Nieuwe nieuwe woorden

De belangstelling voor nieuwe woorden in onze taal dateert van het eind van de negentiende eeuw, maar pas sinds 1957 wordt er serieus werk van gemaakt. Toen begon de redactie van de Winkler Prins met het bijhouden van nieuwe woorden, die om de zoveel tijd werden afgedrukt in de jaarboeken van deze gezaghebbende encyclopedie. Pas in 1970 verscheen het eerste zelfstandige neologismenwoordenboekje, spoedig gevolgd door andere. In Nederland was vooral Riemer Reinsma op dit terrein actief, in Vlaanderen Maarten van Nierop. Vanaf het eind van de jaren tachtig volgde een tweede golf, met boeken en boekjes van onder meer Frank Jansen, Hubert Roza, Jan Kuitenbrouwer, P.G.J. van Sterkenburg en Frans van Lier.

Hoe verzamel je nieuwe woorden? Door goed te luisteren en vooral door veel te lezen, ook in bronnen waar sommigen de neus voor ophalen, zoals jeugdbladen, streekkranten en reclamefolders. Onder taalkundigen is de laatste jaren veel te doen geweest over de vraag hoeveel nieuwe woorden het Nederlands er nu jaarlijks bij krijgt. Volgens sommigen zijn dat er zo'n driehonderd, anderen houden het op vijftienduizend. Zeker is dat de manier waarop een en ander wordt gecontroleerd het afgelopen decennium ingrijpend is gewijzigd. Vroeger greep men ter controle naar een woordenboek, meestal naar de Grote Van Dale. Stond het daar niet in, dan moest het wel een nieuw woord wezen (waarmee Van Dale trouwens erg werd overschat, maar dit terzijde). Tegenwoordig kun je het geboortejaar van een nieuw woord gemakkelijk nazoeken in gigantische digitale krantenbestanden en op Internet. Voor neologismenjagers zijn de uitkomsten vaak onthutsend: het grootste deel van hun verzameling blijkt veel ouder te zijn dan ze hadden gedacht.

De ijverigste Vlaamse verzamelaar van nieuwe taal is Marc De Coster. De afgelopen jaren heeft hij in hoog tempo verscheidene forse woordenboeken samengesteld. Zo verscheen nog geen jaar geleden zijn Woordenboek van populaire uitdrukkingen, clichés, kreten en slogans van ruim 550 pagina's. Het zojuist verschenen Woordenboek van neologismen telt 726 pagina's. Het heeft precies het formaat van één deel Van Dale en is daarmee het dikste neologismenwoordenboek dat ooit in het Nederlandse taalgebied is verschenen.

Staat er dan zo allemachtig veel in? Dat valt wel mee. De Coster vermeldt tweeduizend woorden, uitdrukkingen en nieuwe betekenissen uit grofweg de afgelopen dertig jaar. Aangezien de aanwas van onze taal in die periode veel en veel groter was, moest hij streng selecteren. In de inleiding schrijft De Coster dat hij eendagsvliegen, nonsenswoorden en technische woorden heeft geschrapt. Om voor opname in aanmerking te komen moest een woord meer dan één keer over een langere periode voorkomen. Informeel taalgebruik kreeg voorrang, net als woorden die de afgelopen jaren hun plaats in onze taal hebben bewezen. Dat klinkt allemaal aannemelijk maar bladerend in het boek wordt al snel duidelijk dat De Coster hier vooral zijn persoonlijke verzameling neologismen presenteert, waarbij sterk de nadruk ligt op de nieuwe taal van de afgelopen vijf à tien jaar.

De kracht van dit boek is dat De Coster veel leest, dat hij zijn oren goed openhoudt en dat hij een scherpe neus heeft voor nieuwe taalontwikkelingen. Het is mooi dat hij woorden en uitdrukkingen vastlegt als `te gek bezig zijn', `opleuken', `ijskonijn', `best wel', `bekreunen' en `het wel kunnen schudden' (dan wel `je kunt het wel shaken'). Leuk is ook dat hij vaak encyclopedische en etymologische informatie geeft. Bij `afzien', dat wil zeggen `lijden, zwaar ploeteren' staat bijvoorbeeld dat dit woord via de Vlaamse wielertaal in het Noord-Nederlands terecht is gekomen. Het zou ook door Van Agt zijn verbreid, die vond dat politici net als renners moesten kunnen afzien. Volgens De Coster zijn de laatste jaren overigens opmerkelijk veel Vlaamse woorden tot het Noord-Nederlands doorgedrongen. Hij noemt onder meer nog `fietseling', `gesco' `onthaalmoeder' `praatbarak' en `witte woede.

Het boek heeft ook zwakke kanten. De Coster is erg scheutig met bewijsplaatsen, dat wil zeggen met citaten uit kranten, boeken en tijdschriften. Bewijsplaatsen kunnen nuttig zijn om te laten zien hoe een woord wordt gebruikt, welke verbindingen het aangaat, in welke sfeer of context het wordt gebruikt, enzovoorts. Maar bij de ingang funshoppen/ funshopping telt de toelichting van De Coster slechts drie regels; daarna volgen maar liefst acht citaten die gezamenlijk vijftig regels in beslag nemen zonder dat ze echt veel toevoegen. Daarna volgt bovendien nog het lemma funshopper, andermaal met een flink citaat. Het is mooi dat De Coster al die citaten bij elkaar heeft gesprokkeld, maar hij hoeft ze ons niet allemaal te laten zien. Het boek zou aan kracht hebben gewonnen als hij een en ander voor ons zou interpreteren en samenvatten. Zo is het ook helemaal niet nodig vele pagina's te vullen met samenstellingen met bijvoorbeeld computer- of met vaste verbindingen met electronic, elektronisch en elektronische.

Het vreet ruimte, al die bewijsplaatsen, ruimte die beter had kunnen worden gebruikt om allerlei gaten te dichten, want het kost helemaal geen moeite om honderden woorden en uitdrukkingen te noemen die ontbreken. Ik vind de ondertitel `25 jaar taalaanwinsten' dan ook niet gelukkig, want daarvoor is de selectie te willekeurig. Dat neemt niet weg dat dit boek prachtig materiaal bevat. De Costers definities zijn niet altijd even scherp, maar hij heeft een goede smaak, een vlotte pen en zijn encyclopedische informatie is vaak erg leuk.

Marc De Coster: Woordenboek van neologismen. Contact, 726 blz. ƒ95,–