Bruggetje gebroken

Betreurenswaardig hoe weinig de Germaanse mythen- en sagenwereld in de tegenwoordige Nederlandse cultuur leeft. In vele huiskamers is bijvoorbeeld Marcel Ottens recente, memorabele Edda-vertaling alweer in de onderkast terecht gekomen. Het zijn de Grieken en Romeinen die op onze ereplanken prijken, samen met de canon uit joods-christelijke traditie. Het Germaanse cultuurgoed stuit op een grens die loopt boven Terschelling en Schiermonnikoog en dan langs de Duitse grens naar beneden. Hoe dat komt? `Nederlanders worden er niet graag aan herinnerd dat zij een soort Duitsers zijn. De Nederlandse identiteit staat of valt nu eenmaal met de afwijzing van het Deutschtum. Bovendien roept een al te grote belangstelling voor de Germaanse voorgeschiedenis nu eenmaal gauw allerlei onaangename bijgedachten wakker. Nederlanders met een onweerstaanbare hang naar de oertijd storten zich daarom maar liever op de Kelten of op volkeren nog verder van huis.'

Deze even simpele als plausibele verklaring is te vinden in de inleiding bij een heruitgave van vier prachtige teksten van de zestiende-eeuwer Gerard Geldenhouwer van Nijmegen: Lucubratiuncula de Batavorum insula, Historia Batavica, Germaniae Inferioris historiae en Germanicum historiarum illustratio. Een tweetalige editie (het oorspronkelijke Latijn naast de Nederlandse vertaling), bezorgd door István Bejczy en Saskia Stegeman.

Mooi aan deze editie is in de eerste plaats de ontmoeting met de volstrekt vergeten, briljante Geldenhouwer zelf, een scherpzinnig en scherp, gewetensvol, tekstkritisch humanist, hoogleraar in zowel geschiedenis als theologie, en diplomaat van de Hessenvorst Philips de Grootmoedige. In zijn dagen was Geldenhouwer (1482-1542) de gedoodverfde opvolger van Erasmus, met wie hij overigens vanwege vermeend misbruik van diens teksten daverend ruzie kreeg - hij zou Erasmus door selectief anti-paaps citeren met de Hervorming hebben geassocieerd, terwijl Erasmus nooit een Moederkerk-schisma heeft nagestreefd. Geldenhouwer schreef een indrukwekkende hoeveel werken, waaronder Satyrae octo uit 1515, gericht tegen bekrompen monniken en theologen. Hij deed dat volgens de Engelse humanist Thomas More zo gepeperd, dat Erasmus' Lof der zotheid er bleek bij afstak. Helaas bestaat van Geldenhouwers satiren slechts een Latijnse editie uit 1901. Misschien zouden ze eindelijk moeten worden vertaald: stijl en anekdotische dichtheid in Geldenhouwers historische geschriften maakt erg nieuwgierig naar zijn satirisch werk.

In zijn geschriften over de Bataven toont Geldenhouwer zich dankbaar voor betrouwbare bronnen en uitermate streng voor valse informanten. Voor een groot deel bestaat zijn tekst uit citaten, die hij als humanistisch filoloog tegen elkaar afweegt. Mooi is hoe Geldenhouwer of door hem geciteerde collega's tekeer gaan: Volpardus zei toen hij de Kroniek van Holland zag die door de geleerde Beka in elkaar was geflanst, dat Beka op hem de indruk maakte van een onervaren timmerman, die bouwmateriaal voor een huis heeft bijeengebracht, zonder aandacht voor het juiste ogenblik van kappen, zonder te weten welke houtsoort geschikt is voor welk deel van het huis, welke soort extra gevoelig is voor houtwormen en mijten, welke soort bruikbaar is ter versteviging, welke voor ondersteuning en welke voor de sier. Mag Geldenhouwer zichzelf nogal eens radicaal uiten, op andere plaatsen is hij de bescheidenheid zelve: `Ik kom mij zelf voor als minder geschikt voor de hogere wetenschap. Lees en oordeel (dus) nauwkeurig, wie u ook bent die dit werk ter hand genomen heeft, en vermaan ons eerlijk indien wij ergens zijn afgeweken van de waarheid.

Wat betreft Geldenhouwers hoofdvraag (waar woonden de Batavieren?) hoeven we hem niet te vermanen. Hollandse scribenten, met name Erasmus, hadden geprobeerd het Batavische heldendom op te eisen voor de Hollandse genen, Geldenhouwer betoogt naar waarheid dat ook Gelderse aderen konden bogen op het krijgersbloed, waar de door hem vereerde Tacitus van rept: de Bataven hebben inderdaad gewoond langs een denkbeeldige lijn van Nijmegen tot aan Katwijk.

Roem en eer voor de eigen streek opeisen via de spiegel der Klassieken, was een beproefde humanistische methode. Geldenhouwer wijst echter zo veelvuldig op zijn waarheidsstreven dat we bijna geloven dat hij zijn bevindingen ook zou hebben gepubliceerd als die minder gunstig voor Nijmegens verleden zou zijn uitgepakt. Roem en eer voor het eigen vaderland via de heldenspiegel der Bataven: die methode zou later nog vaak worden toegepast. Je kunt je afvragen of het altijd even waarheidsgetrouw is gebleven.

Toen Albert Helman in 1945 werd gevraagd een toneelstuk te schrijven, bleek het eerste bedrijf van zijn Vrij Volk nog de Batavieren te betreffen. Kon dat? Het was toch Germanenvolk, net als de moffen? Het blijkt wel wat mee te vallen met dat Germanentum van de Batavieren: ze waren niet meer zo in Wodan en Donar, en vochten al vóór de opstand van Julius Civilis met Romeinse troepen in Engeland. Daarbij bestond de lijfwacht van verscheidene Rome-keizers uit de om hun kracht vermaarde zwaardreuzen uit het latere Holland en Gelderland. Hadden ze de boekenkast gekend, de Bataven hadden Romeinen op de ereplank gezet, hoe heldhaftig Julius Civilis ook opstond.

Als je de geschiedenis van die opstand goed leest, bij Geldenhouwer of in latere versies, het blijft slikken. Want Julius Civilis mag dan enorm hebben gestreden in 69-70 na Christus, hij verloor de strijd roemloos. Het einde vond plaats op een vernielde brug, waarschijnlijk nabij het Betuwse Maurik. We zien twee mannen op de uitstekende oeverstukken: Julius Civilis rechts, cohortencommandant Cerialis links. `Wat geef jij, en wat neem ik?' Een overgavegesprek tussen twee Romeinen, welbeschouwd. De Batavierenopstand ging om zelfbestuur. Niks Noord-Zuid, geen sprake van Romaans tegen Germaans.

We kunnen dus naar aanleiding van de geschiedenis van de Batavieren, gezaghebbend beschreven door de onvergetelijke humanist Gerard Geldenhouwer, vaststellen dat de Bataven de eerste, halfhartige verraders van hun Germaanse wortels waren. Een voorbeeld dat we sindsdien hebben nagevolgd. De brug tussen onze huidige verhalenwereld en die der Germanen lijkt definitief gebroken, we hebben onze oerteksten, onze eigen mythologie in de onderkast gezet, omdat we geen Duitsers wilden zijn. Een tragische conclusie, ingegeven door een simpele, plausibele verklaring, in de inleiding van een heruitgave van vier belangwekkende, prachtige humanistenteksten.

Gerard Geldenhouwer van Nijmegen: Historische werken. Uitgegeven en vertaald door István Bejczy en Saskia Stegeman. Verloren (Middeleeuwse Studies en Bronnen LIX), 232 blz. ƒ49,–