Post voor de Oost

Perry Moree: Met vriend die God geleide. Het Nederlands-Aziatisch postvervoer ten tijde van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Walburg Pers, 287 blz. ƒ49,50

`Daar kan iets groots verricht worden', schreef Jan Pietersz Coen uit de Oost in een brief aan zijn superieuren in de Republiek. Maar daar concentreerden de bewindhebbers van de VOC zich op het management op de vierkante meter. Uit de verslagen van hun beraadslagingen komen de Heren Zeventien naar voren als eersterangs controleurs. Neem nu de regels die ze in 1617 opstelden voor het versturen van post per VOC-schip. Het was dienaren van de Compagnie verboden `eenige particuliere vrienden of bekenden iets te schrijven, den staat van Indië concernerende'. In dezelfde bepaling stond dat `alle particuliere brieven by de Compagnie geopent, gelesen ende gevisiteert werden'. Commerciële en strategische informatie over het handelsgebied mocht onder geen beding naar concurrenten uitlekken.

De geschiedenis van het intercontinentale postvervoer door de VOC is het onderwerp van het proefschrift Met vriend die God geleide van de historicus Perry Moree. Hij maakt nog eens duidelijk dat de Compagnie een door en door totalitaire organisatie was: alles was ondergeschikt aan het winstoogmerk. Daarbij hoorde het voortdurend streven naar efficiëntie, dat op ons rationele twintigste-eeuwers zoveel charme uitoefent. De Compagnie wordt tegenwoordig graag gepresenteerd als een moderne onderneming met een gezonde vernieuwingsdrang.

Dat innovatie-perspectief is wat lastiger toepasbaar op de periode na de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) wanneer de VOC op haar laatste benen loopt. Veel cynische VOC-beschouwers zien dan niets anders dan futloze bewindhebbers en voortwoekerende corruptie binnen de onderneming. Maar tussen dat historisch doemdenken is er voor historici ook in die nadagen van de VOC nog veel interessants te beleven. De periode na 1788 wordt door Moree bestempeld als de `innovatieve' fase binnen de geschiedenis van het VOC-postverkeer.

Door de grote afstanden verliep de communicatie tussen Patria en de overzeese VOC-vestingen traag. Correspondentie werd vervoerd door de grote retourschepen. Berichten van en naar Azië deden er ten minste acht maanden over om de plaats van bestemming te bereiken. Een sneller, maar kostbaar en riskant alternatief was een route over land via het Midden-Oosten.

In 1786 werd het initiatief genomen tot een aanzienlijke verbetering van het intercontinentale posttransport. Het plan ging uit van het `Departement tot de Indische Zaken' dat was ingesteld om noodzakelijke bezuinigingsmaatregelen voor te bereiden. Daartoe bestudeerden leden van het departement de officiële missieven uit Azië. Een snellere correspondentie zou de bewindhebbers in de Republiek in staat stellen alerter te reageren op oorlogsdreiging en concurrentie. Bovendien zou het geldverslindende Aziatische bedrijf nauwkeuriger in de gaten kunnen worden gehouden.

Twee jaar later keurden de heren Zeventien het plan voor een geregelde intercontinentale dienst goed. Op de Compagnieswerven werden tien brikken gebouwd. Met deze kleine tweemasters werd aanzienlijke tijdwinst geboekt. De eerste pakketboot volbracht de reis naar Batavia en terug in elf maanden en twee dagen. In totaal maakte de pakketvloot 28 reizen. Moree is erin geslaagd een compleet beeld van die postexpedities te schetsen. De reisduur, samenstelling van de bemanning en verdere bijzonderheden staan vermeld in een bijlage. Met de introductie van de pakketvaartdienst heeft Moree een onderwerp belicht dat tot nu toe weinig aandacht heeft gekregen. Zijn onderzoek leidt tot het zinvolle inzicht dat het eind achttiende eeuw nog niet volledig was gedaan met de vernieuwingsdrang binnen de VOC-gelederen. Die stelling is op grond van uitgebreid bronnenonderzoek, onder meer in de archieven in Kaapstad en Jakarta, succesvol onderbouwd.

Minder geslaagd is dat Morees concentratie op het postwezen zoveel optimisme teweeg brengt dat een algemene analyse van die cruciale, en ontegenzeggelijk sombere, laatste fase van de VOC-geschiedenis in het nauw komt. Als Moree stelt dat de pakketvaart los van het naderende faillissement van de Compagnie gezien moet worden, overspeelt hij zijn hand. De crisis in de VOC eind achttiende eeuw is juist een uiterst relevante context, óók voor een studie naar een succesvolle innovatie ten tijde van die crisis. Uiteindelijk was de vernieuwde pakketvaart zo levensvatbaar als de onderneming waarvan zij deel uitmaakte.