Brusselmans en de blotetettendanseuse

Door zinloos geweld vallen in het Vlaamse dorp Lensbeke in 1967 zes doden en vier zwaargewonden, zonder dat iemand om hen treurt. Een zevende sterft vergeten in de achterbak van de dorpsarts die op weg naar het ziekenhuis in een `hoerenkot' blijft hangen. Om hem treurt al helemaal niemand want hij was een `vuile weerstander' die in de oorlog tegen de Duitsers was.

Herman Brusselmans geeft in zijn verhalenbundel Het einde van mensen in 1967 een weinig verheffend beeld van Lensbeke en zijn bewoners. De mannen zijn zuipende fascisten die hun echtgenotes verkrachten en mishandelen: `In de Karpetstraat was verkrachting ongeveer de enige ontspanning van de debiele bewoners, naast messenvechten, katten doodslaan om ze op te eten en met de eigen kinderen onder de dekens kruipen.' Vrouwen kunnen slechts berusten, weglopen, of zelf naar het mes of de riek grijpen.

Het boek is een geraffineerd opgebouwde cyclus van vijf verhalen die steeds eindigen in een abrupte en bloedige climax. In een volgend verhaal, dat vanuit een hele andere invalshoek begint, wordt terloops de nasleep van de voorafgaande verhalen verteld. Omgekeerd bevat een eerder verhaal vaak de proloog voor een nieuw verhaal. De kroegbaas die in `Onheil in de Pilaarstraat' wordt doodgestoken, blijkt in `She likes it' een zoon te hebben die per ongeluk zijn moeder en zus doodt. De duivelse nimfijn die hem daartoe aanzet, heeft al eerder in `Zuster Rosa op de boerderij' een lesbische non te gronde gericht. Zo krijgt de bundel samenhang en geeft Brusselmans een veelkleurig beeld van het dorpsleven.

Brusselmans bouwt de spanning op door het verband tussen de vele plots goed gedoseerd en versluierd te onthullen, steeds terug- en vooruitwijzend. In ieder verhaal hangt een broeierige onheilssfeer, omdat er weer een slachtoffer gaat vallen, maar nog niet bekend is wie het zal zijn. Dat komt dan ook steeds weer als een verrassing.

Het boek is een uitzondering op de rest van het oeuvre van de Vlaamse veelschrijver. Meestal gaan zijn boeken over hemzelf: een in braaksel zwelgende, belegen puber die in de kroeg zit te mijmeren over meisjes en bier, en zit te schelden op België en de letterkunde. Zijn alter-ego en de polemische tirades begonnen na zo'n veertig boeken behoorlijk te vervelen. Het is dus toe te juichen dat in zijn nieuwe verhalenbundel andere onderwerpen worden aangesneden. Toch is ook dit boek een typische Brusselmans; zijn humor, zijn cynische wereldbeeld en de fascinatie voor drank en seks ontbreken niet.

Het einde van mensen in 1967 is een eigenzinnige variatie op de klassiek Vlaamse, sociaal bewogen streekroman. Brusselmans voegt zich in de traditie van Boon en Streuvels door kleurrijk het harde leven van het gewone volk te beschrijven. De personages hebben namen als Rappe Rik, Toon de Trekzak en Flor de Paardenmarchand. Ze spreken een sappig dialect: `Laat mij gerust! Ik sta hier de hele avond mijn rekker af te draaien en dan krijg ik wat kloppen tegen mijn smoel.' Copuleren heet `poepen', een vagina heet een `preut', en roddel heet `gazettenklap'. Alleen al voor het woord `blotetettendanseuse' verdient dit boek een plaatsje in de literatuurgeschiedenis.

Maar het is ook een anti-streekroman. Natuurbeschrijvingen komen er niet in voor, evemin als armoede of klassenconflicten. De bijziende advocaat rijdt weliswaar ongestraft arbeiders dood en de dokter maakt schandelijk misbruik van zijn machtspositie, maar dat is om aan te tonen dat de heersende klasse van Lensbeke geen haar beter is dan het gemene volk.

In dit boek zijn boeren, burgers en buitenlui even slecht. Zelden heeft een schrijver in één boek zoveel `crapuul' weten te verzamelen. Wat overigens niet wil zeggen dat het een onsympathiek boek is. Integendeel, het is een grappige bundel, sterk als de rijkelijk vloeiende drank en vet als de veelvuldig geserveerde bierworst.

Herman Brusselmans: Het einde van mensen in 1967. Prometheus, 200 blz. ƒ29,90