Christopher Lasch: The Culture of Narcissism, 1979

Had Christopher Lasch The Culture of Narcissism in 1999 gepubliceerd, dan zou waarschijnlijk niemand ervan opkijken. Nu volwassenen op tv hun seksfantasieën kunnen uitleven in brandweeruniform of op tafel in een pizzeria, en kinderen op straat `Jerry Springertje' spelen (met zijn drieën op een rijtje zitten en elkaar uitschelden), is de diagnose `narcistisch' voor deze tijd snel gesteld.

Maar in 1979 was het boek een `eye-opener', zeker voor de Amerikaanse president Jimmy Carter. De Democraat Carter – een born again christian die in Playboy had opgebiecht één keer overspelig te zijn geweest, zij het `in gedachten' – werd direct gegrepen door Lasch' sombere analyse van Amerika als een verwende natie van ruggengraatloze navelstaarders. Toen hij het boek uit had, verscheen Carter op de nationale televisie om het volk te vertellen dat Amerika ten prooi was aan een `diepe spirituele malaise', waar geen overheid tegenop kon. Zijn `malaise-toespraak' was de grafrede voor een hardwerkende en godvruchtige droom, gesmoord in ijdelheid en hedonisme.

Carters geruchtmakende rede tekende het succes van The Culture of Narcissism, waarin de historicus Lasch de miserabele zegetocht beschrijft van een `narcistische' persoonlijkheid. Dat eigentijdse type, product van een vluchtige consumptiemaatschappij, ondermijnde traditionele waarden als hard werken, deugdzaamheid en opofferingsgezindheid en was zodoende niet alleen een gevaar voor het gezin, maar voor de hele samenleving. De moderne narcist kan zich namelijk nergens aan binden, behalve aan zijn eigen onophoudelijke zucht naar liefde, lof en zelfbevestiging. Het boek was een instant-bestseller, de eerste van Lasch, hoogleraar geschiedenis in Rochester en eerder auteur van studies over Amerikaans links en het boek over het afbrokkelende gezin in de moderne tijd Haven in a Heartless World (1977).

Lasch' boek was dan ook precies op tijd. In de katerige schemertoestand waarin Amerika was beland na het tumult van de jaren zestig en de martelgang van Richard Nixon in het Watergate-schandaal, toen niemand meer wist hoe het zover gekomen was, bood Lasch een nieuwe diagnose: we waren allemaal narcisten aan het worden. Dat was geen modegril, maar een historische ontwikkeling die volgens Lasch samenhing met de volledige ontplooiing van het kapitalisme. De seculiere en geïndividualiseerde consumptiemaatschappij van het moderne Amerika produceerde een nieuw menstype: egocentrisch, maar innerlijk onzeker en geobsedeerd door de onmiddellijke bevrediging van zijn fysieke en psychologische behoeftes. De politieke pendant van dit kapitalisme, de welfare state waarin hij zich kon laten vertroetelen als een baby, ontnam de burger zijn laatste resten verantwoordelijkheidsgevoel.

The Culture of Narcissism ging uit van een klassiek Amerikaans vraagstuk: de verhouding tussen individu en collectief, met als inzet het waarborgen van optimale vrijheid voor het eerste tegenover maximale slagkracht voor het tweede. De neo-freudiaanse terminologie sloot bovendien aan bij de psychologische maakbaarheidsideologie die Amerika vanaf de jaren veertig in zijn greep had gekregen. Sociologie en psychoanalyse hadden al eerder een gelukkig huwelijk gesloten in bestsellers als Karen Horney's The Neurotic Personality of Our Time (1937), David Riesmans The Lonely Crowd. A Study of the Changing American Character (1950) en Erich Fromms Man for Himself (1947).

Als auteur was Christopher Lasch bovendien gezegend met een goed oor voor oneliners. Zijn boek bulkte van de hapklare paragraaftitels als `vrije tijd als escapisme', `de cultus van authenticiteit', `de atrofiëring van bekwaamheid', `de innerlijke leegte'. Wie eind jaren zeventig zijn oog in de boekhandel over die verontrustende titels liet glijden, moest wel het idee krijgen hier een ongelooflijk belangrijk boek in handen te hebben dat in kaart bracht waar wij, moderne dolende zielen, ons op de psychische landkaart bevonden: namelijk in een hedonistisch, zielloos terra incognita.

Kort na publicatie werd The Culture of Narcissism nog vooral gelezen als een `links' boek, door het psychoanalytische jargon en de ongezouten kritiek op de consumptiemaatschappij. Lasch raakte een open zenuw bij de progressieve intelligentsia die, murwgebeukt door Vietnam en Watergate, hun sociale engagement had verruild voor psychische emancipatie in therapie, praatgroep of New Age. Journalisten vonden in die psycho-babbel toen al een dankbaar onderwerp voor spot en satire. Tom Wolfe ijkte in 1976 het begrip `The Me-Decade', dat uitgroeide tot het epitheton voor de praatzieke jaren zeventig. Cyra McFadden deed er enkele jaren later een schepje bovenop met The Serial (1980), waarin ze de spot dreef met de vrijblijvende zelfbespiegeling onder rijke Californiërs. Ook elders knaagde de twijfel. In Nederland wijdde de Haagse Post eind 1979 een spraakmakend themanummer aan `het ik-tijdperk'.

