Germaine Greer, Tussen wil en macht

Monica Lewinsky en Sanderijn Cels: ze hadden moeder en dochters kunnen zijn. Greer en Lewinksy strijden nu om de eerste plaats in de Britse boekentoptien. Het persoonlijke is weer politiek. Over girlpower, het raadsel van de jurk en de verrassende verwantschap tussen moraalruiterij en hyperfeminisme.

Wie het afgelopen jaar in de media de woorden `that woman' hoorde, wist onmiddellijk dat daar maar één vrouw mee bedoeld kon worden: `That woman, Miss Lewinsky', de stagiaire die Bill Clinton had verleid. Na de onthulling van haar affaire met de president werd iedereen overstelpt met de meest intieme details van haar leven: op televisie, op internet, op bandjes en in het Starr-Report.

Nu is er haar eigen boek: Monica's Story, geschreven door ex-journalist Andrew Morton, die eerder het levensverhaal optekende van prinses Diana. De kaft is maagdelijk wit, met bescheiden gouden letters en een smaakvolle foto. Een ingetogen Monica kijkt de lezer ernstig en volwassen aan. Haar kapsel is kort en elegant, de make up beschaafd. De visagiste is erin geslaagd Monica's mond kleiner te doen lijken dan ooit. Ze draagt mat-roze lippenstift, Club Monaco, in Amerika inmiddels uitverkocht. Het is de zuivere iconografie van een eigentijds Sneeuwwitje, voor een ranzig boek over een ranzig onderwerp.

Morton stond voor een moeilijke taak. Hij wilde Monica afschilderen als slachtoffer, slachtoffer van haar jeugd, van haar gewicht, van Bill Clinton, van Linda Tripp, van Kenneth Starr en van de media. Tegelijkertijd kon hij haar niet al te willoos, dom of verwend voorstellen, want daarmee zou hij alle sympathie voor haar verspelen. Hij gooit het daarom op het conflict tussen Monica's hoofd en hart (`Smart woman, stupid choices'), ondervangt handig zowel haar naïviteit als haar obsessieve gedrag door het `loyaliteit' te noemen en zet haar en passant ook nog eens neer als een Ouderwets Net Meisje dat eigenlijk alleen maar wil trouwen en kinderen krijgen. Natuurlijk wekt Monica sympathie: haar tenenkrommende zelfbedrog, naïviteit en blunders doen pijnlijk authentiek aan – al hebben we Andrew Morton daarvoor niet nodig.

Big Mac

Nu zijn de feiten van de affaire-Lewinsky inmiddels zo bekend, dat je je kunt afvragen waarom iemand er ooit nog een woord over zou willen horen. Wat is er toe te voegen aan het crypto-pornografische Starr Report? Morton rechtvaardigt zijn boek zelf met de discrepantie tussen Lewinsky`s publieke imago en de privé-persoon Monica. Tegenover Starrs `wat' belooft Morton inzicht in het `waarom'. Het gaat, kortom, om een antwoord op de vraag die de hele wereld met stomheid sloeg: welke vrouw laat een met sperma bevlekte jurk meer dan een jaar in de kast slingeren?

Alleen al door deze hamvraag te beantwoorden – en een antwoord komt er – zal Monica's Story wel een bestseller worden. Dat moet ook, want Monica heeft nog een paar onbetaalde advocatenrekeningen liggen. Maar daarnaast lijkt `de meest vernederde vrouw ooit' oprecht gedreven door het verlangen haar naam te zuiveren. Dat verklaart ook de keus voor Morton, die in Diana: Her true Story ervaring opdeed met het succesvol rehabiliteren van een slachtofferfiguur door een vernedering om te zetten in een morele overwinning. Zoals Germaine Greer (1939) terecht opmerkt in haar nieuwe boek, De hele vrouw, bedoelen mensen die beweren dat Diana zich zo met haar volk identificeerde, in feite dat zíj zich zo mooi konden vereenzelvigen met háár lijdensweg.

