Elke film telt

Goede filmkunst versus slecht filmvermaak is een tegenstelling die niet bestaat. De ware filmcriticus houdt van alles, ook van pulp.

Ik had het al vroeg in mijn leven besloten: je moet het ermee doen, met film als kenbare en bruikbare werkelijkheid. Die zal vaak meer helderheid en inzicht verschaffen dan de chaotische realiteit van alledag. En over die geprojecteerde werkelijkheid zul je uitsluitend hypothesen formuleren.

Het beroep van filmcriticus is een tamelijk specifieke discipline, die naar mijn stellige overtuiging op gespannen voet staat met wetenschap; en ook, zij het in veel mindere mate, met `gewone' journalistiek.

In wetenschappelijke zin zijn uitspraken van filmcritici van zeer beperkte waarde. Ze dragen in principe niet bij aan theorievorming, ze zijn slechts voorlopige en subjectieve interpretaties, die echter wel gestoeld dienen te zijn op een ruime mate van ervaring en inzicht. Die ervaring en dat inzicht kunnen verworven worden door het zien van veel films, maar ook door kennis over de manier waarop films tot stand komen, kennis van de filmgeschiedenis, een zeer ruime algemene ontwikkeling en levenservaring, interesse voor maatschappij, cultuur en geschiedenis. Maar als een eerstejaarsstudent aan een filmcriticus vraagt welke criteria hij eigenlijk hanteert om tot een oordeel te komen, dan kan de criticus breed grijnzend antwoorden: `Geen enkel ander criterium dan mijn eigen ervaring, inzicht en gevoel.'

Er zijn in Nederland een paar filmcritici die Film en Televisiewetenschap hebben gestudeerd, maar de meesten hebben een andere vooropleiding: filosofie, geschiedenis, Nederlands. Een enkeling komt direct uit de journalistiek of van de Filmacademie. Een studie Film en Televisiewetenschap zou de ideale vooropleiding kunnen zijn voor een filmcriticus, mits het hem vervolgens vrij staat om alle wetenschappelijke ballast overboord te gooien en enig baat te behouden bij inzichten uit bij voorbeeld filmhistorie en semiotiek.

Ik heb weinig kennis van de manier waarop deze jonge tak van wetenschap in Nederland bedreven wordt, maar ik durf wel te stellen dat er weinig publicaties zijn op dat gebied waar ik als filmcriticus baat bij heb. Laat ik een voorbeeld te geven van de manier waarop een filmcriticus zijn beweringen pleegt te staven, namelijk met een anekdote. Het betreft een ontmoeting met Eric de Kuyper, de oprichter van de vakgroep Film- en Opvoeringswetenschappen aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en de grote propagandist in Nederland van de semiotische filmanalyse. Ik vroeg De Kuyper wat volgens hem de praktische waarde kon zijn van de toepassing van semiotische inzichten. Hij vertelde toen vol enthousiasme over de colleges die hij zelf in Parijs bij Roland Barthes had gevolgd en die me deden denken aan het soort inspiratie dat je als lezer kunt opdoen van een gepassioneerde filmcriticus. Ik was niet tevreden met dat antwoord, en vroeg dóór. Toen kwam De Kuyper met een voorbeeld dat mijn vermeend Popperiaanse, onlatijnse geest zou moeten bevredigen: ,,Een semioticus kan voorspellen wat voor kleur de jurk van de ster in de eerstvolgende scène van een film van Vincente Minnelli zal zijn''. Daar heb je als filmcriticus, geloof ik, niet zo veel aan, des te meer omdat ik mij, als iedere filmkijker, graag laat verrassen.

Deze redenering is exemplarisch voor de werkwijze van een filmcriticus. Uit duizenden mogelijke bronnen (wetenschappelijke publicaties, filmrecensies, meningen, cijfers, uitspraken van betrokkenen, noem maar op) kies ik een verhaaltje dat echt gebeurd is en klopt, en dat bovendien mijn hypothese ondersteunt. Ik vertel het na op een manier die beoogt te amuseren en de aandacht vast te houden, en vervolgens kom ik tot een conclusie, die duidelijk maakt waar ik voor sta: niet de waarheid, maar een visie.

Aan mijn lezer vraag ik van mij aan te nemen dat de anekdote juist is, en ook dat ik hem niet uit zijn context heb gehaald en, het allerbelangrijkste, dat de selectie van juist dit verhaaltje representatief is voor mijn idee over de verhouding tussen filmkritiek en filmwetenschap. Ik moet er op mijn beurt van uitgaan dat die lezer geïnteresseerd is in wat ik over dit onderwerp te melden heb, en dat hij vertrouwen heeft in mijn accuratesse en goede trouw.

