Is de NAVO in oorlog?

Voor de term `oorlog' is geen plaats meer in het volkenrecht, dus spelen oorlogvoerende partijen verstoppertje met de taal en met het recht.

Zijn Servië en de NAVO nu met elkaar in oorlog? Deze vraag ligt de laatste dagen op ieders lippen. Toch getuigt hij van een zekere volkenrechtelijke naïviteit, een droombeeld van oorlogsverklaringen en witte vlaggen en als het even kan spoedig een vredesverdrag. In de Middeleeuwen gold een oorlog zonder verklaring als perfide. Ook Hugo de Groot beschouwde een formele oorlogsverklaring als een belangrijke voorwaarde in zijn beroemde leer van de gerechtvaardigde oorlog (iustum bellum).

Deze gedachte is in onbruik geraakt, noteert de moderne volkenrechtelijke encyclopedie droogjes. Er kunnen oorlogen worden verklaard zonder dat directe vijandelijkheden volgen (de zogeheten drôle de guerre tussen Frankrijk en Duitsland in 1939) en oorlogen kunnen eindigen zonder formeel vredesverdrag (de Tweede Wereldoorlog). Sommige theoretici hebben het beslissende kenmerk gezocht in de bedoeling (animus) van de aanvaller. Een bijna honderd jaar oud Brits vonnis noemt juist beslissend of de aanval door de tegenpartij wordt opgevat als een vredebreuk. Oorlog? Vraag het liever aan Miloševic.

In de moderne geschiedenis zijn er verschillende voorbeelden van internationale gewapende conflicten die door één van de partijen werden bestempeld tot oorlog: de Frans-Britse actie in Suez, de strijd tussen India en Pakistan in 1965 en 1971 en de oorlog tussen Iran en Irak (1980-1988). Alweer is de volkenrechtelijke encyclopedie niet onder de indruk: dit waren verklaringen voor intern gebruik en geen geldige oorlogsverklaringen.

Zelfs binnen één land kan verschillend worden gedacht over de staat van oorlog. De strijd in Korea werd door een Amerikaanse rechter aangemerkt als een oorlog toen het ging om opvang van de veteranen, maar een andere Amerikaanse rechter wees de term af in een verzekeringszaak (oorlogsschade is als `molest' veelal uitgezonderd).

Er wordt van oudsher verstoppertje gespeeld met de term oorlog. Illustratief is de Slag bij Navarino (1827) waarin de Turkse vloot door een gecombineerde Brits-Frans-Russische zeemacht werd vernietigd toen zij de blokkade van Griekse havens probeerde te doorbreken die deze landen hadden gelegd om de vrijheidsstrijders te steunen. Na de slag verzekerden alle partijen elkaar van hun wens dat ,,de vrede'' zou voortduren.

Het probleem is natuurlijk dat oorlog zoveel verschijningsvormen kent, van sanctie tot blokkade tot regelrechte aanval. ,,Er is geen midden tussen oorlog en vrede'', zei Hugo de Groot in navolging van Cicero. Was het maar zo eenvoudig. De internationale politieke geschiedenis wemelt dan ook van het verhullende taalgebruik: `quasi-oorlog', `eenvoudige vijandelijkheden' of `incident' (zoals Japan in de jaren dertig de operaties in Mantsjoerije en China noemde).

Behalve in de preambule komt de term `oorlog' niet meer voor in het hele Handvest van de Verenigde Naties. Dit Handvest bevat wel een categorisch verbod van geweld in de internationale betrekkingen – tenzij de Veiligheidsraad zelf op grond van zijn bijzondere bevoegdheden krachtens Hoofdstuk 7 oproept tot een gerechtvaardigde strijd. Dit geweldsverbod heeft inmiddels ,,net zoveel gelijkenis met de werkelijke wereld als een kaart van Magelhaen'', bromde een Amerikaanse volkenrechtsjurist meer dan tien jaar geleden.

De grote volkenrechtsgeleerde Lauterpacht heeft uit het Handvest geconcludeerd dat er voor oorlog geen plaats meer is in het internationale recht. Maar dat gaat niet op, getuige de herlevende aandacht voor het humanitaire oorlogsrecht. Dit veronderstelt het uitbreken van oorlogen. Het geweldsverbod van het Handvest is ook niet absoluut, getuige het lastige leerstuk van de vergeldingsmaatregelen. Militaire represailles zijn volgens het standaardwerk van de Leidse volkenrechtsgeleerde Kalshoven uit 1971 inderdaad een lastig kluifje voor het recht. Het zijn maatregelen die op zichzelf niet zijn toegestaan maar waarvan de onrechtmatigheid wordt weggenomen doordat zij zijn gericht tegen een eerder gepleegde onrechtmatige daad van de ander. In het geval van Miloševic moet de onrechtmatigheid vooral komen van resoluties van de Veiligheidsraad. Deze eiste op 23 september vorig jaar – met een beroep op het zware Hoofdstuk 7 van het Handvest – een eind aan de onderdrukking van de burgerbevolking in Kosovo en ,,effectieve en voortdurende monitoring'' door de Europese Unie en buitenlandse diplomaten. Over stationering van NAVO-troepen rept de resolutie niet.