Om die massa-identificatie bij Lewinsky (1973) mogelijk te maken, gebruikt Morton in Monica's Story dezelfde techniek als in zijn boek over Diana. Hij benadrukt, op het karikaturale af, haar eetstoornissen en gebrek aan zelfvertrouwen. Die beginnen al in haar vroege jeugd. Monica heeft de pech op te groeien in Beverly Hills, het bastion van de superrijken in Los Angeles. Het westerse vrouwelijke stereotype van `de heuploze, baarmoederloze barbie met de keiharde tieten', dat volgens Germaine Greer de wereld domineert sinds haar eerste boek The Female Eunuch (1970), is in Beverly Hills geen ideaal maar norm. De kleine Monica, dik en donker, hoort er niet bij. Haar vader noemt haar `mijn kleine noedel', haar klasgenootjes `Big Mac'. Monica wil graag aardig gevonden worden, ze is dolblij als ze van haar moeder op haar twaalfde naar een `fat camp' mag, een zomerkamp `for overweight youngsters which offers a regime of healthy diet and regular exercise.' Tot overmaat van ramp begrijpt Monica's vader niet altijd de sociale plichten die horen bij het leven in Beverly Hills. Voor Monica dus geen uitgebreid Bat Mitsvah feest op haar dertiende, zoals daar de gewoonte is voor joodse meisjes, maar een feestje van 500 dollar in de achtertuin, met dj en hotdog-stand.

Ook op de middelbare school blijft haar uiterlijk een bron van onzekerheid en impopulariteit. Er volgen meer bezoeken aan een instituut voor eetstoornissen, therapie, en de scheiding van haar ouders. Op haar achttiende begint Monica een verhouding met een getrouwde man, Andy, door wie zij zich voor het eerst gewaardeerd voelt. De knipperlichtaffaire sleept zich voort gedurende haar studie psychologie. Vooral om van Andy af te komen laat Monica zich door haar moeder overreden naar Washington te verhuizen. Een stage in het Witte Huis is snel geregeld via een vriend van de familie.

Al bij hun eerste ontmoeting trekt ze de aandacht van Bill Clinton. Er volgt een flirtpartij. Een paar maanden later krijgt de 22-jarige Monica een baan aangeboden op het Witte Huis. Monica, die volstrekt geen politieke ambities koestert, is vooral blij dat ze nu een blauwe pas zal krijgen die haar vrijere toegang geeft tot het Witte Huis, en dus tot de president. Eerst vindt Monica hun ontmoetingen vooral spannend omdat het om de president van de Verenigde Staten gaat. Later wordt ze echt verliefd.

Room 1012

Monica's Story wordt interessant wanneer Linda Tripp haar intrede doet. Linda Tripp! Het meest intrigerende, onbegrijpelijke personage van de affaire. Wat bezielde haar? Twee dingen lijken duidelijk. Tripp is afgunstig en, in tegenstelling tot Monica, ze wil macht. `She really wanted to be a player', beseft Monica later. De vriendschap begint met het uitwisselen van ervaringen over diëten, maar al snel neemt Monica haar in vertrouwen. Terwijl vrienden en familie haar aanmoedigen om met de president te breken, is Linda Tripp de enige die vertelt wat ze wil horen, namelijk dat ze niet moet opgeven. Ze is dus ook de enige naar wie Monica luistert.

Voor zover bekend, heeft Tripp op eigen initiatief gehandeld toen ze contact zocht met een uitgever en met een journalist van Newsweek, toen ze haar telefoongesprekken met Monica ging opnemen, en toen ze met de bandjes naar Starr stapte. Een perfect voorbeeld van Tripps machinaties is de beruchte `jurk-episode'. Het is ook het absurdistisch hoogtepunt van Mortons boek, waarin Monica's gewichtsproblemen definitief verworden tot slapstick. Linda Tripp – lelijker en dikker dan Monica – gaat op een dieet waardoor ze na een paar maanden in Monica's grootste jurken past. Om dat te vieren inviteert Monica haar om kleren te komen uitkiezen uit haar `fat closet'. Bij die gelegenheid komt Monica de bevlekte jurk weer tegen. Ze had hem in de kast laten liggen – de familie Lewinsky had een dienstmeisje en Monica had dus nooit geleerd haar spullen op te ruimen – en was hem vergeten. Als Monica de jurk wil laten reinigen, probeert Tripp haar daarvan uit alle macht te weerhouden. Ze overtuigt de nietsvermoedende Monica ervan dat de blauwe jurk haar wel erg dik maakt. De jurk blijft in de kast.

