Habibie vraagt Atjeh om vergeving

President Habibie van Indonesië heeft vandaag de bevolking van de oproerige provincie Atjeh, in Noord-Sumatra, om vergiffenis gevraagd voor schendingen van de mensenrechten die de afgelopen tien jaar zijn gepleegd door de strijdkrachten.

Tijdens zijn toespraak in de Baturrahman-moskee, de belangrijkste van de provinciehoofdstad Banda Aceh, raakten ordetroepen voor en na de toespraak van de president slaags met ongeveer 2.000 demonstrerende studenten die via een referendum de weg willen bannen voor zelfstandigheid van Atjeh. Twintig studenten raakten gewond toen oproerpolitie de menigte trachtte te verspreiden met waarschuwingsschoten en traangas.

Tijdens het vrijdaggebed zei Habibie onder meer: ,,Ik bied mijn verontschuldigingen aan voor alles wat de veiligheidstroepen het hele volk van Atjeh gewild of ongewild hebben aangedaan. Met name voor de excessen die zich hebben voorgedaan.'' Het leverde hem een beleefd applaus op van de naar schatting 6.000 luisteraars binnen en buiten de moskee. Ook zegde Habibie toe dat families van slachtoffers die door staatsgeweld zijn gevallen desgewenst op staatskosten worden herbegraven.

Organisaties voor de rechten van de mens beschuldigen het Indonesische leger van grootschalige rechtsschendingen bij het neerslaan, sinds 1989, van een afscheidingsbeweging in de provincie. Het leger zou in Atjeh op grote schaal mensen hebben vermoord, gemarteld en verkracht. Vorig jaar augustus bood ook chef-staf en minister van Defensie generaal Wiranto zijn excuses aan voor misdragingen van het leger. Later ontkende hij echter weer dat er op grote schaal mensen gedood zouden zijn door het leger. De Nationale Commissie voor de Mensenrechten (Komnasham) ontdekte echter tijdens haar onderzoek op verschillende plaatsen in de provincie massagraven. Sinds vorig jaar heeft het leger zich schuldig gemaakt aan nieuwe gewelddadigheden rond de stad Lhokseumawe, nadat de verzetsbeweging enige soldaten ontvoerde en vermoordde.