische mythe. Het was een middel van Petrarca om zichzelf geïdealiseerd de eeuwigheid in te schieten.

Andere artikelen in deze bundel gaan over Italiaanse prentverkopers, over Arabische reizigers in Europa, over de Engelse uitgever van bundels met ontdekkingsreizen Richard Hakluyt, die daarmee ook een politiek doel diende. Een artikel over Duitse reizigers in Zuid-Amerika combineert de historische en tekstkritische benadering met een meer antropologische aanpak. Hier wordt de nadruk gelegd op de ontmoeting met andere culturen, met zoals het heet de `alteriteit'. Daarbij wordt die andere cultuur `toegeëigend' dat wil zeggen beoordeeld met Europese maatstaven en beschreven volgens Europese genres en in een Europese taal. Dergelijke theoretische observaties doen altijd tautologisch aan. Alsof die mensen over andere maatstaven, of andere ogen konden beschikken dan ze nu eenmaal hadden. Bovendien zoemt er altijd een beschuldigende ondertoon in mee, omdat alle westerse schrijvers bezit zouden hebben willen nemen van die andere wereld. Het reizen en schrijven wordt zo per definitie bestempeld als een imperialistische daad, zoals Edward Said dat voor de beschrijvingen van het oosten heeft proberen aan te tonen in zijn Orientalism uit 1978.

Onder de behandelde reizen is er één die bij uitstek intrigeert omdat hier onomstotelijk vaststaat dat de auteur geen reis heeft gemaakt. Ten eerste zat hij tijdens het schrijven in de gevangenis en ten tweede bestaat het beschreven land niet. Het betreft dan ook een verhaal in de utopistische traditie. De auteur, de Italiaan Tomasso Campanella, werd in 1601 bijna ter dood veroordeeld wegens deelname aan een samenzwering. Door hardnekkig en succesvol waanzin voor te wenden ontkwam hij aan de beul. Wel werd hij in de kerker geworpen en daar bleef hij 26 jaar. Al die tijd heeft hij geschreven: politieke traktaten, en ook zijn utopie De zonnestad. Het is een fascinerende maar ook wat beangtigende beschrijving van een ideale staat, vol gerechtigheid en mededogen, maar ook een staat waarin iedereen gelijk is en ook in dezelfde kleren rondloopt. Een vroege vorm van eugenetica moet er zorgen voor de volmaakte mens.

Het laatste artikel handelt over het Vierde Boek van Rabelais. Paul Smith laat hier fraai zien hoe Rabelais geraffineerd elementen uit bestaande reisgeschriften mengde met zelfverzonnen onzin, en hoe hij weer speelde met allerlei literaire voorschriften. Zo had de klassieke satiricus Lucianus al voorgeschreven dat een goed schrijver zich op de hoofdzaken richt en de bijzaken laat liggen. Rabelais vond echter niets opwindender dan juist oeverloos uit te weiden over niet ter zake doende details en lange opsommingen te geven van recepten, verwensingen en dinergangen, waar niemand iets aan heeft, maar daardoor zo absurdistisch werken.

Reizen in de Renaissance is een boek dat goed te combineren valt met het werk van de Poolse historicus Antonie Maczak De ontdekking van het reizen. Dit boek verscheen oorspronkelijk in 1978 in het Pools en kwam in 1995 uit in een Engelse editie. Destijds werd het in deze krant besproken als `een aanwinst voor ieder die van oude reisliteratuur houdt'. Nu is er dan ook de Nederlandse uitgave.

Maczak heeft veel Engelse auteurs geraadpleegd en een deel van hen komt men weer tegen in Touring the Low Countries van Kees van Strien. Dit boek is een vervolg op zijn British Travellers in Holland during the Stuart Period uit 1993 dat over een vroegere periode ging. Opnieuw zijn tientallen Engelse gedrukte en ongedrukte bronnen getraceerd. Het verschil is dat in het vorige boek het materiaal verdeeld was over thema`s. Zo kon je hoofdstukken lezen over `vervoer', `herbergen', `hygiëne' etc. Nu is dat anders georganiseerd, namelijk geografisch en wordt per stad, of per streek weergegeven wat verschillende auteurs erover te berde hebben gebracht. De nadruk ligt erg op de plaatsbeschrijving en minder op persoonlijke ontmoetingen of op bijzondere observaties en voorvallen. Per stad zijn demografische gegevens opgenomen en lijsten met gefrequenteerde herbergen.

