Het geheim van het grammaticaboek

In 1981 publiceerde de Franse schrijver en cineast Alain Robbe-Grillet een leerboek Franse grammatica bij een bekende educatieve uitgeverij in New York. In hetzelfde jaar verscheen in Frankrijk dezelfde tekst bij uitgeverij Minuit, met op de omslag de aanduiding roman – zijn eenentwintigste.

Alain Robbe-Grillet (77), die oorspronkelijk landbouwkundige is en gespecialiseerd in ziekten bij bananenbomen, publiceerde in de jaren vijftig zijn eerste boeken: Les gommes (1953), Le voyeur (1955) en La jalousie (1957). Vooral zijn tweede boek lokte veel discussie uit en schrijvers-denkers als Roland Barthes en Maurice Blanchot wijdden er essays aan. Bij het grote publiek was zijn naam al snel bekend, maar slechts weinigen hadden ook werkelijk zijn boeken gelezen of zijn films gezien (L'année dernière à Marienbad, L'Immortelle).

Voor velen was Robbe-Grillet de fédérateur van de Nouveau Roman, een heterogene groep auteurs die, geïnspireerd door de kubisten, de surrealisten en schrijvers als Kafka en Faulkner, experimenteerden met een nieuwe manier van schrijven en de Franse roman een radicaal ander gezicht gaven. Het moest afgelopen zijn met de klassieke vorm van de roman à la Balzac, waarin je `personages ziet handelen en leven', zoals Nathalie Sarraute in 1956 schreef in L'Ere du soupçon. De nouveau romancier besefte `dat hij geen enkel stukje waarheid kon overdragen. Hij probeerde nieuwe vormen te bedenken, niet om de waarheid weer te geven, maar om een architectuur te scheppen voor een wereld die gefragmenteerd, van tijdelijke aard en in beweging is', aldus Robbe-Grillet in 1972.

De onlangs in het Nederlands vertaalde tekst die in Amerika verscheen onder de titel Le rendez-vous en in Frankrijk als Djinn, un trou rouge entre les pavés disjoints, is een fascinerende, korte roman, die bij uitstek duidelijk maakt welke literaire vorm Robbe-Grillet in gedachten had. Of je het nu leest als leerboek of als roman, het is in beide gevallen intrigerende lectuur.

Vanuit grammaticaal oogpunt gezien, introduceert Robbe-Grillet in ieder volgend hoofdstuk een nieuwe categorie Franse werkwoorden. Het eerste hoofdstuk is geheel in de tegenwoordige tijd geschreven, het tweede illustreert de voltooid tegenwoordige tijd en pas daarna volgen ingewikkelder zaken als de wederkerige werkwoorden en de aanvoegende wijs – een volgorde die in de uitstekende Nederlandse vertaling om begrijpelijke redenen niet kon worden aangehouden, maar waarmee toch een wezenlijk aspect van Djinn als schoolboek verloren ging.

Terwijl de grammaticaregels helder en duidelijk worden toegepast, is de betekenis van de tekst, inhoudelijk, allesbehalve doorzichtig. In zijn proloog onderstreept de auteur zelf ook de ambiguïteit van zijn tekst en suggereert dat je `het zogenaamde onderwijsdoel als een alibi kunt zien, als iets waarachter iets anders moet schuilgaan. Maar wat?'.

Het eerste hoofdstuk begint met een vreemde ontmoeting in een loods. De ik-persoon, Boris, heeft er een afspraak met iemand die, via een advertentie, een baan heeft aangeboden. Wie dat is en om wat voor baan het gaat, is onduidelijk. Boris richt zich tot de persoon die hij in de loods aantreft. Het blijkt een meisje te zijn, dat hij eerst voor een man aanziet: `het is geen Jean, maar Djinn. Ik ben een Amerikaanse'. Vervolgens blijkt het geen man en ook geen vrouw te zijn, maar een plastic etalagepop, die spreekt via een verborgen luidspreker. In het universum van Robbe-Grillet is niets wat het lijkt. Tussen oorzaak en gevolg bestaat geen logisch verband en iedere vorm van coherentie is ver te zoeken. Wat overblijft is de illusie van een verhaallijn, een getruct spel tussen werkelijkheid en schijn. In Rimbauds gedicht `Le dormeur du val' ligt een jonge soldaat in een vallei te slapen. Pas in de laatste regel is sprake van deux trous rouges au côté droit (twee rode gaten in zijn rechterzij) en blijkt de soldaat dood te zijn.

Zo zit ook Djinn vol met gezichtsbedrog en valse schijn. Gangbare beelden worden gemanipuleerd, dialogen hebben een dubbele bodem, spiegels reflecteren niet dat wat ze zouden moeten weerschijnen en soms worden dezelfde tekstpassages herhaald, zodat je in een kring lijkt rond te lezen. De personages in het boek hebben een naam (soms twee), gaan (vaak onbewust) ergens naar toe en komen uiteindelijk weer uit bij het punt van vertrek – maar inmiddels is daar alles anders. Ze bewegen zich in een magisch-realistische wereld, die het best te vergelijken is met schilderijen van de surrealisten Delvaux en Magritte, met wie Robbe-Grillet zich nauw verwant voelde.

Ook in hun werk spelen objecten uit het dagelijks leven een grote rol. In Djinn zijn dat bijvoorbeeld een witte stok, een houten kruis en een fotolijst met een palmtakje eronder, waarvan de foto steeds een ander beeld reflecteert. Aan de lezer te bedenken wat er de betekenis van is. `Ieder mens moet de dingen om hem heen opnieuw bedenken. Het enige contact dat de mens met de dingen kan onderhouden is via de verbeelding', aldus Robbe-Grillets tijdgenoot, de surrealist Joë Bousquet.

Robbe-Grillet houdt dan ook altijd iets voor de lezer verborgen. Hij noemt zijn boeken piégé, vol valstrikken, die de lezer laten struikelen en hem op een dwaalspoor zetten. Niet zelden hebben Robbe-Grillets boeken iets weg van een detective, een spionageroman of sciencefiction. Ook in Djinn is er op de eerste bladzijden al sprake van `oude detectivefilms uit de jaren dertig' en van een gezicht dat `door de bril tussen de omhooggeslagen kraag van de regenjas en de over het voorhoofd getrokken hoedrand' niet helemaal zichtbaar is.

Na zijn raadselachtige ontmoeting in de loods, wordt de zwerftocht van Boris zorgvuldig, van minuut tot minuut, beschreven: het cafébezoek waar de pizza die op de kaart staat niet wordt geserveerd, de ontmoeting met de jongen die struikelt over de losse straatstenen en voor dood in een rode plas blijft liggen, het eigenaardige gesprek met het feeënkind en de bijeenkomst van een milieuorganisatie, waarvoor hij nu werkt, en waar hij geblinddoekt naar toe wordt geleid.

Boris verdwaalt in een labyrint van herinnering en `toekomstherinnering', van `directe werkelijkheid en schijnwerkelijkheid'. Hij stoot tegen loszittende stenen en trapt in onzichtbare gaten. Op een gegeven moment knijpt hij zich in een oor om `te vechten tegen de duizeling waar dit dooreenlopen van ruimte en tijd zijn rede aan blootstelde'. Uiteindelijk verdwijnt hij spoorloos. Hij lost op in het niets. Het hoe en waarom blijft je nog dagen bezighouden.

Alain Robbe-Grillet: Djinn. Een rood gat tussen de losse straatstenen. Uit het Frans vertaald door Willem Desmense. IJzer, 109 blz. ƒ32,50