Vilna

Een handelshuis uit 1902, met opvallende hekken op het dak. Dat moet een joodse eigenaar geweest zijn. Het buurhuis heeft in de gevel gestileerde zevenarmige kandelaars. Om de hoek een gebouwtje voor maatschappelijk werk ooit een joods leslokaal. In de dorpen: boerenschuren, loodsen, de dichtgetimmerde resten van de vele houten synagogen die over het land verspreid stonden.

Vilnius Vilna in het Jiddisch was een volop joodse stad, een eeuwenoud centrum van joodse geleerdheid en cultuur. In 1938 was 40 procent van de bevolking joods, er was een joodse academie, er verschenen zes joodse dagbladen. Nu is daar vrijwel niets en niemand meer van over, op een paar herdenkingsplaten na. Vrijwel alle 200.000 Litouwse joden zijn vermoord. In de communistische tijd werden de joodse grafstenen gebruikt als traptreden voor de nieuwe Vakbondshal. Nu is er een klein joods museum, met twee thorarollen, de resten van een lessenaar, een paar portretten, veel meer rest er niet.

Een derde van de joodse bevolking, zo'n 70.000, werd neergeschoten in een recreatiebos bij Paneriai, vlakbij de stad. De taxichauffeur blijkt er nog nooit van gehoord te hebben, en zo zijn er meer. Met veel vragen komen we er uiteindelijk. Het is een groot, stil, hol klinkend bos. Overal zijn kuilen en heuveltjes te zien, overdekt met sneeuw. Op het monument staat sinds 1991 vermeld dat de meeste slachtoffers hier joden waren daarvoor waren het eenvoudig `Sovjetburgers'. De taxichauffeur loopt mee, aangeslagen. `Wat mensen elkaar toch aandoen.' De wind waait door de toppen van de bomen, dat is alles.