In het algemeen hielden Europese reizigers in de zeventiende en achttiende eeuw hun reisdagboeken bij volgens dezelfde principes. Dat komt voort uit de reisvoorschriften die gedetailleerd adviseerden hoe men moest reizen en wat men diende te bezichtigen in de steden. Ook stond hier in wat en hoe men alles moest vastleggen in notitieboekjes en hoe dat later, thuis, met hulp van literatuur uit moest werken in een definitieve vorm. Telkens herkent men die voorschriften. Bij een stad bijvoorbeeld, diende men de omvang, het aantal inwoners, de herkomst van de naam, het bestuur en de openbare gebouwen te vermelden. In het boek van Van Strien zijn daar talloze voorbeelden van te vinden over de Nederlandse steden. Omgekeerd kunnen wij sinds kort ook het omgekeerde lezen: een Nederlander die in 1683 door Engeland reist. Dit was de Amsterdamse dominee Balthasar Bekker, die bekend is geworden door zijn boek De betoverde wereld, een heftige en invloedrijke aanval op het bijgeloof in heksen. Bekker maakte in de zomer van 1683 met drie metgezellen een twee maanden durende reis vanuit Amsterdam via Brussel, Parijs en Calais naar Zuidoost Engeland en terug.

Executie

Het manuscript van Bekkers reisverslag berust in de Koninklijke Bibliotheek en is nu door de Friese Akademie uitgegeven. Ook Bekker ontsnapt niet aan de rigide regels van het het reisverslag. Je ziet het gezelschap de bezochte steden doorlopen en het liefst omlopen, ze inspecteren de verdedigingswerken, bezichtigen paleizen, kloosters, kerken en sociale instellingen, behandelen de middelen van bestaan en de religie alsof ze een beknopt aardrijkskundeboek samenstellen. Het meest levendig en humoristisch zijn de beschrijvingen van wandelingen in parken en paleizen, het verblijf in de herbergen, waarvan het eten, drinken en de vuilgraad der bedden nauwkeurig wordt beschreven.

Vooral die alledaage observaties zijn boeiend. Een huiveringwekkende beschrijving van de executie van een stelletje samenzweerders in Londen kan wedijveren met Toergenjevs beschrijving van Troppmanns executie. Opvallend ook is het gemak waarmee beroemdheden benaderd konden worden. Niet alleen geleerden en politici, maar ook prinsen en zelfs koningen. Alledaagser zijn de observaties tijdens een bezoek aan de koninklijke grafkelder in Westminster. De graven zijn `zierlik gewroght', maar `door `t stof en spinnewebben die se bedekten, geheel ontzierd'. Bekker voegt er aan toe dat de achting voor de oudheid `deze morsigheid' verklaarde. Er stond daar zelfs een koninklijke troon, `eenen oude voddigen houten leunstoel', die een gewone huisvrouw in `hare morskeuken' geen plaats zou gunnen. In de Tower worden de Nederlanders rondgeleid door een gids met een temerige intonatie, half zingend, zoals, aldus Bekker, kwakzalvers dat in trekschuiten doen en zoals zij hun huismiddeltjes langs de straten verkopen.

Zo'n miniem detail doorbreekt geen geschiedbeeld, brengt geen lange termijntheorieën aan het wankelen, maar je leest het in geen enkele andere bron. Bij het woord `kwakzalver' en bij elke afbeelding van een lid van deze in de geschiedschrijving misdeelde beroepsgroep zal ik voortaan danzij dominee Bekker een neuzelig deuntje horen. Zoiets verzin je niet. Dat is het verschil met verzonnen reisgeschriften.

Karl Enekel, Paul van Heck en Bart Westerweel: Reizen en reizigers in de Renaissance. Eigen en vreemd in oude en nieuwe werelden. Amsterdam University Press, 234 blz. ƒ39,50

Kees van Strien: Touring the Low Countries. Accounts of British Travellers, 1660-1720. Amsterdam University Press, 428 blz. ƒ99,–

Antoni Maczak: De ontdekking van het reizen. Europa in de vroegmoderne tijd. Het Spectrum,470 blz. ƒ49,90

Balthasar Bekker: Beschrijving van de reis door de Verenigde Nederlanden, Engeland en Frankrijk in het jaar 1683. Uitgegeven door Jacob van Sluis. Friese Akademie, 136 blz. ƒ27,50