Het IOC zal alleen op hoofdpunten reorganiseren

Na de recente schandalen heeft het IOC weer verschillende commissies ingesteld om het blazoen te zuiveren. Volgens Ruud Paauw leert de ervaring uit het verleden dat hier niet te veel van moet worden verwacht. Het IOC buigt als het riet in de wind en veert ongebroken terug.

Op de vergadering van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) in 1948 stelde de 48-jarige Lord Arhur Porritt (lijfarts van de Britse koningin, als atleet winnaar van de bronzen medaillle op de 100 meter in 1924) zijn collega's voor een maximumleeftijd voor het lidmaatschap in te stellen. Tot dan konden zij hun zetel in het IOC net zo lang bezet houden als zij wilden. Porritt die wat al te veel bejaarden rond zich ontwaarde, stelde voor de streep te trekken bij 70 jaar. In een bui van opmerkelijke inschikkelijkheid gingen de IOC-leden zowaar akkoord. Het voorstel kreeg zelfs een forse meerderheid. Maar een dag later ontdekte de 71-jarige Griek Bolanaki (hij zou met een lidmaatschap van 53 jaar recordhouder in het IOC worden) in de reglementen dat zo'n besluit een tweederde meerderheid vereiste. En daarvoor ontbrak één stem. Daarop werd de kwestie in handen gegeven van een commissie. Die kwam een jaar later terug met een kleine wijziging op Porritts voorstel. Tot de IOC-leden was inmiddels doorgedrongen dat zij aan hun eigen stoelpoten zaten te zagen. Dit keer wilden zij niets meer van een leeftijdslimiet weten: ervaring telde immers meer dan jeugd.

Een andere commissie mocht er jarenlang verder mee stoeien. In 1966 kwam eindelijk een leeftijdslimiet: 72 jaar, met dien verstande dat die beperking niet gold voor de al zittende leden. Onder IOC-president Samaranch werd van die 72 jaar, `toch wel erg jong', eerst 75 jaar gemaakt en een paar jaar terug op werkelijk onnavolgbare wijze 80 jaar. En zo zijn we dus zo goed als terug bij af.

Dan was er die andere IOC-commissie die jarenlang in de weer was om het olympisch programma kritisch te bekijken. Het was allemaal te veel en te vol, vonden de heren. Daar moest paal en perk aan worden gesteld. Het enige gevolg van hun werkzaamheden was dat het programma onstuimig groeide en nog steeds groeit.

Met deze voorbeelden wil maar gezegd zijn dat commissies, ingesteld door de olympische beweging, lang niet altijd de uitkomst geven die er algemeen van wordt verwacht. Na de schandalen die het IOC onlangs hebben getroffen, zijn weer met grote voortvarendheid commissies gevormd: een ethische commissie die de fatsoensnormen van IOC-leden in de gaten moet houden en een commissie `IOC 2000', die het bestuurlijke olympische bouwsel, in velerlei opzicht nog stammend uit het oprichtingsjaar 1894, met de nodige hervormingen moet toerusten voor de volgende eeuw. Vooral die laatste commissie zal heel wat te verstouwen krijgen als men ziet wat in tal van publicaties zoal aan veranderingen wordt verlangd:

– Andere wijze van verkiezing van de stad waar de Spelen worden gehouden. Openbaarheid van de stemming.

– Beperking van de zittingsduur van IOC-leden. Terugbrenging van de maximum-leeftijd van de leden.

– Beperking van de macht van de president, zeker waar het de benoeming van IOC-leden betreft. Beperking van het aantal jaren dat hij aan het bewind kan zijn tot acht jaar.

– Niet langer benoeming van IOC-leden krachtens coöptatie, maar langs democratische weg.

– Opheffing van de beslotenheid van IOC-vergaderingen.

– Meer invloed van de nationale olympische comités op het beleid.

– Openheid over het financiële reilen en zeilen van het IOC.

Het is een hele waslijst en het is duidelijk dat inwilliging ervan de structuur van het IOC tot in zijn grondvesten zou aantasten. Daar zal het dan ook niet van komen. Het begint er al mee dat de commissie `IOC 2000' wordt voorgezeten door president Samaranch. Een aanwijzing dat de pap niet zo heet zal worden genuttigd als zij nu op het vuur staat. Van Samaranch kan, na een bewind van twintig jaar in de oude, autoritaire stijl, niet worden verwacht dat hij alles overhoop zal willen halen. Dat zou een te schril licht werpen op zijn eigen periode.

In de commissie zitten naast IOC-leden (in wier aanwijzing de president wel wat te zeggen zal hebben) ook buitenstaanders. Dat is nog niet eerder voorgekomen en zeker een voordeel. Maar welke lieden zal men daar, als alle lawaai wat is verstomd, voor kiezen?

`IOC 2000' zal uitdraaien op een reorganisatie op hoofdpunten, met het accent op een grondige wijziging van de procedure betreffende de uitverkiezing van de stad waar de Spelen worden gehouden. Dat is ook de zaak die de meeste publiciteit trekt. Voor de aanwijzing van de plaats voor de Winterspelen van 2006 heeft men trouwens nu al strikte richtlijnen laten uitgaan.

Een zekere beperking van het mandaat van de president en een limiet aan het aantal jaren van het IOC-lidmaatschap vallen ook nog wel binnen de verwachtingen. Maar aan het coöptatie-beginsel zal stellig niet worden getornd. Men is en blijft gesteld op een `eigen familie'. Het nogal eens door politici geopperde idee dat het IOC een soort Verenigde Naties voor de sport moet worden, zal niet eens de agenda bereiken. In IOC-kringen is men daar eenvoudig allergisch voor. En laten we wel wezen: met een VN voor de sport haal je alleen maar nieuwe problemen in huis.

Van de rest van de hiervoor aangevoerde punten moet worden gevreesd dat ze straks op z'n gunstigst worden doorgeschoven naar weer andere commissies en de vraag is of je er dan nog ooit wat van zult horen.

Bij alles moet bovendien in het oog worden gehouden dat veranderingen een tweederde meerderheid van de IOC-vergadering vereisen. En de heren en weinige dames zullen zich niet alles laten aanleunen. Veranderingen, ja, maar met mate. In deze gelederen heeft men het niet op revoluties.

Een wat duistere factor op de achtergrond is de houding van de grote sponsors van het IOC die vele miljoenen in de olympische gelederen pompen. Met luide stem hebben enigen van hen hun ontevredenheid betuigd over de huidige gang van zaken. Ook zij eisen hervormingen, maar wat hen daarbij nu precies voor ogen staat, is niet duidelijk. Zij zullen nog wel andere noten op hun zang hebben dan louter een transparanter IOC.

Niet alles wat het IOC doet of waar het voor staat, is beroerd of ondeugdelijk, al heeft dat er in de huidige discussie veel van weg. Niet ieder IOC-lid is een geldwolf of een profiteur. Reeds meer dan een eeuw zorgt het IOC er voor dat het grootste spektakel dat de wereld kent, in stand blijft en gezien de omvang met opmerkelijk weinig incidenten. Het IOC overleefde ondanks tal van sceptische geluiden twee wereldoorlogen, het vond zijn weg in talloze delicate politieke kwesties (bijvoorbeeld de twee Duitslanden, de twee China's, de twee Korea's, Zuid-Afrika) en doorstond pijnlijke, door de politiek gelanceerde boycotacties bij de Spelen van 1976, 1980 en 1984.

Het IOC is als riet, het buigt in de storm en veert daarna ongebroken terug. Zo is het steeds gegaan en zo zal het ook nu gebeuren.

R.D. Paauw is oud–archivaris van het IOC.