GezagEen filmcriticus heeft geen macht maar gezag. Dat kan ontleend worden aan de autoriteit van de krant of het tijdschrift waar hij in publiceert, maar vooral aan de band die hij met zijn lezers ontwikkelt. Over de macht van filmcritici wordt veel gespeculeerd, met name als het om Nederlandse films gaat. Bij bepaalde films, zoals kunstzinnige films die uitgebracht worden zonder een hoog budget voor reclame en marketing, en doorgaans bekeken worden door mensen die relatief vaak filmkritieken lezen, is de invloed van een recensie op het bezoek aan die film wel degelijk aanwezig. Een filmcriticus (maar ook een recensent van literatuur, theater of beeldende kunst) zal zijn eigen maatschappelijke, politieke, ethische of levensbeschouwelijke opvattingen betrekken bij zijn oordeel. Waardenvrije kunstkritiek bestaat evenmin als waardenvrije kunst. Wel is het netjes als de criticus zijn waarden bij de naam noemt, en niet wat schoon en goed is, of lelijk en slecht, op één hoop gooit.

De traditie van de Nederlandse filmkritiek is vanaf het begin doortrokken geweest van angst voor het medium. Ook verlichte voorvechters van de opvatting dat er zoiets als filmkunst bestaat, zoals Menno ter Braak en zijn makkers in de Filmliga, maakten een streng onderscheid tussen de vermaaksindustrie en de echte filmkunst. Ter Braak organiseerde in de jaren twintig fluitbrigades, die in het Amsterdamse Tuschinski-theater voorstellingen van verwerpelijke Hollywoodfilms trachtten te verstoren, uit protest tegen deze corruptie van de goede smaak.

Deze vermeende tegenstelling tussen goede filmkunst en slecht filmvermaak heeft in Nederland langer dan elders de filmkritiek gedomineerd. Het zogenaamde Vrije Circuit dat onafhankelijk gemaakte films distribueerde, de opkomst van de filmhuizen en het verzet tegen het monopolie van de Nederlandse Bioscoopbond in de jaren zeventig, ze waren in feite niets anders dan een voortzetting van de Filmliga-opvattingen uit de jaren twintig.

Ik begon in de jaren zeventig intensief naar films te kijken, en zette mijzelf aanvankelijk op een strikt dieet van Italiaanse, Franse en Zweedse kunstfilms, aangevuld met verantwoorde, min of meer de tegencultuur representerende Amerikaanse films als Easy Rider en The Graduate. Pas later ontdekte ik Alfred Hitchcock, Clint Eastwood, Fred Astaire en Ernst Lubitsch, om maar een paar vrienden te noemen die zichzelf geen kunstenaar noemden en me toch de rillingen over het lijf joegen. Die ontdekking was niet uniek, want in de jaren vijftig hadden de filmcritici van de Cahiers du Cinéma, onder wie Truffaut en Godard, al hun eigenwijze pantheon van Amerikaanse auteurs van B-films opgesteld, maar die erkenning van pulp als bron van vreugde en bewondering leek nauwelijks besteed aan de jonge Turken van de Nederlandse filmhuisbeweging.

Ik begon de term `filmkunst' te haten.

Inmiddels vraagt een nieuwe generatie filmcritici, die Huub Bals alleen kennen als de naamgever van een fonds dat filmmakers uit ontwikkelingslanden ondersteunt, zich zelden meer af of film kunst is. Film ressorteert bij dagbladen onder de kunstredactie, net als rockmuziek, cabaret en theaterproducties van Joop van den Ende.

InternetOp het Internet dient zich een nieuw type filmcriticus aan, dat beschikt over een minstens zo groot gezag als de collega's van de drukpers, maar zich veel minder beroept op kennis en ervaring van film en filmgeschiedenis. Het is niet ongewoon dat een Internet-recensie voor meer dan de helft bestaat uit een beschouwing over de kwaliteit van de popcorn in bioscoop X of ergernis over de lengte van een medebezoeker op een voorgaande rij in bioscoop Y. Maar wie zich in zijn filmsmaak laat leiden door zijn humeur of door een vriendelijk woord van de ouvreuse, is een gemakkelijke prooi voor de ongetwijfeld nog veel vriendelijker woorden van de maatschappij die de film uitbrengt, of van de regisseur die een e-mailtje stuurt om te zeggen dat hij zijn beste vriend is.

De onafhankelijkheid van de filmcriticus en zijn voorbijgaan aan de waan van de dag zijn wapens die je niet ongestraft uit handen geeft. De kwaliteit en de onafhankelijkheid van de Nederlandse filmkritiek is relatief vrij van zulke smetten, al was het maar omdat de afwezigheid van kranteneigenaren met film- en mediabelangen de landelijke dagbladen behoedt voor het soort normvervaging dat in onder meer de Britse en de Amerikaanse dagbladpers de positie van de onafhankelijke filmkritiek bedreigt. Het zou prettig zijn als de Nederlandse filmcritici zich meer bewust werden van hun unieke positie. Het is hun dure plicht om zo betrokken te schrijven over ook niet voor de hand liggende films, dat de lezer hun belangstelling blijft delen.

