Justitiële inhaalslag bij onderzoek vredesmissies

Het openbaar ministerie Arnhem kijkt opnieuw naar een aantal incidenten waarbij Nederlandse militairen op buitenlandse missies waren betrokken.

Eerst zal een aantal `nieuwe' beschuldigingen van het overrijden van moslims door Nederlandse Dutchbatmilitairen tijdens de val van Srebrenica worden onderzocht. Daarna zijn de mogelijke wangedragingen van Nederlandse VN-militairen in Angola aan de orde. Vervolgens de rol van Nederlandse militairen in Cambodja en Haïti. En als deze onderzoeken zijn afgerond, zal het Arnhemse openbaar ministerie zich opnieuw concentreren op Srebrenica: op het aannemen van geld van moslimvluchtelingen, het verhandelen van wapens en militaire uitrusting, het weigeren van medische hulp, of juist het verlenen daarvan in strijd met de orders van superieuren. Wanneer al deze onderzoeken zijn afgerond, durft persofficier mr. P. Frielink niet meer te zeggen. ,,We hebben heel wat op ons afgekregen.''

Eén onderzoek is in ieder geval klaar. Woensdag maakte minister Korthals (Justitie) in een brief aan de Tweede Kamer bekend dat de zes Dutchbatters die op de avond van de elfde juli 1995 bij het plaatsje Jaglici met een YPR-pantserwagen op vele tientallen moslims zouden zijn ingereden, niet strafrechtelijk zullen worden vervolgd. Volgens het OM valt na vier jaar niet meer aan te tonen dat bij het incident daadwerkelijk doden of gewonden zijn gevallen. Verder oordeelt het OM dat, áls er inderdaad slachtoffers gevallen zijn, dit de militairen niet aangerekend kan worden.

Het Arnhemse OM is bezig met een inhaalslag. Op 13 augustus van het vorige jaar liet minister De Grave (Defensie) aan de Tweede Kamer weten dat de duizenden pagina's uitgetypte verslagen van de gesprekken die Defensie in het najaar van 1995 voerde met 460 Dutchbatmilitairen, door het OM zouden worden uitgepluisd. De volstrekt ontoereikende samenvatting ervan, die was weergegeven in het zogenoemde debriefingsrapport van 1995, was in de nieuwsarme zomer opnieuw gaan opspelen.

Aanleiding voor het debriefingsrapport was een onderzoek van de marechaussee in 1995 naar het mislukken van een fotorolletje van toenmalig luitenant P. Rutten, die tijdens de val van de moslimenclave geëxecuteerde moslimstrijders had gefotografeerd. In een `managementrapportage' beschreef de marechaussee het ongenoegen van Rutten en vier andere Dutchbatters over het functioneren van de leiding en de rol van andere Nederlandse VN-militairen, die zouden hebben geholpen bij het afvoeren van moslimmannen door de Bosnische Serviërs.

Toenmalig bevelhebber Fabius van de marechaussee meldde de inhoud van het rapport aan het Arnhemse OM, dat belast is met militaire strafzaken. Maar toenmalig officier van justitie Besier zag geen aanleiding tot een onderzoek over te gaan.

Voorhoeve, destijds minister van Defensie, zag dat anders: na een gesprek met Fabius gaf hij opdracht tot debriefing van de 460 Nederlandse VN-militairen die bij de val van de Srebrenica betrokken waren geweest. De summiere samenvatting hiervan kon echter noch de pers, noch de Tweede Kamer tevreden stellen. In 1996 gaf Voorhoeve daarom het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (inmiddels omgedoopt tot NIOD) opdracht de omstandigheden rond de val van de enclave uitgebreid te onderzoeken.

In 1996 werd het incident bij Jaglici opnieuw aan de orde gesteld door humanistisch raadsman Hetebrij, de vertrouwensman van de YPR-bemanning. Nadat overleg was gevoerd tussen Fabius, Voorhoeve en Besier werd vastgesteld dat het niet om nieuwe feiten ging: het overrijdingsincident was immers al in het debriefingsrapport - zij het nogal verhuld - aan de orde gesteld. Niet-aflatende kritiek van Tweede-Kamerlid Hillen (CDA) en vasthoudendheid van de televisierubriek Nova leidden in de zomer van 1998 tot hernieuwde aandacht voor het dossier-Srebrenica. Nova maakte voor het eerst melding van het bestaan van de managementsrapportage en haalde de inmiddels tot kapitein bevorderde Rutten in de uitzending. In de pers werd melding gemaakt van het `kwijtraken' van een dagboek van een Nederlandse VN-militair in Angola, die verhaalde van misdragingen van Nederlandse militairen. Eind juli deed Nova met succes een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur over inzage in het debriefingsgesprek met de sergeant die de YPR bij Jaglici had bestuurd.

Minister De Grave koos vervolgens voor de frontale aanval. Een commissie onder leiding van de Noord-Hollandse commissaris van de koningin Van Kemenade constateerde dat van een `doofpot' bij Defensie geen sprake was geweest. Tegelijkertijd kreeg het Arnhemse OM niet alleen de opdracht om de onderliggende documenten van het debriefingsraport opnieuw door te spitten, maar ook om eventuele strafbare feiten van Nederlandse militairen bij andere missies te onderzoeken.

Begin dit jaar besloot de Tweede Kamer tot een beperkt onderzoek naar de politieke besluitvorming rond het uitzenden van troepen naar Srebrenica. Het Arnhemse OM zit intussen opgezadeld met een hoeveelheid werk die voorlopig nauwelijks is te overzien.