Het eeuwig gesnak naar de ziel

Je zult toch als Moskou Ivanovna Tsjestnova door het leven moeten gaan!

Die naam heeft de heldin van Andrej Platonovs onvoltooide roman De gelukkige Moskou (1933) in een kindertehuis in Moskou gekregen, waar ze vlak na de Revolutie als een weesmeisje zonder naam en zonder herinneringen belandde. Behalve deze overweldigende naam schonk Platonov haar een blakende gezondheid en een prachtig lichaam met zo'n krachtig hart, dat `als de muggen en de vlinders op de voorkant van Moskous jak neerstreken, ze meteen wegvlogen, omdat ze schrokken van het gebons van het leven in haar machtige en warme lichaam.'

Omdat Moskou van `de wind in de lucht en van nog het een en ander' houdt, gaat ze naar een luchtvaartschool, door een man geholpen met wie ze toevallig op een boulevard kennis had gemaakt en die, net als vele andere, ten prooi valt aan haar verpletterende schoonheid. Het wordt niets tussen Moskou en die man. Ook met andere mannen die Moskous pad zullen kruisen, wil het niet lukken. Een veelbelovende chirurg Sambikin, een talentvolle jonge ingenieur Sartorius, een oudere melancholieke man die ze in een restaurant ontmoet, en al die talrijke lieden die zo graag kinderen bij haar willen verwekken, allemaal blijven ze met een gewond hart achter. Als Moskou tijdens haar werk in de metro – inmiddels is ze uit de hemel in een metroschacht afgedaald waar ze zich als mijnwerkster voor de mensheid nuttig maakt – haar been verliest, lijkt het, of ze even rust vindt bij de uitgebluste reservist Komjagin. Maar ook dit samenzijn duurt slechts kort, ze verlaat hem en verdwijnt opeens uit het verhaal. In de slotepisode verschijnt ingenieur Sartorius weer ten tonele, die door zijn langdurige liefdesverdriet uitgemergeld, als een ander mens door het leven wenst te gaan. Hij koopt een paspoort op de markt en verandert in Ivan Stepanovitsj Groenjachin, winkelbediende en reservepelotonscommandant, waarna hij trouwt en een nieuw leven begint, waar geen plaats meer is voor verdriet en vreugde. En hiermee eindigt deze wonderlijke liefdesroman.

De verhaallijn van De gelukkige Moskou is eerder bizar dan spannend of spectaculair. De lezer wordt voortdurend geconfronteerd met onverwachte ontwikkelingen en personages die op het eerste gezicht uit de lucht komen vallen. Er wordt weinig of niets uitgelegd. De enige logica die de snel op elkaar volgende gebeurtenissen verbindt is die van de ziel, een niet geringe complicatie want, zoals één van de personages opmerkt, `het is nog niet met zekerheid vastgesteld, dat een ziel een algemeen voorkomend verschijnsel is.' Je zou kunnen zeggen dat Moskou het verbindende element van het verhaal vormt, maar ook zij verdwijnt en verschijnt op de meest onverwachte momenten. Schokkerig en struikelend baant het verhaal zich een weg door de taaie materie van de taal, van enige souplesse is geen sprake, de meeste zinnen zijn zo onconventioneel dat je na het lezen ervan zelf bijna geen woord meer durft op te schrijven omdat alles hierna een cliché lijkt. En al die ongeslepen brokken proza vallen samen in zo'n volmaakt patroon, dat het het effect van een openbaring heeft.

De voornaamste gevoelens waardoor de zielen van de personages geteisterd worden, zijn die van wanhoop, verdriet, schaamte, angst of uitzinnige vreugde, de voornaamste toestanden waarin de personages verkeren, zijn die van leegte, gekte, uitputting, onverschilligheid, roes of kortstondig seksueel genot.

