Piraterij tussen de schuifdeuren

Wordt een zelf gebreide Nijntje-trui of een in de vrije tijd gekleide Rien Poortvlietkabouter straks qua strafwaardigheid en strafbaarheid op één lijn gesteld met het bezit van kinderporno? Volgens een gewijzigd artikel in het Wetboek van Strafrecht wel. Overtreders zullen evenwel niet worden vervolgd. Een juridisch gedrocht.

Wie voor zijn kind een trui breit met een afbeelding van Nijntje, Mickey Mouse of Donald Duck kan die bezigheid maar beter onverwijld staken, want er staat binnenkort een gevangenisstraf op van ten hoogste één jaar. De maximale geldboete die de rechter – rekening houdend met de draagkracht van de veroordeelde – in dat geval kan opleggen bedraagt 100.000 gulden, het tienvoudige van de geldstraf die iemand kan krijgen voor het doodslaan van een kind.

Die hoge straffen hangen niet alleen ijverige moeders boven het hoofd die hun kind willen verrassen met goedbedoelde huisvlijt, maar ook degeen die het leuk vindt een Rietveldstoel voor eigen gebruik te timmeren kan langdurig het cachot indraaien. Bij het vervaardigen van Sinterklaassurprises waarop eventueel het merk Coca-Cola of het symbool van Nike voorkomt is evenzeer grote terughoudendheid geboden.

Dat is het gevolg van een wijziging van artikel 337 van het Wetboek van Strafrecht, bedoeld om `namaak of piraterij' steviger aan te pakken. Het gewijzigde artikel staat inmiddels in het Staatsblad, het wachten is nog op een koninklijk besluit, waarna het ook echt van kracht is.

Nederland moest zijn strafbepalingen aanpassen om op één lijn te komen met een Europese Verordening en een verdrag van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), maar is daarbij volgens gniffelende ambtenaren in Brussel en kritische juristen in Nederland `lichtelijk doorgeschoten'.

Het namaken of vervalsen van merkproducten is strafbaar, want die producten zijn van rechtswege beschermd. Omdat piraterij de laatste jaren fors uit de hand loopt hebben zowel de raad van de Europese Unie als de WTO-maatregelen genomen om die praktijk tegen te gaan. De achterliggende gedachte daarbij is dat het verhogen van straffen bij dergelijke overtredingen een heilzame werking heeft. Tot dusverre is daarbij echter altijd onderscheid gemaakt tussen `namaak voor privé-gebruik', waarvan een Nijntje-trui een treffend voorbeeld is en namaak met een duidelijk commercieel oogmerk, zoals het op grote schaal vervalsen van Lacoste-shirts.

Het betrokken artikel in de strafwet sprak tot dusverre dan ook van het `ten verkoop of ter uitdeling in voorraad' hebben van die producten, waardoor de ijver van breiende moeders of oma's niet als een criminele activiteit werd aangemerkt. Bij de behandeling van de wetswijziging in september vorig jaar heeft kamerlid Dittrich (D66) echter een amendement ingediend, waardoor de zinsnede `ten verkoop of ter uitdeling' vóór de woorden `in voorraad' zijn vervallen. Daarmee richt het artikel zich dus niet langer op diegenen, die piraterij bedrijven uit geldelijk gewin, maar ook op mensen die een `vervalsinkje' maken voor eigen gebruik. Het was Dittrichs bedoeling daarbij om het Openbaar Ministerie tegemoet te komen bij het vergaren van bewijslast. Minister Korthals (Justitie) voelde niets voor het amendement, omdat hem helemaal geen problemen bekend waren bij het vergaren van bewijslast. Maar vooral had hij er bezwaar tegen dat het ,,privé in voorraad hebben van nagemaakte goederen strafbaar zou worden, ook wanneer men er als burger genoegen in schept om zelf merkartikelen na te bootsen.'' De bewindsman: ,,Gaat dat niet te ver? Is het strafrecht daarvoor bedoeld?'' Volgens Korthals is er geen sprake van schending van rechten op intellectuele of industriële eigendommen als de hobbyist ,,namaakartikelen onder zich houdt zonder dat hij de bedoeling heeft deze te verstrekken aan anderen om baat en om niet.''

