Verschil moet er zijn

De Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) organiseerde vorige week een conferentie onder het motto `Verschil moet er zijn'. Het thema van die conferentie was de groeiende behoefte van de universiteiten om zich door middel van een eigen `profiel' van elkaar te onderscheiden. Het was enigszins eigenaardig dat de VSNU dit onderwerp als thema voor haar jaarvergadering had gekozen. Profilering betekent immers concurrentie en dus juist niet samenwerking, maar tegenwerking. Maar misschien gaat het met de VSNU als met de VPRO, die immers ook in niets meer herinnert aan waar die initialen vroeger ooit voor stonden. Op het postpapier van de VSNU, zo ontdekte ik bij deze gelegenheid - want ik krijg niet vaak post van de VSNU - staat immers alleen nog maar Vereniging van Universiteiten. De woorden `Nederlandse' en `Samenwerkende' zijn verdwenen. Deze ontwikkeling heeft mijn volledige instemming. Ik ben altijd tegen een VSNU geweest. Ik ben voor een VETU, een Vereniging van Elkaar Tegenwerkende Universiteiten. Zoiets als de Nederlandse Vereniging van Banken dus.

Nog vreemder is het feit dat de Nederlandse universiteiten een conferentie organiseerden over het thema `Verschil moet er zijn', terwijl zij in het recente verleden die verschillen nu juist zoveel mogelijk hebben weggewerkt. Vroeger waren er immers verschillen te over, verschillen in oorsprong en roeping, verschillen in taken en - niet te vergeten - verschillen in naam. Zo had je universiteiten en hogescholen, een op zichzelf heel zinnig onderscheid dat bijvoorbeeld ook in Frankrijk en Zwitserland bestaat, waar sommige van deze Hochschulen en Grandes écoles bovendien in prestige boven de universiteiten uitsteken. Maar dit onderscheid paste niet meer in het moderne, door Angelsaksische begrippen gedomineerde spraakgebruik en de scholen voor Hoger Beroeps Onderwijs wilden zich begrijpelijkerwijs ook Hogescholen noemen. Welnu, verschil moet er zijn en dus gingen de HBO-scholen Hogescholen heten en de Technische en andere Hogescholen universiteiten. Zo kregen wij de TUD en de TUT, alsook de KUB en de EUR et cetera. Vervolgens kwamen er ook nog eens Theologische Universiteiten, een Open Universiteit en zelfs een Universiteit voor Humanistiek. En het eind is nog lang niet in zicht, want de Islamitische Universiteit komt eraan en er bestaan serieuze plannen voor een Virtuele of Internet Universiteit, terwijl Johan Cruijff bezig is met de oprichting van een Voetbal Universiteit en judokoning Anton Geesink zijn eigen Mobiele Olympische Akademie bestuurt.

Het interessante aan deze ontwikkeling is dat eerst alle instellingen voor wetenschappelijk onderwijs gelijk werden geschakeld en universiteiten gingen heten en dat al die universiteiten zich vervolgens als bezetenen gingen profileren om zich toch maar vooral van elkaar te onderscheiden. `Profileert, profileert, dat is Mozes en de profeten', zo zou men, met een variant op Karl Marx, het huidige streven kunnen samenvatten. Zo kennen wij tegenwoordig naast verschillende `soorten' universiteiten, zoals Technische, Theologische en andere, ook verschillende `typen' van universiteiten: de stadsuniversiteit, de campus-universiteit, de regionale universiteit, de confessionele universiteit, de klassieke universiteit, de ondernemende universiteit, de elitaire universiteit en ga maar door. Elke instelling wil kennelijk haar eigen gezicht laten zien en haar eigen geluid laten horen. En dat niet alleen. Elk wil ook een eigen niche vinden, een gat of gaatje in de grote markt van onderwijs en onderzoek. Elk zingt dus zoals hij gebekt is, maar alle universiteiten samen zingen weer een ander lied dan dat wat die andere vorm van hoger onderwijs, het HBO, laat horen.

Het resultaat van deze ontwikkeling is dat wij het tertiair onderwijs nu op twee verschillende manieren kunnen onderscheiden. Ten eerste is er het klassieke onderscheid tussen WO en HBO. Alle instellingen van hoger onderwijs die academische graden verlenen, of zij nu algemeen vormend of beroepsgericht zijn, vormen samen één groep. Zo was het en zo is het nog steeds. Waar die graad behaald wordt, doet er niet toe. Een graad is een graad is een graad! Alle andere, die geen graden verlenen, vormen een andere groep. Hiernaast ontwikkelt zich thans een tweede onderscheid, dat wij profilering noemen. Deze vorm van onderscheid zou ik de Amerikaanse willen noemen. In Amerika gaat het er immers niet om dat je aan een universiteit hebt gestudeerd, maar waar je gestudeerd hebt.

Deze twee vormen van onderscheid kunnen op zichzelf allebei verdedigd worden, maar niet tegelijkertijd. Want als alle universiteiten iets gemeen hebben dat hen principieel onderscheidt van andere vormen van hoger onderwijs, dan hebben zij niet veel mogelijkheden zich van elkaar te onderscheiden. En als alle universiteiten hun eigen lied willen zingen, dan zullen sommige op den duur een toontje lager moeten zingen en hun lied zal dan veel gaan lijken op dat van het HBO. Deze ontwikkeling is nu al te zien. De huidige universitaire opleidingen zijn vergeleken met vroeger zo sterk veranderd, dat ze in sommige opzichten nauwelijks meer verschillen van HBO-opleidingen. Het is dan ook de vraag of het onderscheid WO-HBO nog reëel is. Verkiezen de studenten het wetenschappelijk onderwijs werkelijk omdat zij een wetenschappelijke vorming willen? Doen zij dat niet veeleer omdat de universiteit nu eenmaal meer prestige heeft en het beter is een WO–diploma met een titel op zak te hebben dan een HBO-diploma zonder titel? Zijn die verschillen in status nog steeds inhoudelijk gerechtvaardigd, nu de universiteiten zoveel HBO-achtige dit-en-dat-kundes doceren? Heeft dit onderscheid überhaupt nog betekenis nu de Nederlandse doctorandus-graad niet meer als M.A. maar als B.A. wordt gewaardeerd en sommige HBO-instellingen voor hun afgestudeerden via een soort Antillen-route de M.A.-graad weten te verwerven, die ze vervolgens weer als drs. kunnen verzilveren? Er is de laatste jaren zeer veel veranderd en er bestaat misschien geen sprekender illustratie van deze hele ontwikkeling dan het volgende simpele gegeven: in 1930 werd, na ampele discussie, de Amerikaanse Masters-graad gelijkgesteld aan het Nederlandse kandidaats-examen. Thans wordt het Nederlandse doctoraal-examen niet meer beschouwd als gelijkwaardig aan de Amerikaanse Masters-graad.

De huidige universiteit verschilt dus sterk van de vroegere. Wat van het ancien régime nog rest, is het stelsel van academische graden. Deze hebben echter nauwelijks meer wetenschappelijke, maar vooral sociale betekenis. De titel is immers de fetisj van de Nederlandse samenleving. Er is op dit gebied geen land zo dwaas als het onze, waar de ontslapene zelfs in zijn overlijdensbericht nog als doctorandus wordt aangeduid. Zolang dit zo is en zolang de ene opleiding de student tot meester of doctorandus verheft en de andere niet, is het onvermijdelijk dat scholieren en hun ouders bij de keuze voor een toekomstige studie niet alleen zullen letten op de vraag welke opleiding het beste past bij hun talenten en ambities, maar ook op de vraag welke opleiding de hoogste status biedt.