Jongen met een wankel hoofd

Martin Schouten had zijn Van der Lubbe-biografie bij de eerste druk in 1986 Verzamelde Werken van Marinus van der Lubbe willen noemen, maar zag daar vanaf om verwarring te voorkomen. Toch is het een heel adequate titel voor dit boek, waarvan de derde, herziene en geactualiseerde druk verschenen is, niet lang nadat op 13 januari van dit jaar (zijn negentigste geboortedag) een gedenksteen op Van der Lubbe's graf in Leipzig werd onthuld. Ongeveer een derde van de biografie bestaat uit werken van Van der Lubbe, en wel brieven, een reisdagboek en de bekentenis die hij aflegde tegenover de politie. De rest van het boek beschrijft zijn leven, dat gedomineerd wordt door zijn voornaamste en raadselachtigste werk: de brandstichting in het Berlijnse Rijksdaggebouw, op 28 februari 1933, bedoeld als het signaal voor de linkse opstand waarvoor hij later ter dood werd veroordeeld.

Deze daad, verricht op 24-jarige leeftijd, bepaalt natuurlijk in sterke mate elke biografie die over de dader geschreven wordt. Marinus van der Lubbe is geheel samengevallen met zijn rol als brandstichter, met `een daad van tien minuten' die niets te beduiden heeft, zoals hij zelf zei, `maar datgene wat daarna gekomen is, dat heb alles te beduiden. Dat kan ene persoon niet omvatten.' Van der Lubbe, onthoofd op 10 januari 1934, ontbeerde het postuur om zijn historische rol te vervullen, om de consequenties van zijn daad te torsen. Hij is de wereldgeschiedenis ingewandeld met een doosje lucifers en wat aanmaakblokjes, en vreemd genoeg is zesenzestig jaar later de strijd over de precieze toedracht van de brand nog steeds niet helemaal uitgewoed.

Het belang van Schoutens biografie bestaat er onder andere uit dat de persoon van Van der Lubbe in de juiste verhouding tot de brand en de gevolgen wordt geplaatst. Schouten noemt dit levensverhaal dan ook terecht een `tragedie waarin een kleine man zijn verantwoordelijkheid probeerde te nemen en het aflegde tegen de machten en krachten van zijn tijd'. Ook de biograaf ontsnapt er niet aan stelling te nemen in het eeuwigdurende Van der Lubbe-debat. Reeds in de eerste druk schaarde Schouten zich achter de Duitse historicus Fritz Tobias, die in 1962 in zijn boek Der Reichstagbrand. Legende und Wirklichkeit concludeerde dat Van der Lubbe de brand alleen had gesticht. `Sindsdien is de Tobias-versie in het Westen de gangbare.' In de Oostbloklanden wilde men nu eenmaal graag vasthouden aan het idee dat de nazi's Van der Lubbe tot brandstichting gedwongen hadden, om de erop volgende razzia's op communisten de schijn van legitimiteit te geven.

Voor de derde editie van zijn boek heeft Schouten kunnen putten uit nieuw materiaal, zoals de oorspronkelijke stukken en zelfs geluidsopnamen van het Rijksdagbrandproces en een paar onbekende brieven van Van der Lubbe. Dit alles ten spijt blijft het uitgangspunt geldig `dat Van der Lubbe op zijn woord kon worden geloofd toen hij zei dat hij de brand op zijn eentje had gesticht'. De auteur concludeert verder dat in de toekomst waarschijnlijk geen nieuw materiaal meer boven water zal komen, en dat zijn boek eindelijk af is. Toch noemt hij het boek met enig voorbehoud `een' biografie.

Hoezeer het uitgangspunt van het boek ook berust op feitenmateriaal, toch vraag ik me af of er überhaupt een ander uitgangspunt mogelijk was bij het schrijven van deze biografie. De hele tragedie valt of staat namelijk met het antwoord op de vraag of Van der Lubbe alleen en uit eigen overtuiging de Rijksdag binnenging of niet. Het uitgangspunt van Schouten is, even los van de waarheid ervan, de enige die het beetje heldendom dat Van der Lubbe aankleeft intact laat.

Dat dat beetje heldendom na zesenzestig jaar van relatieve stilte in Nederland (als je het aantal Duitse publicaties over de Rijksdagbrand vergelijkt met de Nederlandse) de laatste tijd zo'n golf van min of meer artistieke reacties heeft losgemaakt, is opmerkelijk. Schilderijen, een documentaire, een toneelstuk, rocknummers en maaltijden werden er gewijd aan de man die in de Duitse geschiedschrijving lange tijd slechts terloops werd aangeduid als ein Holländer. Waarom hebben we `Rinus', zoals sommigen hem liefkozend aanduiden, zo hard nodig?

Van der Lubbe vertegenwoordigt het type van de idealistische jongere. Hij onderscheidt zich echter doordat hij zijn idealen ook in een daad omzette, die bovendien de geschiedenis een flinke duw in de verkeerde richting gaf. Zijn goede bedoelingen leidden vrijwel meteen tot kwalijke gevolgen – al heeft hij de volle omvang daarvan niet kunnen beseffen – en daarmee is zijn leven de uitvergroting van een drama dat zich bij jongeren van iedere generatie opnieuw afspeelt: de teloorgang van idealen in een boze wereld. Wellicht dat Van der Lubbe daarom vooral mensen aanspreekt die een periode van links activisme van de jaren zestig tot begin jaren tachtig achter de rug hebben. Ze storten zich nu op zijn nagedachtenis uit een soort halfslachtige nostalgie. In de zaak Van der Lubbe vinden ze het in korte tijd opvlammen en uitdoven van hun idealen, die zich slecht bleken te verdragen met de praktische eisen van het bestaan.

Ik kan me althans nog geen jongere voorstellen met een Lubbe-t-shirt of Lubbe-button, en de biografie van Schouten zal daar gelukkig niet veel aan veranderen. De soms wat nostalgische toon (`Leiden. Dat was de vochtige damp van langgedragen kleren en goedkope tabakslucht in de Graanbeurs'), zal de Van der Lubbes-van-nu weinig aanspreken. Gebrek aan historisch bewustzijn is nu eenmaal een voorwaarde voor het voortleven van idealen.

Martin Schouten: Marinus van der Lubbe. Een biografie.

De Bezige Bij, 332 blz. ƒ42,50