Mens en beeld

De titel van dit boek is vragen om moeilijkheden. Flauwe woordspeling en overspannen pretentie tegelijk, dat is gewaagd. Niet alleen de titel, ook de flaptekst wekt hoge verwachtingen. Beloofd worden tien opstellen `over het effect dat `het beeld' in de negentiende en de twintigste eeuw heeft gehad op mens en maatschappij'. We worden permanent belaagd door visuele prikkels, representatie lijkt de directe werkelijkheid steeds meer te vervangen. Dus zijn we nieuwsgierig. `Wat betekent deze visualisering van de wereld voor ons bewustzijn en voor de maatschappij waarin we leven?'

De artikelen van Henri Beunders, hoogleraar geschiedenis van maatschappij, media en cultuur' aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, geven helaas geen antwoord op die vraag. Ze proberen het zelfs niet. De tien `opstellen', tussen 1990 en 1995 verschenen in diverse andere bundels en publikaties, behandelen achtereenvolgens: de vroege film, de introductie van televisie in Nederland en de rol van tv bij de natievorming, de relatie tussen Loe de Jong en de media, nieuws op televisie, emoties op televisie, Nederlandse fellow-travellers in de jaren vijftig, de intolerantie van de politiek-correcte samenleving jegens kunst, en het symbolische verleden van het monument Naatje op de Dam en de Brandenburger Tor in Berlijn. Geen van deze bijdragen ontstijgt het onderwerp zelf, nergens wordt de sprong gemaakt naar het `denken over verbeelding'.

Beunders is zich hiervan bewust. In de inleiding schrijft hij dat de bundel vooral bestaat uit `beschrijvende historische artikelen over de audiovisuele media'. Die keus motiveert hij als volgt: `Omdat media een container zijn geworden waarin zo'n beetje de hele wereld gestopt kan worden, komt onderzoek naar `de media' steeds meer neer op integrale geschiedschrijving, niet alleen van de werkelijkheid maar ook van de fictie. Dit is een schier onmogelijke taak.' Inderdaad, maar iets meer interpretatie en verklaring per gekozen onderwerp had wel gekund. Beschrijving zou bij een dergelijke bundel toch het vertrekpunt moeten zijn, niet het eindpunt.

Beunders bundel biedt daarom slechts handzame recapitulaties van bestaande opvattingen, waar hijzelf weinig aan toevoegt. Hij citeert zo ruimhartig uit klassiekers, kranten en vakliteratuur – de noten beslaan twintig pagina's – dat het lijkt alsof hij tijdens het schrijven vooral met fiches heeft zitten schuiven. In het voorwoord prijst hij zijn professionele dubbelleven in wetenschap en journalistiek, maar in zijn voorzichtigheid toont hij zich veel meer historicus dan journalist. Forse uitspraken worden geschuwd, conclusies ontbreken. Dooddoeners zijn er wel. `De invloed van de media is en blijft, kortom, fascinerende maar uiterst ingewikkelde materie.'

Rondom alle televisie-perikelen uit de jaren vijftig en zestig laat zich in het boek een bescheiden visie op de relatie tussen media en maatschappij destilleren. De boodschap is geruststellend. We zijn weliswaar `gevangenen geworden van een de hele aardbol omspannend medianet', we zien nog steeds wat we willen zien en we laten ons daarin onveranderd sturen door onze emotionele behoeften.

Een opmerkelijke rode draad in de bundel wordt gevormd door de Koude Oorlog en de val van de Muur, die te pas en te onpas tevoorschijn worden gehaald. Dit Muur-fetisjisme bereikt zijn climax in het enige artikel waarin Beunders wat meer Schwung toelaat in zijn stijl en denken, en waarin hij constateert dat niet de overheid maar de politiek-correcte burger tegenwoordig optreedt als censor van onwelgevallige kunst. Als oorzaak van het westerse `chagrijn', op straat leidend tot onverschilligheid en ongevoeligheid, wijst hij op de val van de Muur, ofwel het verdwijnen van onze ideologische zekerheden. Met wat meer van dat soort verbanden was Beunders de (cultuur)filosoof geweest die hij vermoedelijk graag zou zijn.

Henri Beunders: De verbeelding van de wereld/De wereld van de verbeelding. Opstellen. Jan Mets, 270 blz. ƒ39,90