De oerbol als ideaal

In zijn gedicht `Wij komen ter wereld' heeft Jan Hanlo zich ooit voorgesteld hoe heerlijk het zou zijn om achteruit te leven. Als wij uit ons graf ter wereld kwamen zou er eerst nog rouw zijn. Maar ons sterfhuis bleek een leefhuis. We genazen er van kwalen en kwamen er op krachten. Gingen aan het werk en werden ook daardoor verkwikt. We werden jong en steeds mooier, en bereikten op den duur een paradijselijke laatste haven: `de schoot ener moeder'.

Maar zou dat echt de laatste haven zijn? Je kunt nog verder denken, oppert Oscar van den Boogaard in zijn nieuwe roman Liefdesdood. Want je bent niet de enige die in de moederschoot verdwijnt. Je moeder kruipt ook zelf weer in haar moeder en je vader in de zijne. Heel de mensheid keert terug tot haar oerbegin. `Ik heb iemand gekend die geloofde in een gelukzalige oerbol die op een dag is geëxplodeerd', zegt een personage. `Als we de geschiedenis zouden terugspoelen zouden we volgens dat scenario in elkaar spatten tot zo'n oerbol. Een gelukzalige eenheid.'

Het is die gelukzaligheid waar Van den Boogaards personages ieder boek weer smeltend naar verlangen. Het zijn mensen die niet in de wereld passen. Ze voelen zich opgesloten in zichzelf en lijden onder dat isolement. Liefst zouden ze hun individualiteit verliezen en volkomen in iets opgaan, in een liefde, in het Al, in de verrukkelijke eenheid van die oerbol.

Het oceanische verlangen, noemde Van den Boogaard dat eerder met een jungiaans begrip vol troostrijk vrucht- en ander water, en dit nieuwe boek zet daar meteen in hoofdstuk één mee in. Een meisje van acht duikt in het zwembad van de buren, tien keer, twintig keer, zo vaak dat buurvrouw niet meer oplet en te laat merkt dat het kind na weer een duik niet meer boven is gekomen. Het zweeft in het water, dood, en daarmee ligt het raadsel klaar waar de roman zich aan zal wijden. Hoe verdrinkt een meisje in een zwembad van niks? Door een ongeluk, jawel, maar dat is niet de stof waarvan romans worden gemaakt, en het zal niet voor niets zijn dat het kind de naam Vera meegekregen heeft. Haar dood verbergt een Waarheid over oceanische verlangens.

Om die te benaderen zet Van den Boogaard een vernuftige intrige uit, die met omtrekkende bewegingen de nabestaanden volgt. Eerst kijk je met de buurvrouw mee, als ze het lijk ontdekt. Dan volg je andere betrokkenen, de vader en de moeder in de eerste plaats, en zie je hoe het sterfgeval binnen de kleine cirkel van hun villadorpje natrilt. De moeder trekt zich terug in haar verdriet en wordt volkomen onaanspreekbaar. De vader laat haar daarom achter wanneer hij een baan in Suriname krijgt (we zijn hier in de jaren `70) en keert pas terug na zijn pensioen. De buren nemen in de tussentijd een pleegdochter in huis en hopen kleine Vera daarmee te vervangen. Maar niets blijkt het gat te kunnen dichten. Het verleden dringt zich steeds weer op en het verhaal keert daardoor terug naar juist die dagen die vergeten moesten worden.

Zo blijkt uit flashbacks naar die tijd dat Vera niet de enige met oceanische verlangens was, haar moeder had ze ook. Inmiddels twaalf jaar met haar militair getrouwd, begon zij te beseffen dat hij niet de man was die ze nodig had. Het ontbrak hun huwelijk aan overgave en versmelting, en ze zocht die daarom sinds een poosje elders. Sterker nog, ze vond die ook. Net op de dag dat Vera in het water sprong, stond zij zelf klaar voor een sprong, hoe zeg je dat cryptisch genoeg om de plot niet weg te geven, in een oceaan van liefde.

