De ogen zijn in overtreding

Hoe kijkt men naar foto's van lichamelijke afwijkingen? Medische blik en artistieke verdienste hoeven elkaar niet uit te sluiten.

Mag je een zieke tentoonstellen? Het zijn misschien mislukte en zelfs laakbare pogingen en toch wordt het steeds weer geprobeerd. Vier jaar geleden was in het Hôtel de Sully te Parijs een tentoonstelling te zien van medische foto's uit de jaren 1840-1920. Onder de titel A corps et à raison zag je lege oogkassen, gespleten verhemeltes, aangevreten gezichten en andere recht voor z'n raap gefotografeerde aandoeningen.

Op een wandbord werd verklaard dat het fototoestel een probaat middel voor de verspreiding van de medische wetenschap was. Ver van elkaar werkende specialisten konden elkaar bijstaan in het vaststellen van de juiste diagnose. De fotografie gaf de artsen een scherpe indruk van een meisje met drie benen, een pik aan de onderkant van een rug, een Siamese tweeling of de door een ingewikkelde verstrengeling van ledematen niet eens meer na te vertellen lijfsbouw van andere ongelukkigen.

De samenstellers van A corps et à raison waren vast te goeder trouw. Toch leek het of de bezoekers naar de gedrochten durfden te kijken omdat hun blik wetenschappelijk was goedgekeurd. Het monstertheater van een ouderwetse kermis was onder een medische sluier binnen de muren van een keurig museum gesmokkeld.

Wie steels van de gebreken had genoten, kon op de bovenverdieping van Sully met een expositie zonder dubbele bodem bijkomen. Daar was werk te zien van de in Straatsburg geboren fotograaf Helmar Lerski (1871-1956). Het gaf zelfs een onverwacht commentaar op de medische foto's. Ook Lerski fotografeerde lichamen en gezichten. Die waren niet gefnuikt en toch zagen ze er ongewoon uit. Van heel dichtbij liet hij poriën, rimpels of de schaduwen van wimpers zien, net of een windvlaag de heuvels en dalen van dit land zou kunnen veranderen. Elke foto was angstaanjagend zonder dat er een aan lupus of elefantiasis lijdende zieke bij was betrokken.

Over die combinatie van medicijnen en haast abstracte fotografie werd in het Hôtel de Sully niet gerept. Dat was misschien ook de kracht van de twee exposities. Er werd niets mee bedoeld. Een onherhaalbaar toeval. Dan gebeurt plotseling het ongelooflijke. Tot 2 mei is in de kabinetten van de Vleeshal te Middelburg een tentoonstelling te zien met medische foto's uit het eind van de negentiende, begin twintigste eeuw en met werk van een hedendaagse fotograaf die het menselijk lichaam van dichtbij fotografeert.

De gelijktijdigheid is dit keer opzet. Frido Troost en Willem van Zoetendaal van uitgeverij Basalt hoorden dat in het Academisch Ziekenhuis te Utrecht ongeveerd 1.200 op karton geplakte medische foto's waren ontdekt. Ze vroegen de in 1964 geboren fotograaf Paul Kooiker of hij op deze collectie wilde reageren. Hij had immers al jaren grote belangstelling voor wetenschappelijke fotografie.

Kooiker ging op het verzoek in. Toen zijn foto's er waren, besloten Troost en Van Zoetendaal zowel een boek als een tentoonstelling van hun onderwerp te maken. Onder de titel Utrechtse krop verenigden zij het werk van de grotendeels anonieme ziekenhuisfotografen met dat van hun kunstzinnige collega Kooiker, die met hun foto's in gedachten een eeuw later aan de slag was gegaan.

Is die combinatie terecht? Je kunt bij de medische foto's, die uit de voormalige universitaire Kliniek voor Heelkunde afkomstig zijn, moeilijk van een geslaagd werkstuk spreken. Een close-up van een paar benen zonder voeten verdraagt geen esthetisch geklets. De fotograaf heeft de lijder aan gangreen er in 1898 na de amputatie zo goed mogelijk op willen krijgen, dat is alles.

Gezwel

Een jongeman heeft in hetzelfde jaar een reusachtig gezwel in de hals, vlak onder het oor, een branchiogene cyste, zegt het bijschrift. Volgens het Woord vooraf in het boek brengt zo'n foto `ons dichter bij de kwetsbaarheid van ons eigen bestaan'. Zoiets nobels denkt nu juist niemand. Wat een ellende, hij wel, ik niet, aan iets anders kom je niet toe. En wat te denken bij een gezicht dat na een tuberculeuze infectie geheel door kanker is weggevreten? In datzelfde Woord vooraf heeft men het over weerzin, mededogen, ontroering, angst en andere gevoelens die deze foto's oproepen, `precies wat de grote kunsten met je behoren te doen'. In Parijs kreeg de bezoeker het excuus van de wetenschap om zich aan de gebrekkigen te mogen vergapen. Soortgelijke foto's worden in Middelburg, om iedereen op z'n gemak te stellen, ineens weer tot de grote kunsten gerekend.

