Onnadrukkelijk eigentijds

Hoe geef je de Oudheid een stem in het Nederlands? In historische romans met een ik-figuur kan dat een heel probleem zijn. De simpelste oplossing lijkt nog: je te voegen naar de antieke schrijvers en dichters. Maar wie wel eens vertalingen van hun werk heeft ingezien, weet dat het een groot verschil maakt door wie ze zijn gemaakt. Boutens klinkt niet als Koolschijn, Gerhardt niet als Van Doolen. Moet het plechtstatig en gekunsteld of toch liever vlot en gesmeerd?

Helene Nolthenius heeft in haar roman Voortgeschopt als een steen een listige oplossing gekozen. Zij laat de dichter Leonidas van Tarente zelf zijn levensverhaal vertellen, op grond van een reconstructie aan de hand van zíjn epigrammen die in háár vertaling door het relaas zijn gestrooid. Op deze manier ontstaat vanzelf een eenheid van toon, die omdat het merendeels authentieke epigrammen betreft de overtuigingskracht van het geheel alleen maar kan versterken.

Ja, zo zou een dichter uit de derde eeuw voor Christus kunnen klinken, denk je tijdens het lezen van haar roman. Niet te modern, met af en toe wat archaïsch aandoende woorden als `oudtijds' en `kuipen', maar zeker ook niet te stijf of gedragen. Hier is een levend mens aan het woord, zij 't afkomstig uit een ander tijdperk.

Leonidas `opent' zijn geheugen, schrijft Nolthenius in haar voorwoord, `zoals een mens een walnoot opent: het spleet in twee helften uiteen'. Breukpunt is, naar zijn eigen zeggen, `de dag die mijn leven doormidden scheurde', toen hij op ongeveer 25-jarige leeftijd vernam dat zijn vaderstad Taras in Zuid-Italië door de Romeinen was veroverd. Vanaf dat moment zwerft hij als een thuisloze door de wereld, inderdaad `voortgeschopt als een steen', zoals het in een van zijn epigrammen heet. Nolthenius grijpt dit levensverhaal aan om een kleurrijk portret te schilderen van de tijd van het `hellenisme', dat de cultuur van het oostelijk Middellandsezee-gebied een geheel nieuw aanschijn heeft gegeven.

Aan weerszijden van het breukpunt volgen we Leonidas op diens omzwervingen. Onder het motto `Nader tot de Muzen' was hij uit Taras vertrokken om als `hofdichter' de legerleider Pyrrhos van Epeiros te volgen, die in Griekenland oorlog voerde tegen de koning van Macedonië, nadat hij eerder in Italië het onderspit had gedolven tegen de Romeinen. Na diens dood staat Leonidas er alleen voor. Om te overleven heeft hij slechts zijn poëzie. Hij verkoopt zich aan de meest biedende, als een opportunistische `brooddichter', en slaagt erin vrijwel steeds op het verkeerde paard te wedden.

Waarom had hij de `barbaar' Pyrrhos gediend en niet diens tegenstander, de nobele koning Antigonos, vraagt Leonidas zich af. In Athene leert hij deze stoïcijnse vorst op afstand kennen. Maar ook daar blijkt hij de foute partij te hebben gekozen, die met de leuze `Athene voor de Atheners' heimelijk de vrijheid van de stad tracht te verkwanselen aan de Egyptenaren. Een fatale ironie regeert dit dichtersleven, dat af en toe aan dat van een poète maudit doet denken, met dit verschil alleen dat Leonidas allerminst een maatschappelijke rebel blijkt te zijn. Hij heeft gewoon pech. `Ik ben geboren in een gedoemde stad en een rampzalige tijd', zo vat hij achteraf zijn levenslot samen.