De spanning stijgt in het hoofdstuk `Terror in Room 1012', een echo van `Room 101' uit George Orwells 1984. In die kamer werd Winston Smith gedwongen om voor het staatsbelang zijn geliefde te verraden. De toespeling van Morton vestigt echter vooral de aandacht op twee andere dingen: de Lewinsky-affaire is géén tragedie van klassieke proporties, en Morton is géén Orwell. In kamer 1012 van het Ritz-Carlton Hotel vertellen FBI-agenten Monica dat ze zich, door het ondertekenen van een valse verklaring, schuldig heeft gemaakt aan diverse misdaden waarvoor ze 27 jaar gevangenisstraf kan krijgen. Ratten waren de diepste angst van Winston Smith in 1984. Wat was Monica's diepste angst? `Als ik zevenentwintig jaar de cel in ga, wie wil er dan nog met me trouwen? Hoe moet ik dan kinderen krijgen?' roept ze radeloos uit tegen haar ondervragers, die haar erop wijzen dat ze juist daarom de kans krijgt mee te werken. Als ze ook nog dreigen haar moeder te vervolgen capituleert Monica, in ruil voor ontslag van rechtsvervolging. De rest van het verhaal is bekend: de rechtszittingen, het mediacircus, Monica's verhoor door twee vrouwelijke aanklagers, waarover ze nu zegt: `Ik voelde me verkracht en walgde van mezelf, alsof iedereen die me zag meteen aan orale seks zou denken.'

Waarvoor onderging ze dit alles eigenlijk? Monica benadrukt dat er een diepe emotionele band bestond tussen haar en Clinton, maar de hele affaire lijkt voor haar toch stukken minder bevredigend te zijn geweest dan voor Bill. Germaine Greer schrijft in De hele vrouw: `Vrouwen groeien uit tot emotionele atletes op een dieet van afwijzing'. Monica erkent: `Ik besefte dat ik mezelf in een situatie had geplaatst waarop ik geen greep had.'

Aan het einde van Monica's Story haalt Morton nog eens fel uit. Monica `genoot van' en `voelde zich op gemak met' haar seksualiteit, meent hij, en daardoor werd ze niet alleen verguisd door puriteins Amerika maar ook geslachtofferd door feministen, als een klassiek voorbeeld van uitgebuite vrouwelijkheid. Gezien het voorgaande, geeft die conclusie een behoorlijk vieze nasmaak. Morton zelf laat in zijn boek geen gelegenheid onbenut om Monica's uiterlijk, onzekerheden en slachtofferschap uit te vergroten, met als oogmerk er zelf rijker van te worden.

Slagveld

Opmerkelijk genoeg sluit Mortons conclusie goed aan bij wat Germaine Greer beweert in De hele vrouw: `Een vrouwenlichaam is het slagveld waarop zij vecht voor haar bevrijding. Via haar lichaam wordt ze onderdrukt, verstoffelijkt, geseksualiseerd, geslachtofferd, gehandicapt.' Greer stelt dat deze oude strijd voor vrijheid ongemerkt is vervangen door het streven naar gelijkheid, wat heeft geleid tot onderwaardering of zelfs ontkenning van `vrouwelijkheid'. Vrouwen zijn nu in wezen slechter af dan ooit tevoren.

Deze stelling werkt ze uit in de vier delen van haar boek, getiteld `lichaam', `geest', `liefde', `macht'. Aan al deze begrippen geeft Greer een Orwelliaanse draai. `Geest' gaat in feite over hormonen, huishouden en winkelen. `Macht' over machteloosheid, van vrouwen. `Liefde' over haat, van mannen jegens vrouwen. En allemaal gaan ze over het lichaam, tot in de absurdste details. Zo noemt Greer de boodschappentas een uitwendige, symbolische baarmoeder. Over stropdassen laat ze haar licht helaas niet schijnen.