Soms is het of de fotograaf werkelijk iets meer heeft willen doen dan het tonen van een gebrek. Een onbekende staat met blote voeten op een stoel, je ziet nog net z'n knieën, wat een mooie close-up. Even later begrijp je dat de fotograaf alleen maar dichtbij is gekomen om de partiële reuzengroei van de voeten zo nauwkeurig mogelijk vast te leggen.

Of neem de behaarde wijnvlek die eenderde van het gezicht van een zesjarig meisje in beslag neemt. Gruwelijker kan het niet. Je staat op het punt om er een heel verhaal over geschonden jeugd aan op te hangen. Je wendt je gezicht af en loopt door. De enig juiste vraag is of de aandoening nog genezen kan worden. Zo'n foto lijkt ten onrechte aan de medici te zijn ontfutseld.

Troost en Van Zoetendaal brengen de foto's gelukkig niet alleen onder bij de kunsten. Ze hebben er verstandig aan gedaan om Willem J. Mulder, de conservator medische collecties van het Universiteitsmuseum, bij het boek in de schakelen; zijn tekst ontbreekt jammer genoeg op de tentoonstelling.

Mulder geeft een wetenschappelijke analyse van de door de hoogleraren A. Narath en H.J. Laméris tussen 1891 en 1935 gevormde collectie. Omzichtig beschrijft hij de meest voorkomende ziektebeelden op de foto's. Syfilis, tuberculose, rachitis, orthopedische afwijkingen en natuurlijk de ziekte waaraan de titel voor boek en tentoonstelling is ontleend.

Utrechtse krop is een andere uitdrukking voor struma. In 1883 werd in de Domstad voor het eerst een waterleidingnet aangelegd. Men kwam erachter dat het gebrek aan jodium in het drinkwater verband hield met de vele gevallen van struma waarvan het ziektebeeld voor het eerst door de chemicus François Coindet (1774-1834) werd beschreven: ,,een zich diffuus of nodulair (knobbelig) uitbreidende zwelling van de schildklier en het verminderd functioneren ervan ten gevolge van een gebrek aan jodium. Hij schreef zijn patiënten zeewier voor.''

De toon van Mulder is perfect, die hoort bij een medische foto, getuige ook de volgende alinea.

,,Carl Basedow (1799-1854) beschreef tezelfdertijd een andere, naar hemzelf vernoemde vorm van struma, met als kenmerkende secundaire symptomen nervositeit, een hoge stofwisseling en het puilen van de ogen (exophthalmie). Een bijkomend verschijnsel bij ernstige zwelling van de schildklier is verdrukking van de slokdarm en luchtpijp, Dit heeft stuwing in het hoofd tot gevolg, waardoor de patiënt `rood aanloopt'.''

Wie dit weet, kijkt anders naar de in 1933 genomen foto van een negentienjarige jongeman. Door Mulders precisie is je schaamte even verdwenen. Je kent de oorzaak van de dikke hals en de gezwollen wangen. De foto krijgt betekenis buiten de kermis om. Maar als je verder loopt, verdwijnt je geleende medische blik en keert het gevoel in overtreding te zijn terug. Je verlustigt je hoe dan ook aan iets dat hoogst particulier is en dat misschien nooit openbaar had mogen worden.

Zeldzaam

De conservatoren in het Hôtel de Sully lieten die gemengde reactie buiten beschouwing. De medisch verklaarde gruwelfoto's waren hun genoeg. Troost en Van Zoetendaal maakten dat wisselende gevoel van grote verlegenheid en niet te temmen nieuwsgierigheid juist tot onderwerp van hun boek en tentoonstelling. Door het uitnodigen van twee kunstenaars is hun iets zeldzaams gelukt, kregen ze een hoofse aanvulling op de foto's zonder dat het gevaar eraan wordt ontnomen.

Naast Paul Kooiker vroegen zij de schrijfster en beeldend kunstenaar Pam Emmerik om een reactie. Zij leidt ons naar de fotograaf Kooiker toe. Voor haar verhaal `Gijsje en de anderen' in Utrechtse krop gebruikt ze een mengvorm van jeugdherinnering, kunstbeschouwing en stadservaringen. Ook Emmerik heeft het over de schoonheid van de medische foto`s, die ze terloops, bijna ongerept noemt, `een effect dat kunstenaars meestal pas na enorme inspanningen kunnen oproepen'.