Maar Lasch zelf was onaangenaam verrast door zijn typecasting als criticus van een tijdperk. De lachers op zijn hand krijgen wilde hij al helemaal niet. Het zwaarmoedige moralisme van Lasch ging veel verder dan het kastijden van de tijdgeest. Het narcisme dat Lasch signaleerde, van politiek en media tot sport en onderwijs, was geen voorbijgaande gekkigheid, maar duidde op een ingrijpende verandering van de moderne persoonlijkheidsstructuur, en op een maatschappelijke crisis van door hem bewonderde bourgeoiswaarden als ijver, vlijt, moed en opofferingsgezindheid.

Voor Lasch kwam de redding dan ook allerminst met het aantreden van Ronald Reagan, die Amerika in 1980 een nieuw ochtendgloren beloofde en een eind aan alle linkse decadentie. Integendeel, het Reagan-tijdperk bracht volgens Lasch alleen maar méér narcisme. Het maniakale yuppie-hedonisme van Wall Street was een voortzetting van het Californische navelstaren met andere middelen: dollars in plaats van lsd. `De morele bodem is uit onze cultuur gevallen', zei Lasch in 1990 apodictisch in een gesprek met NRC Handelsblad. `Amerikanen hebben geen prikkel om de bevrediging uit te stellen, omdat ze niet langer in de toekomst geloven.'

Dat pessimisme maakt Lasch' boek achteraf gezien eerder een conservatieve cultuurkritiek. Onder de freudiaanse verpakking is The Culture of Narcissism een weemoedige aanklacht tegen de moderne tijd. Lasch verbond een afwijzing van het oer-Amerikaanse vooruitgangsdenken met een Victoriaanse kritiek op het ideaal van `zelfontplooiing' en met ongeloof in het vermogen van de moderne samenleving om zichzelf aan de haren uit het moeras te trekken. Ook wie Lasch twintig jaar later herleest, wordt bevangen door een verlammend gevoel van malaise en chagrijn. Misantropie ligt op de loer. Lasch bederft het plezier in bijna alles: van werk (pseudo-prestaties) en relaties (pseudo-intimiteit) tot een bezoek aan het voetbal (pseudo-sport) of een avondje met de leesclub (pseudo-eruditie). Die retoriek vormt de kracht en tegelijk de zwakte van het boek.

Het hedonisme is nog steeds herkenbaar, zelfs in groteske vorm. De huidige talkshow-cultuur lijkt een kwadratuur van de therapeutische jaren zeventig. In het kielzog van Lasch hebben talloze schrijvers de lobotomisering van het moderne leven aan de kaak gesteld. Met Allan Blooms The Closing of the American Mind (1987), waarin studenten worden neergezet als roeszoekende zombies, en Robert Borks Slouching Towards Gomorrah (1996), dat Amerika vergelijkt met het decadente laat-Romeinse Rijk, kreeg de depressieve Lasch achtereenvolgens een hysterische en een hondsdolle opvolger. Zelf bleef Lasch respectabel. Hij deed zijn bestseller nog eens dunnetjes over in The Minimal Self (1984), gevolgd door twee boeken waarin hij zijn steeds zuurdere cultuurkritiek de vrije loop liet. Dit latere werk van Lasch, die in 1994 op 61-jarige leeftijd overleed aan leukemie, werd weliswaar gretig ontvangen maar hij maakte er geen furore meer mee. Daarvoor was zijn boodschap te bekend geworden en ook herkend als te eenzijdig. Er kwamen dus tegengeluiden. Charles Taylor publiceerde in 1989 het prachtige Sources of the Self, waarin hij nauwgezet de bronnen van het zo gesmade ideaal van zelfontplooiing in de westerse cultuur traceerde. Taylor zag evenals Lasch wel uitwassen, maar belichtte ook een andere kant: de morele inspiratie van het ideaal en het ethische potentieel van het `zorgen voor jezelf'.

Die keerzijde was aan Lasch niet besteed. Misschien zou hij nog wel moed hebben geput uit de volwassen, nuchtere houding van de meeste Amerikanen in het Lewinsky-schandaal. Kennelijk heeft de soap-cultuur de spirituele veerkracht van de burger nog niet helemaal gebroken. Dat had Jimmy Carter in 1979 beter ook kunnen bedenken. Na zijn `malaise-toespraak' wachtte hem een smadelijke verkiezingsnederlaag.

Christopher Lasch: The Culture of Narcissism. American Life in an Age of Diminishing Expectations. 1991. Norton, 282 blz. ƒ37,95 (pbk)