Voor wie de Lewinsky-affaire vers in het geheugen heeft, doet Greer met haar fundamentalisme, haar voorkeur voor paranoïde samenzweringstheorieën, haar drammerigheid en haar monomane neiging om alle menselijke interactie te reduceren tot fysieke en seksuele details, aan niemand zo sterk denken als aan de onafhankelijke aanklager Kenneth Starr. Vermoedelijk zou Starr zich goed kunnen vinden in Greers afwijzing van abortus, de pil, spiraaltjes, draagmoederschap, transseksuelen, moderne reproductie-technologieën en andere voorbeelden van medicalisering van de voortplanting.

Maar laten we Greer niet conservatiever afschilderen dan ze al is. Ze heeft over het algemeen andere, en zeker vreemdere, argumenten voor haar standpunten dan van Starr te verwachten valt. Om de haverklap komt ze met de meest krankzinnige uitspraken die haar geloofwaardigheid, zelfs in het kader van een polemiek, ondermijnen. Vrouwenbesnijdenis (`een ingreep met een aanzienlijke, culturele waarde') is volgens haar vergelijkbaar met genitale piercings. En: `De waarheid is eerder dat mannen een hekel hebben aan werken en eigenlijk liever helemaal niets doen, een verlangen dat vrouwen niet kennen.'

Dit is Greer ten voeten uit. Greer kent de verlangens van vrouwen, beter dan die vrouwen zelf. Hoewel ze eigenlijk vindt `dat iedere generatie haar eigen statement moest maken betreffende haar problemen en prioriteiten', was het voor haar nu `niet langer verantwoord om te blijven zwijgen'. De huidige generatie heeft namelijk niet door dat ze slechter af is dan dertig jaar geleden en moet dus door Greer gewaarschuwd worden tegen de onderdrukker. Geen moment komt het bij haar op dat ze de aansluiting met deze generatie wel eens volkomen gemist kon hebben.

Slachtoffers

Net als Andrew Morton is Greer dol op slachtoffers. Slachtoffers doen het goed in de media. Slachtoffers hebben per definitie het morele gelijk aan hun kant. Zonder slachtoffers hebben voorvechtsters als Greer geen functie meer. Maar zitten vrouwen er nog op te wachten om door Greer, als een moeder die haar kinderen liever niet té zelfstandig ziet, in de positie van slachtoffer gemanoeuvreerd te worden, compleet met klassiek vijandbeeld?

Greers reductionisme is bovendien stuitend. Door de identiteit van een vrouw volstrekt deterministisch te verbinden aan haar fysieke geslachtskenmerken, gaat Greer niet anders te werk dan mannen die dit millennia lang hebben gedaan om de inferioriteit van vrouwen te bewijzen, al komt ze tot tegenovergestelde conclusies. Mensen, of algemeen menselijke eigenschappen, komen niet voor in Greers wereld. Er zijn mannen en er zijn vrouwen, `and never the twain shall meet'. Beter is het daarom, aldus Greer, om gesegregeerde samenlevingsvormen na te streven. Dat is niet alleen een beledigende onderschatting van vrouwelijk èn menselijk potentieel, het geeft ook aan hoever Greer van de werkelijkheid van de jaren negentig afstaat.

Sanderijn Cels (1970) maakt in Grrls soortgelijke kanttekeningen bij opvattingen als van Greer. Grrls is, evenals Monica's Story en De hele vrouw, een straf om te lezen en van deze drie boeken verreweg het slechtst geschreven. Bovendien hanteert Cels een humorloze, populariserende toon die lijkt te mikken op de laagste gemene deler. Maar vergeleken met Greer heeft Cels een verfrissend nuchtere benadering. Jonge vrouwen zien zichzelf niet als onderdrukte slachtoffers. Ze voelen zich niet vanzelfsprekend solidair met andere vrouwen `omdat ze vrouw zijn'. Ze hebben geen gemeenschappelijke doelen of idealen, laat staan dat ze voor zoiets ten strijde willen trekken.