Maar de foto's roepen ook tegenstrijdige beelden bij haar op. Ze schrijft dat de Romeinen nog dachten dat de natuur monsters maakte om mensen te verbazen en te vermaken. Daarom worden afwijkingen nog steeds spelingen der natuur genoemd. Ze noemt ziekte een van de meer wrede wonderen der natuur, die uitzinnige vormen kan aannemen, even grillig en fantasievol als het onderwaterleven in een exotisch koraalrif. En ze vraagt zich af of je misschien beter kunt zeggen dat de ziekte een mens heeft in plaats van een mens de ziekte. Haar verhaal is een improvisatie. Ze biedt zonder tot een slotsom te komen zicht op het onbegrijpelijke en schrijft dat de mensen op de foto's helemaal niet zo naakt lijken, ze zijn gekleed in hun ziekte, hun pose.

Emmerik zegt dat Paul Kooiker een professionele afstand tot een pose wil bewaren, als een arts tot een patiënt. Hij maakte de foto's voor Utrechtse krop op een afstand van dertig centimeter, die hij afmat met het koordje aan zijn camera. Als Mulders klinische tekst de natuurlijke taal is van de medische foto, dan is Emmeriks verhaal het verbindingsstreepje dat de bezoeker van het hele gruwelkabinet naar een waagstuk leidt, naar een antwoord in foto's op wat maar beter zonder artistieke strapatsen kan bestaan.

In het boek worden 23 kleurenfoto's van Paul Kooiker op een aparte bladzij vermeld. Hoofd, been, borst, hand, nek, schouders, knieën, dij, voeten, rug, kin, venusheuvel, hielen, teelbal, arm, dat zijn de titels, sommige worden een paar keer gebruikt. Die eenvoud past bij de manier waarop hij de lichaamsdelen heeft gefotografeerd, denk aan dit fragment uit de beknopte opsporingsleer van Cornelis Bastiaan Vaandrager, `Geef u rekenschap van de situatie./ Laat de situatie zoveel mogelijk onveranderd.'

Kooikers belangstelling voor medische fotografie is aan zijn eigen werk af te zien. Dezelfde afstand, dezelfde duidelijkheid, dezelfde weigering om er iets moois van te maken. Op enkele foto's uit de Utrechtse collectie zie je een paar handen of vingers die niet aan de patiënt maar aan een ander toebehoren. Ze laten de tumor in de handpalm of de afsnoering van de vingers bij een pasgeborene zo duidelijk mogelijk zien. Zulke demonstrerende handen zie je ook bij Kooiker, als er een broekspijp wordt opgetrokken om een netwerk van rode schrammen op een been te laten zien, wanneer de palm van een zwarte hand wordt getoond en zelfs bij het blootleggen van het onbestemde gebied tussen dij en buik.

Been

Groot is het verschil met de foto's van Helmar Lerski in de tijd van A corps et à raison. Diens landschappen, zoals Lerski zijn lichaamsfoto's noemde, zijn zo geabstraheerd dat het voorhoofd of het stukje huid vlak onder de neus nog nauwelijks is te herkennen. Die abstractie is bij Kooiker taboe. Een been is een been, een arm een arm, een nek een nek. Elke foto van een meter in het vierkant is concreet.

En toch beeldt Kooiker nog iets anders uit dan een eenvoudig lichaamsdeel. Hij zoekt het niet in de gruwelen. Af en toe zie je een rode vlek of een andere plotselinge verkleuring, op de wreef, in de nek, op de bovenarm. Vertrouwde onvolkomenheden. Maar door de uitsnede en door nog iets anders wat niet valt te verklaren krijgen de door Kooiker gekozen lichaamsdelen zelf iets toevalligs, alsof ze zijn verzonnen. De rimpels boven een knie, de natte haartjes op de dijen onder een zwembroek, zelfs een kin boven een das, ze zouden misschien ook anders kunnen zijn, verbazing over hun eigen vorm, de hiel die aarzelend rust op de wreef van de andere voet.

Pam Emmerik zegt dat ze zich door deze beelden bijna bestolen voelt van de heimelijke blikken die ze dagelijks op andere mensen werpt. Die nimmer eindigende speurtocht naar alles wat van je verschilt maakt zeker deel uit van Kooikers foto's. Maar het gaat nog verder. Het lijkt of Kooiker zonder een spoor van sentiment werkelijk is doorgedrongen tot het ogenblik waarop het meteen al gebutste lichaamsdeel werd ontworpen, voor het fataal kan vergroeien, in welke richting dan ook, voor het deel uitmaakt van wetenschap, kermis of kunst.

Utrechtse krop, Paul Kooiker en Collectie Medische Fotografie Utrechts Universiteitsmuseum. Idee en samenstelling Frido Troost en Willem van Zoetendaal. De kabinetten van de Vleeshal, Zusterstraat 7, Middelburg. Di t/m zo 13-17u. Het boek `Utrechtse krop' van dezelfde samenstellers telt 119 bladzijden en kost ƒ95,-