Intussen maakt Nolthenius duidelijk dat veel van Leonidas' wanfortuin ook te wijten is aan zijn ijdelheid en zijn hang naar erkenning. Zodra deze worden bevredigd, kijkt hij niet verder dan zijn neus lang is en verbindt hij zijn naam aan zaken die hem nadien tot last zijn. Dat is natuurlijk wel een geschikte manier om hem aan de wandel te houden, met als gevolg dat de lezer gaandeweg een mooi beeld krijgt van het veranderende klimaat in Griekenland. En in Klein-Azië, want daarheen zet Leonidas koers nadat zijn Atheense avontuur op een echec is uitgelopen.

Uit Athene neemt hij een stoïcijnse zienswijze mee, die hij overigens zelf zonder veel filosofische pretentie omschrijft als `een wijze van overleven, een training in geestelijk zelfbehoud'. Een kleine stijlbreuk is hoogstens dat hij het stoïcisme beoordeelt als een passende filosofie bij de `wereld zoals de Grote Alexander die had achtergelaten'. Zoveel historisch inzicht had ik deze naïeve poëet niet toegedicht. Plausibeler is zijn kritiek op de Stoa, die volgens hem te weinig waardering opbrengt voor de oude goden. Zelf zou hij de steun van Zeus, Athene en Apollo niet graag willen missen. Voortdurend worden er dan ook orakels geraadpleegd, die hem althans de illusie geven dat zijn dolen en dwalen van hogerhand wordt bestierd.

Minder geestdrift weet Leonidas op te brengen voor de Aziatische nieuwlichterij die hij tegenkomt in Klein-Azië, waar hij getuige is van de even bloedige als hysterische Kybele-cultus. Ook de nieuwe – achteraf als typisch `hellenistisch' te herkennen – architectuur met haar nadruk op `groot' en `kolossaal' vindt hij maar niets, een `protserig' vertoon van ordinaire wansmaak. Aan de andere kant kan hij de beeldhouwer, die meer `beweging' in zijn statische kunst bepleit, weer wel appreciëren. Grappig is het bezoek dat Leonidas, als een antieke toerist, brengt aan de resten van Troje, waar hij belaagd wordt door opdringerige gidsen. En dat hij en passant het principe van de boekdrukkunst ontdekt, zonder daar gehoor voor te vinden, is een geslaagd knipoogje van de schrijfster aan het adres van haar eigentijdse lezers, die weten dat de mensheid nog tot Gutenberg en Coster op deze uitvinding zou moeten wachten.

Op een onnadrukkelijke manier zit er nog een ander eigentijds element in deze roman. De hellenistische wereld die Leonidas doorkruist, is er een van aanhoudende `beweging' en `verschuiving', zo lezen we, waarin niets en niemand op zijn plaats blijft en alles verandert. Een soort permanente volksverhuizing is er gaande, net als in het heden. Zonder dat hij het zelf in de gaten heeft, staat het leven van Leonidas daarvoor model. Pas een collega-dichter maakt hem erop attent, in een epigram dat nauwelijks zijn literaire goedkeuring kan wegdragen: `Jij, het onrustig symbool / van een onrustige tijd: / wat je ook is afgenomen, nog steeds zit je boordevol verzen. / Grijp naar je lier, man, en zing! / Dáár ligt het thuisland dat blijft!'

Het blijkt in meer dan één opzicht waar te zijn. Uiteindelijk woont Leonidas, de eeuwige balling, nog alleen in zijn gedichten, al zijn dat minder zijn meest ambitieuze projecten zoals een epos over Aeneas (!) en een hymne aan Apollo dan zijn – voor de kost geschreven – epigrammen. Ook in dit opzicht regeert de ironie. Alleen via de epigrammen heeft hij het nageslacht bereikt, zoals nog vlak voor zijn dood wordt aangekondigd door een neef, die de dichter meldt dat zijn verzen in Rome, de overwinnaar van zijn vaderstad, grote populariteit genieten. Via diezelfde epigrammen én de empathische verbeelding van Nolthenius heeft Leonidas nu bovendien een mooie plek gekregen in de Nederlandse literatuur.

Helene Nolthenius: Voortgeschopt als een steen. Querido. 164 blz. ƒ45,-