Cels signaleert die houding onder een groep optimistische, zelfverzekerde jonge vrouwen van de jaren negentig, die ze aanduidt met het potsierlijke anglicisme `girls'. `Girls' verwerpen zowel het feminisme als de oude vrouwelijke en mannelijke gedragsmodellen. Wat willen ze dan wel? `Girls' willen `spelen'. Ze zoeken alternatieven door te spelen met hun opties, identiteit, seksualiteit en uiterlijk. Individualisme en pluriformiteit staan centraal, evenals humor en flirten, als strategieën om te krijgen wat ze willen. Zulke typisch postfeministische ideeën zijn niet nieuw, wel meent Cels dat `girls' een nieuwe, maatschappelijke voorhoede vormen.

Er schuilt een tegenspraak in Grrls. Cels werpt zich op als spreekbuis van een groep die zich niet als groep ziet, geen spreekbuis wil en zich alleen al daarom niet in het boek zou herkennen. Maar de voornaamste reden dat het boek niet spreekt voor een nieuwe generatie is dat het de `meisjes', zoals ze hier beschreven worden, simpelweg aan substantie ontbreekt. `Girl-zijn' heeft per definitie meer te maken met vorm dan met inhoud, want die inhoud zoeken ze immers nog. En dat is te merken. Grappige haarspeldjes, roze legerbroeken: in hun conformistische drang naar originaliteit zijn `girls' niet minder neurotisch met hun uiterlijk bezig dan Monica Lewinsky. Ook lijken ze vreemd genoeg allemaal te accepteren dat het zo rond hun dertigste met dat experimenteren wel afgelopen is en ze zich dan zullen moeten aanpassen aan het leven als volwassen vrouw. De citaten van girls waarmee Cels' betoog is doorspekt, wedijveren in banaliteit: `Principes zitten me dwars, die gaan redelijkheid te boven.' Je bent dan namelijk `nul flexibel' en dat is `mega-irritant'.

Pion

De balans van dit alles? Linda Tripp wilde macht, werd een pion van Starr en uiteindelijk een van de meest verachte vrouwen van Amerika. Monica Lewinsky wilde trouwen met de president, en werd een pion van iedereen, inclusief haar eigen biograaf. Germaine Greer wil vrouwen bevrijden, maar schrijft een evangelie voor martelaressen. `Girls' zijn even fleurig als de Teletubbies, maar hebben ook hetzelfde intellectuele gehalte. Wie zich aan de hand van deze drie boeken een beeld wil vormen van vrouwen in de jaren negentig zal tot één, moedeloos makende conclusie komen: vrouwen, en met name jonge vrouwen, zijn dom, hopeloos naïef en behaagziek op het masochistische af. Geen wonder dat mannen daar misbruik van maken.

Eigenlijk is de enige echte powergirl die door de boeken heenschemert Hillary Clinton, door Morton wijselijk zoveel mogelijk uit zijn verhaal gehouden. Ter illustratie één van de vele Clinton-grappen. Bill en Hillary maken een tochtje in de presidentiële limousine. Ze stoppen bij een pompstation omdat Bill naar de wc moet. Terug bij de auto ziet hij tot zijn verbazing Hillary geanimeerd praten met de pompbediende. `Wie was dat?' vraagt hij als ze wegrijden. Hillary vertelt dat de man haar eerste vriendje was. `Stel je voor', grinnikt Bill, `dat jullie bij elkaar waren gebleven. Dan was je nu de vrouw van een pompbediende!' `Nee', antwoordt Hillary, `dan was híj nu president van de Verenigde Statent.'

Zolang een vrouw als Hillary alleen bij het presidentschap in de buurt kan komen door het bed te delen van een man, terwijl een vrouw als Monica de meestbelovende carrièrestart ter wereld beschouwt als springplank naar een verhouding, kunnen feministische idealen nog niet als achterhaald of overbodig worden beschouwd. Maar noch de jaren zestig-strijdleuzen van Greer, noch het bimbofeminisme van Cels hebben daar veel zinnigs aan bij te dragen.

Andrew Morton: Monica's Story. St. Martin's Press, 288 blz. ƒ49,95

Germaine Greer: De hele vrouw. Vertaling Ton Heuvelmans. Meulenhoff, 412 blz. ƒ45,–

Sanderijn Cels: Grrls! Jonge vrouwen in de jaren negentig. Prometheus, 200 blz. ƒ19,90