In een artikel in het Nederlands Juristenblad van begin januari wijst mr. D.J.G. Visser, advocaat te Amsterdam en docent aan de Leidse universiteit, er op dat voormalig rechter Dittrich het al eerder aan de stok heeft gehad met het probleem `in voorraad hebben'. Het ging bij die gelegenheid om het in bezit hebben van kinderporno, waar Dittrich tijdens het piraterij-debat ook naar verwees. Toen ging het echter om ander artikel in het Wetboek van Strafrecht, 240b.

Dittrich vond toen dat de politie hoort op te treden tegen ,,commerciële en professionele productie en distributie van kinderporno en uit eerbiediging van ieders privéleven terughoudendheid dient te betrachten bij het aantreffen van afbeeldingen van geringe hoeveelheden kinderpornografie bij particulieren die dat materiaal niet in voorraad, maar in bezit hebben.''

Dittrich en zijn partijgenoot en toenmalig minister Sorgdrager werden het er bij die gelegenheid over eens dat het begrip `in voorraad' hebben ,,een zekere pluraliteit en een externe connotatie'' heeft. Met andere woorden: het moet om een aantal exemplaren gaan. Als deze ideeën rond kinderporno worden vertaald naar de piraterij komt het er dus op neer dat één Rietveldstoel voor eigen gebruik wel mag, twee niet. Met de `externe connotatie' wordt verder bedoeld dat de spullen voor het (handels)verkeer zijn bestemd. Later heeft de Hoge Raad die twee nuanceringen onbarmhartig van tafel geveegd, maar dat heeft Dittrich in september niet weerhouden om met zijn amendement te komen. Bovendien lijkt het er op dat het arrest de gehele Tweede Kamer is ontgaan, want een overgrote meerderheid heeft er mee ingestemd.

Na de vernietigende analyse van Visser in het Nederlands Juristenblad over de wijze waarop deze wetgeving tot stand aan het komen was, werd in kringen van juristen verwacht dat de Eerste Kamer – niet voor niets de Chambre de Réflection – het wetsontwerp zou terugverwijzen naar de Tweede Kamer. Toen de wetswijziging eind februari werd behandeld, gaven inderdaad alle woordvoerders te kennen lelijk met dat amendement van Dittrich in hun maag te zitten. Met name oud-minister van Justitie Hirsch Ballin meende dat bijvoorbeeld een zelf gebreide Nijntje-trui of een in de vrije tijd gekleide Rien Poortvlietkabouter ,,qua strafwaardigheid en strafbaarheid toch onmogelijk op één lijn kan worden gesteld met producten waarvan vaststaat dat ze naar hun aard kinderen onteren en waarvoor kinderen zijn misbruikt.''

Maar van een zogeheten `novelle' kwam het niet. De minister gaf slechts aan dat politie en justitie naar zijn oordeel geen tijd en aandacht zouden moeten besteden aan piraterij tussen de schuifdeuren. Sommige juristen pleitten er vervolgens voor om over het nieuwe strafrechtsartikel een deken te leggen in de vorm van een zogeheten `sepotbeleid'. De wet stelt het breien van Nijntje-truien straks dus wel strafbaar, maar het wordt niet vervolgt. Hirsch Ballin op zijn beurt heeft de minister – nog vóór dat hij instemde met een naar zijn overtuiging foute wet - uitgenodigd snel met een `reparatie' te komen.

Duidelijk is dat het OM straks met een juridisch gedrocht moet gaan werken, zo valt af te leiden uit Vissers commentaar. Civielrechtelijk is het immers nog altijd expliciet toegestaan om valse voorwerpen voor eigen gebruik `in voorraad' te hebben, terwijl het strafrecht binnenkort voorziet in langdurige opsluiting of een torenhoge boete. ,,Er was en is in het geheel geen rechtvaardiging om huisvlijt op de timmerzolder strafrechtelijk op één lijn te stellen met de vervaardiging van kinderporno,'' aldus Visser. ,,Dittrich stelt nu dat bezitters van zelfgemaakte Nijntje-truien zich geen zorgen hoeven te maken. Maar volgens mij moet iedereen zich zorgen maken als een Kamerlid met een juridische achtergrond suggereert dat het normaal is om dingen strafbaar te stellen die men niet strafbaar wil stellen.''