Negen maanden in het sjtetl

Ach, hadden we hier maar een echte rivier, met echte bossen... En wat smaakten de bosbessen en de aardbeien vroeger heerlijk... De Israelische literatuur staat vol van dergelijke verzuchtingen uit de mond van Oost-Europese immigranten, die terugverlangen naar een wereld die niet meer bestaat. Die wereld, van het joodse sjtetl op het Poolse platteland, wordt tot leven gewekt in De middernachtrivier van de Canadese Lilian Nattel (1959). De roman heeft de omvang van een streekroman en het arcadische tafereel op het omslag doet het ergste vermoeden. Ten onrechte. De middernachtrivier is een prachtig boek, dat de valkuilen van de nostalgie meestal weet te vermijden.

In het dorpje Blaszka wonen aan het eind van de negentiende eeuw vijftig joodse gezinnen en zes Poolse pachters. Een centrale figuur in de gemeenschap is Misja, de vroedvrouw. Eentje van de oude stempel, die drankjes en smeerseltjes brouwt en voor elke kwaal wel iets weet. Daarbij is ze een vrijgevochten vrouw, die van mannen houdt, maar niet wil trouwen. Haar huisje staat midden in het dorp, op palen pal boven de rivier waaraan het boek zijn naam ontleent. En om het nog intrigerender te maken: haar overgrootmoeder is als heks terechtgesteld. Op een dag is Misja zwanger, en niemand weet van wie. Tijdens de negen maanden van haar zwangerschap volgen we haar en acht andere dorpsbewoners in hun doen en laten.

In elk hoofdstuk worden dezelfde negen maanden beschreven, maar telkens vanuit het perspectief van een ander personage. Doordat Nattel ondanks het perspectiefverschil de gebeurtenissen vaak in dezelfde bewoordingen weergeeft, krijgt het verhaal iets statisch. Een grotere variatie in stijl en register was de levendigheid ten goede gekomen. Anderzijds heeft de voortdurende herhaling ook haar charme. De lezer raakt gaandeweg vertrouwder met de leefwereld van de dorpsbewoners.

Nattel is geboren en getogen in Montreal, maar haar ouders kwamen uit Polen. Grote kans dus dat haar voorouders in sjtetls gewoond hebben. Ze dook in archieven en geschiedenisboeken en probeerde de verloren wereld van haar familie te reconstrueren. Blaszka en de personages zijn fictief (ook Misja, die als overgrootmoeder van de schrijfster wordt gepresenteerd), maar de historische context klopt. Nattel koos een intrigerende tijd: de jaren negentig van de negentiende eeuw, toen de joodse tradities en het geloof in magische verschijnselen nog springlevend waren. Toch kondigt de nieuwe tijd zich al aan. In Warschau rijden trams en doen de eerste vakbonden hun intrede. Vooraanstaande sjtetl-bewoners zijn vertrokken naar de nabijgelegen stad. Overgebleven zijn de eenvoudiger lieden: de slager, de bakker, de waterdrager en de rabbijn die niet zeker weet of God wel bestaat. Maar de grote gebeurtenissen in de wereld dringen wel degelijk ook tot Blaszka door. De Dreyfus-affaire bijvoorbeeld, en de opkomst van het zionisme. Ook andere nieuwe opvattingen doen hun intrede. Niet iedereen stelt zich meer tevreden met de traditionele talmoedstudie; de seculiere wetenschap lonkt ook in het sjtetl en blijkt zelfs voor sommige vrouwelijke inwoners aantrekkelijk.

`Het boek leest als een moderne Fiddler on the Roof', roept de flaptekst. Maar terwijl de Amerikaanse musical een verwesterde en geromantiseerde kijk biedt op het sjtetl-leven, doet Nattel nu juist haar best een nuchter en realistisch beeld te schetsen. Ze plaatst zich daarmee in de traditie van de oervader van Fiddler on the Roof, Sjolem Aleichem, en andere Jiddische schrijvers uit zijn generatie. Zij het met extra aandacht voor de dingen die wij sindsdien belangrijk zijn gaan vinden of die toen onbenoembaar waren – de leefwereld van de vrouwen bijvoorbeeld, de relaties tussen man en vrouw, die zich niet altijd tot het echtelijk bed beperkten, en zelfs een ontluikende lesbische verhouding.

Vroedvrouw Misja stond samen met haar drie vriendinnen ooit bekend als `de wilde chajes', vrijgevochten meiden. De een keek stiekem bij het badhuis naar binnen om te zien of er een aantrekkelijke man bij zat. De ander wilde helemaal geen man, de derde wilde veel kinderen en de vierde droomde van een universitaire opleiding. Fejgele trouwt als eerste, met de bakker, en krijgt veel kinderen. Haar vader bracht haar belangstelling voor de moderne wetenschap bij en stelde haar een opleiding in Warschau in het vooruitzicht. Maar hij stierf, en de familie, die toch al weinig op had met die moderne fratsen, maakte een eind aan Fejgele's dromen. Maar ze blijft boeken lezen. Chane-Leije, de mooiste van het stel, trouwt met de slager, die helaas impotent blijkt, ondanks de middeltjes van Misja. Dan is er de beminnelijke Zise-Sore, die met man en dochtertje naar Amerika vertrekt om haar kinderen een betere toekomst te bieden. Ze krijgen een zoon en vinden werk in een textielfabriek. Dochter Emma komt in aanraking met een groep vakbondsactivisten onder leiding van Emma Goldman. Tijdens een arbeidersopstand komen haar ouders allebei door brand om het leven. Emma en haar broertje gaan terug naar Blaszka, naar hun oudtante, die het nodige te stellen krijgt met haar opstandige achternichtje. Onder Emma's leiding knapt een groepje jongeren een verroeste drukpers in het bos op – reliek van een eerdere revolutionaire uitbarsting in het dorp – en begint opstandige pamfletten te drukken. Dat leidt zelfs tot de arrestatie van Fejgele's oudste dochter Ruthele, en dan zien we Blaszka op zijn best. Hoewel menigeen sputtert over het onverantwoordelijke gedrag, doet iedereen zijn best om haar vrij te krijgen. Dat komt neer op het inzamelen van geld om de gouverneur om te kopen. Een vrijwel onmogelijke opgave, maar het lukt.

Een dergelijke blijk van gemeenschapszin zien we ook waar het Misja's zwangerschap betreft. Natuurlijk spreekt het dorp er schande van: een ongetrouwde vrouw die zwanger wordt, zonder te zeggen van wie. Maar Misja is zo'n gerespecteerde figuur in het dorp dat iedereen ongevraagd steun biedt. En als de bevalling zich aandient, op de heiligste dag van het jaar, Jom Kipoer, is één kreet van Misja voldoende om de hele synagoge te laten leegstromen. Want het zal toch niet gebeuren dat Misja haar kind alleen ter wereld brengt.

Nostalgisch, die verheerlijking van de gemeenschapszin? Ongetwijfeld, maar ach, wat is er mis met een beetje nostalgie? Zeker als die vermengd is met zo veel humor en relativeringsvermogen.

Lilian Nattel: De middernachtrivier. Uit het Engels vertaald door Babet Mossel. Meulenhoff, 448 blz. ƒ45,-