Je zou een filmrecensie kunnen definiëren als een verslag van het kijken naar een film. De recensie verslaat de film, of het een uitslaande brand betreft. Maar het is een subjectief verslag, dat weliswaar een fors aantal relevante feiten vermeldt uit de categorie wie-wat-waar-wanneer-hoe, maar ook vertelt wat er met de verslaggever gebeurde, toen hij in de vlammen staarde. En waarom hij het een mooie, saaie, voorspelbare, gevaarlijke, historische of doorsnee-fik vond.

De eerste les voor elke journalist is dat hij feiten en meningen uit elkaar moet houden. Maar een recensie vermengt juist feitelijke informatie en evaluerende opmerkingen. Zelfs de formulering van zakelijke weetjes mag en moet stemming maken: het is van betekenis of een film die in Noord-Amerika 200 miljoen dollar in het laatje heeft gebracht beschreven wordt als `blockbuster', `surprise-hit', `te verwachten succes' of `onbegrijpelijk fenomeen'. Dat heeft te maken met de mening van de criticus over de film, maar ook met zijn interpretatie van de feiten.

Het proces van kennis vergaren om verantwoord informatie te selecteren, te beschrijven en te interpreteren lijkt erg op wat een verslaggevend journalist doet. De praktijk in de Nederlandse dagbladwereld is dat een filmcriticus in vaste dienst ook altijd een filmjournalist is. Hij is iemand die naast recensies necrologieën en festivalverslagen schrijft, die interviews maakt met regisseurs en sterren, van wie beschouwingen worden verwacht over de financiële onderbouwing van de Nederlandse filmproductie of over de stand van zaken in de innovatie van het bioscopenbestand. Ook ik ben een filmjournalist, en prijs me gelukkig daardoor invloed te kunnen uitoefenen op alles wat er in NRC Handelsblad over film geschreven wordt. Het schrikbeeld van sommige buitenlandse dagbladen, waar filmcritici gemarginaliseerd zijn, en hoofdredacteuren bepalen dat interviews met Hollywoodsterren het gezicht van de filmrubriek in de krant moeten bepalen, is in Nederland nog niet aan de orde.

Vermenging

Toch vind ik niet dat de termen filmjournalist en filmcriticus zonder meer door elkaar gebruikt moeten worden. Er zijn evidente nadelen aan de vermenging van de functies: wanneer je een interview aanvraagt met een Nederlandse regisseur, wiens vorige film door de interviewer uiterst negatief besproken is, dan praat dat niet echt gemakkelijk. Het onderscheid ligt echter subtieler. Ook al gedraagt elke filmcriticus zich in de praktijk als filmjournalist, dat betekent nog niet dat elke filmjournalist ook automatisch een filmcriticus is. Juist het uitzonderlijke karakter van een recensie, het zorgvuldig doseren van informatie en meningen, in een uitgebalanceerde wisselwerking, maakt het schrijven ervan tot een moeilijke journalistieke vorm. Een journalist met weinig recensie-ervaring zal bijvoorbeeld de neiging hebben om te beginnen met een algemene sfeerbepalende alinea en te eindigen met een oordeel, en daar tussenin vooral de feiten laten spreken. In de praktijk van een filmrecensie betekent dat het gedetailleerd navertellen van het verhaaltje.

Mijn ideale recensie, die me lang niet elke week lukt, beperkt mededelingen over het handelingsverloop van de film tot een bijzin, die in de meest algemene, soms cryptische termen ongeveer een idee geeft van wat er in de film gebeurt. Plots zijn niet het belangrijkste in een film: heeft u het verhaal van Casablanca gedetailleerd onthouden, of van Blue Velvet? Maar u herinnert zich ongetwijfeld de close-up van een oor in het gras en minstens drie zinnetjes van Humphrey Bogart. Het is de kunst om in een recensie precies die elementen te treffen, voordat ze klassiek zijn geworden. Waar gaat Blue Velvet over? Woorden die niet mogen ontbreken zijn dan voyeur, surrealisme, Middle America en misschien onschuld, initiatie en Roy Orbison. Ze komen vanzelf bovendrijven, mits je goed gekeken hebt en dit niet de eerste film is die je ooit gezien hebt. Het helpt als je niet alleen het dossier van regisseur David Lynch gelezen hebt, maar ook zijn film Eraserhead hebt gezien.