En allemaal zijn ze het slachtoffer van `de vunzige natuurkracht', behalve Moskou zelf die de belichaming is van die kracht. De extatische dadendrang van de personages is verbijsterend. Ze slapen en eten nauwelijks, ze zijn constant opgewonden omdat ze steeds onmiddellijk iets willen ondernemen of ze vallen van uitputting in hun kleren op bed neer, nadat ze zich weer voor de mensheid nuttig hebben gemaakt. Universeel geluk en algemene vreugde, niets meer of minder is het doel van hun bestaan en daarvoor moet de stratosfeer veroverd worden, de sterren gewogen, het levenselixer gemaakt of de sprakeloosheid tussen de volkeren door middel van Esperanto overwonnen. Hoe krankzinniger het project des te groter is de arbeidseuforie. En toch is niemand gelukkig in De gelukkige Moskou. Terwijl een nieuwe stralende wereld wordt opgebouwd waarin vrouwen als Moskou rondlopen, blijft het hart zwak en vervuld van oude gevoelens en zucht de ziel, die zich volgens Sambikin in de leegte tussen de darmen en de dikke darm bevindt, onder de last van het mens zijn. Ook de liefde biedt geen uitkomst: die bestaat of uit `geiligheid' waar mannen en vrouwen zich vreugdeloos aan overgeven, of uit de hopeloze hunkering naar `het geheim van het wederzijds bestaan'.

En hoe staat het met het geluk in eigen persoon? Moskou wil en kan niemand toebehoren behalve de nieuwe wereld van het socialisme, maar ook zichzelf behoort ze niet toe: door haar Moskou te noemen heeft Platonov haar tot openbaar bezit gemaakt van de Sovjet-staat. Ze heeft ook niets en niemand behalve de Staat, geen familie, geen persoonlijk bezit, geen eigen woning en zelfs haar ragfijne jurk van de beste zijde is haar door de Staat geschonken. Herinneringen worden haar evenmin gegund, het enige beeld uit haar verleden is een vluchtende man met een brandende fakkel. Moskou die de verpersoonlijking is van het nieuwe abstracte geluk van het communisme, wordt er zelf slachtoffer van. Dapper bindt ze de strijd aan tegen de banaliteit van het leven en verliest uiteindelijk haar been. Mismaakt, maar nog steeds begeerlijk, verdwijnt ze vervolgens spoorloos in het communistische Moskou.

Hoewel ook deze roman van Platonov `bevolkt is door rare snuiters' is het veel meer dan alleen maar een satire op het Sovjet-leven.

Als niemand anders laat Platonov in zijn boek de extreme aard van de Russische mens zien, zijn eeuwige onrust en reflectie, zijn onbestemde verlangen naar hoger sferen, en niet in de laatste plaats zijn minachting voor het geluk dat in kleine dingen kan liggen. Verlaten door God die hij nooit heeft gekend – want alle herinneringen uit het verleden zijn uit de nieuwe wereld verbannen of belachelijk gemaakt – is hij aan de willekeur van een krankzinnige staat overgeleverd. Met het motief `naakte mens versus absurdistische staat' plaatst Platonov zich in één rij met de Europese existentialisten, maar dan wel als een zeer Russische variant met dat eeuwige `gesnak naar de ziel'. Een ander existentialistisch motief dat een zeer belangrijke rol bij Platonov speelt is `vervreemding'. Mensen zijn niet alleen hopeloos vervreemd van elkaar maar ook van zichzelf. Het idiote is dat dit haast de enige manier blijkt te zijn om in deze nieuwe wereld te overleven: als de pijn niet meer te verdragen is dan kun je nog altijd in een ander mens veranderen en een leven beginnen dat niets met je vroegere leven te maken heeft.

De wereld van De gelukkige Moskou is des te onthutsender, als je bedenkt dat Platonov waarschijnlijk niet de bedoeling had om het Sovjet-leven `zwart te maken'. In de jaren dat hij aan dit boek werkte, probeerde hij zich juist in de ogen van de Staat te rehabiliteren. Het was zijn muze die het sprookje over de ideale proletarische liefde hopeloos verknalde en genadeloos afrekende met de in Rusland nog steeds populaire mythe van de uitverkorenheid van het Russische volk.

Of hij zelf van zijn boek geschrokken is weet ik niet, in ieder geval heeft hij nooit geprobeerd om De gelukkige Moskou, dat waarschijnlijk het eerste deel van een grote roman zou moeten zijn, uitgegeven te krijgen. In deze uitgave is ook een ander onvoltooid fragment opgenomen, Een technische roman waarin Platonov op een tragikomische wijze het bizarre leven op het communistische platteland laat zien.

Komende herfst is het honderd jaar geleden dat Platonov werd geboren. Een echt Platonov-jaar zal het wel niet worden. Maar deze uitgave in de prachtige vertaling van Lourens Reedijk is een waardig eerbetoon aan een van de origineelste Russische schrijvers van deze eeuw.

Andrej Platonov: De gelukkige Moskou. Uit het Russisch vertaald door Lourens Reedijk. Meulenhoff, 221 blz. ƒ39,90