Waar Liefdesdood op aanstuurt, is de mogelijke samenhang tussen die beide sprongen. De dood uit de titel is die van de dochter, maar de liefde slaat op haar hartstochtelijke moeder, dus je gaat op zoek naar een verband. Heeft het kind zichzelf verdronken toen ze weet kreeg van haar moeders plannen? Uit verdriet over haar moeders verlangen? Uit herkenning van dat verlangen? Of was het toch gewoon een ongeluk, zoek je een samenhang waar die niet is? Bestaat de samenhang alleen in de gedachten van de moeder, die sindsdien verteerd wordt door zelfverwijt?

Het curieuze is dat Van den Boogaard al die opties openhoudt. Het gaat hem blijkbaar niet om één precies scenario, de waarheid zit voor hem in de hele staalkaart aan mogelijkheden. Hij laat je achter met een soort uitwaaierend besef van de verwoesting waar het oceanische verlangen toe kan leiden. Al vertoont het zich aanvankelijk als een verlangen naar een leven van vonkende vitaliteit, het eindigt in een tegendeel van dood en eenzaamheid. Het heeft de schijn van levensdrift, maar Carry van Bruggen zei al: eenheidsdrift is doodsdrift.

Van den Boogaard vangt die destructieve dubbelzinnigheid het best in zoiets vluchtigs als een sfeer. Hij kent de stijlvormen die het modernisme uitgevonden heeft om te suggereren wat niet te benoemen valt, van associatieve gedachtenstromen tot ontregelende opsommingen. Hij schrijft beweeglijk en vloeiend, en hij zet daarbij graag een komma waar je op de lagere school een punt leert zetten. Alles in één eindeloze, doorlopende zin, want alles houdt verband. Hij schrijft kortom zoals zijn personages leven, met dezelfde hang naar eenheid en versmelting en hetzelfde gevaar zich daar in te verliezen.

Maar de suggestie van die stijl is hem helaas niet genoeg, hij zwicht voor de verleiding de verlangens van zijn personages ook nog hardop uit te spreken. In hun eenheidsdrift zijn ze voortdurend op de toppen van hun emoties. Ik hou van je, zegt de een, en wringt de handen. Ik hou van je, zegt een ander, maar zijn stem is te verstikt om te klinken. Om de haverklap gebeuren dingen onder tranen, zuchtend of juist ademloos. En mocht zelfs dat nog niet genoeg zijn om de tragische onmogelijkheid van hun verlangens duidelijk te maken, dan is er ook nog de titel, deinend op het pathos van Wagners Tristan und Isolde en hun Liebestod.

Het probleem met al die overdaad is niet alleen dat Van den Boogaard elk gevoel voor humor lijkt te hebben ingeslikt, het is vooral dat hij er niet in slaagt de personages leven in te blazen. Hij voorziet ze weliswaar van een verleden, een karakter, de noodzakelijke data, maar alleen waar hem dat uitkomt voor een wending in de plot. Ze hangen zichtbaar aan zijn touwtjes, ze zijn niet meer dan een instrument, en ik ben bang dat daar een tweede reden ligt waarom het slot van de roman zoveel vragen open laat. Die personages interesseren hem niet echt. Ze interesseren hem alleen als ze getuigen van hun hartverscheurende gevoelens.

Het gevolg is pijnlijk. Want die hartverscheurende gevoelens worden daarmee een doel in zichzelf, een eigen wereld, losgezongen uit een samenhang die je al lezende als werkelijk zou kunnen ondergaan. Ze zijn niet meer aangrijpend of betekenisrijk, ze zijn alleen nog mooi. Mooi door de taal. Mooi in hun sentiment. Ze zijn er voor de esthetiek, met andere woorden, en dat is sinds jaar en dag het keurmerk van de kitsch, de pose en de koketterie.

Oscar van den Boogaard: Liefdesdood. Querido, 175 blz. ƒ37,50