Lang is film niet alleen de jongste kunst geweest, maar ook de tak van kunst die verreweg het grootste publiek trekt. Nu er ook recensies geschreven worden over televisie en popmuziek, is die positie van film niet meer uniek, maar zijn filmrecensies nog wel steeds bij uitstek het voorbeeld van een mogelijke discrepantie tussen de smaak van de criticus en die van het publiek. Literaire critici schrijven alleen over literatuur, en laten tachtig procent van de boeken die verschijnen onbesproken. Ze beperken zich tot de kwalitatieve bovenlaag van de literaire productie en schrijven voor een klein en elitair publiek. Filmredacties van dagbladen behandelen alle films die in de Nederlandse bioscoop uitkomen. Een kleine driehonderd titels per jaar, aangevuld met de belangrijkste alleen op video gedistribueerde titels.

Volledig

Ik vind het uiterst zinnig om het complete bioscoopaanbod kritisch te volgen. Allereerst is het een buitenkansje, dat er een kunstvorm bestaat die door de criticus binnen natuurlijke begrenzingen (de in de Nederlandse bioscoop uitgebrachte, ondertitelde en voor elke betalende toeschouwer toegankelijke films) volledig kan worden gevolgd. Het corpus valt niet samen met de wereldfilmproductie in een jaar, die misschien het tien- of twintigvoudige bedraagt. De natuurlijke zeef van bioscoopdistributie en dus van toegankelijkheid vormt een alleszins verdedigbare begrenzing.

Heel vaak is in het verleden gebleken dat op het eerste gezicht `nederig' lijkende films in de loop van de filmhistorie aan belang winnen. Voorbeelden zijn de Amerikaanse B-films die door de Franse filmcritici van de jaren vijftig gecanoniseerd werden, maar ook ik heb meegemaakt dat in eerste instantie nauwelijks serieus genomen filmgenres later een plaats vonden in de programmering van het International Filmfestival Rotterdam. De horrorfilms van David Cronenberg, de karatespektakels uit Hong Kong en zelfs pornofilms zijn binnen twee decennia `ontdekt' door de programmeurs van het Rotterdamse festival.

Filmkritiek is een vorm van eigentijdse geschiedschrijving, die alert moet reageren wanneer de goede smaak weer een stukje verlegd wordt. Als ik moet kiezen voor de beste plek op de filmpagina tussen de zeventiende film van de Portugese grootmeester Manoel de Oliveira en Rambo 3, dan kies ik voor de laatste. Niet omdat daar een groter publiek in is geïnteresseerd, maar omdat de maatschappelijke invloed van Rambo relatief aanzienlijker is dan de bijdrage van de jaarlijkse film van De Oliveira aan de ontwikkeling van de filmkunst.

Aan de andere kant probeer ik altijd erachter te komen wat filmmakers beweegt, wat voor soort film hun voor ogen moet hebben gestaan en wat daar, om welke redenen, wel of niet van terecht is gekomen. Ik doe dat niet om de filmmakers een plezier te doen, maar om een beter inzicht te verwerven in de waarde van hun film.

De belangrijkste eigenschap voor een filmcriticus vind ik niet kennis, ervaring of wijsheid, maar hartstocht. Wie niet wordt gedreven door filmliefde, en de behoefte daar anderen in te laten delen, zal het niet lang volhouden als filmcriticus. Alleen al het gegeven dat veel meer dan de helft van de films die je te zien krijgt, behoorlijk slecht zijn, zou je snel de das omdoen. Ik word nog steeds kwaad, als er laatdunkend over film of televisie wordt gesproken. Maar ik word ook kwaad als films niet zo bijzonder zijn als ze hadden kunnen wezen, met een beetje meer inspanning, moed of intelligentie van de makers. En ik ben niet bang om die woede in extreme bewoordingen te verpakken, zoals ik ook niet bang ben om mijn bewondering voor wat wel mooi of goed is pathetisch te formuleren. Ik ben helemaal niet zo streng in de leer, maar ik kan slecht tegen domheid, lelijkheid en gemakzucht; onze lieve heer heeft die eigenschappen zeer gul uitgedeeld onder de mensheid, dus ook bij filmmakers en filmcritici. En ik kan nooit mijn mond houden, dus ben ik een azijnpisser, die nog steeds zoute tranen huilt bij Bambi of You've Got Mail. Wanneer ik nooit meer huil bij een film, dan stop ik met dit beroep, dat beloof ik hierbij plechtig.

Dit is een sterk bekorte versie van de lezing `Pulp Friction: de verbeelding en de macht', die Hans Beerekamp gisteren heeft uitgesproken als gastdocent filmkritiek aan de letterenfaculteit van de Rijksuniversiteit Groningen. De volledige lezing is te lezen op de website van NRC Handelsblad: www.nrc.nl.