Schaduw over burger die niets misdeed

Politie en justitie vergaren een schat aan informatie over argeloze burgers. Het wetboek beschermt de privacy van personen. Toch mag er in het kader van criminaliteitsbestrijding nog steeds heel veel.

AL SNUFFELEND in een vuilnisbak stuit de politie op belastend materiaal. Door een telefoontap weet een opsporingsinstantie wie wie waar ontmoet en door te schaduwen wordt die ontmoeting vastgelegd. In het kader van criminaliteitsbestrijding is het noodzakelijk dat informatie over een persoon wordt ingewonnen, ook al gaat dat ten koste van diens persoonlijke levenssfeer.

Maar opsporingsinstanties mogen niet alles. Hun bevoegdheden zijn vastgelegd in het Wetboek van Strafrecht. Waar deze ontbreken, gelden de richtlijnen van het college van procureurs-generaal. Voor het doorzoeken van andermans vuilnis is bijvoorbeeld weinig geregeld. De burger heeft bewust afstand gedaan van de bak door hem aan de straatkant te zetten. Bij stelselmatig doorzoeken van een vuilnisbak in een poging belastend materiaal te vergaren is toestemming van de officier van justitie nodig. Eenmalig door het afval zoeken mag altijd.

Sinds de parlementaire enquête door de commissie-Van Traa drie jaar geleden naar de IRT-affaire is bekend dat opsporingsmethoden en privacy niet altijd in evenwicht zijn. Niet in balans kunnen zijn, zeggen zowel politie als justitie, als de Registratiekamer, de instelling die toeziet op naleving van de privacywetten. ,,Het evenwicht moet elke keer opnieuw worden gevonden'', zegt Ulco van de Pol, vice-voorzitter van de Registratiekamer. ,,De techniek ontwikkelt zich verder en wettelijke bevoegdheden schieten daarbij tekort. Sinds Van Traa zijn er al weer nieuwe opsporingsmethoden gehanteerd, zoals het onderscheppen van mobiele telefoonberichten, waarbij nog niet door de wetgever is ingegrepen. Nieuwe technieken roepen nieuwe vragen op.''

Daar komt bij dat de politie regelmatig om uitbreiding van haar bevoegdheden vraagt. Zo deed de Raad van Hoofdcommissarissen onlangs een voorstel om DNA-onderzoek niet alleen toe te passen bij mogelijke plegers van zware misdrijven, maar ook bij verdachten van geweldsmisdrijven en inbraken. Een meerderheid in de Tweede Kamer is het met die uitbreiding eens; de privacy van burgers zou niet in gevaar komen.

Bij alle opsporingsmethoden moet de inbreuk op de privacy van een burger worden afgewogen tegen het maatschappelijk belang: de handhaving van het strafrecht. Daarbij moet worden afgevraagd of de inbreuk in relatie staat met het doel van een opsporing en of die inbreuk noodzakelijk is en er geen andere opsporingsmethoden beschikbaar zijn. De burger die toch meent dat zijn persoonlijke levenssfeer onterecht is geschonden, kan achteraf bij de rechter verhaal halen.

Daarmee stuit je meteen op een probleem. De meeste mensen die van een misdrijf worden verdacht, worden niet gedagvaard. Van de 3.000 telefoontaps per jaar leidt een klein deel tot een proces. Er zijn meer opsporingen dan strafprocessen. Burgers weten vaak niet dat ze onderwerp zijn van een onderzoek. Alleen bij sommige methoden, zoals bij huiszoekingen, is de opsporingsinstantie verplicht de verdachte in te lichten. Wie afgeluisterd wordt, weet dat vaak niet.

Hoe kan de burger er achter komen dat hij wordt afgeluisterd? De Registratiekamer denkt daarover na. ,,Er is niet een databestand waarin afluisteroperaties staan. Het kan best zijn dat het niet jouw regionale politie is die afluistert, maar de politie in een andere regio. We denken aan een informatiepunt bij een van de parketten, zodat een burger niet van het kastje naar de muur kan worden gestuurd.''

Intussen slaan opsporingsinstanties alle gegevens die door opsporing worden verkregen voor verder gebruik op en niet alleen van verdachten. Ook over niet-verdachten leggen opsporingsinstanties het een en ander vast: slachtoffers van een misdrijf, getuigen, degene die een misdrijf aangeeft. Bij een misdrijf kan het gaan om een moord, maar ook om een burenruzie of geluidsoverlast. Veel van de door politie en justitie vastgelegde informatie bevat persoonsgebonden gegevens: naam, adres, gegevens die de persoonlijke levenssfeer aantasten, zoals psychische en fysieke kenmerken, maar ook unieke gegevens die slechts herleidbaar zijn tot één individu: een sofinummer, vingerafdrukken en DNA.

Niet iedereen heeft zomaar toegang tot die informatie. Een groot aantal instanties wil beschikken over de informatie zoals opgeslagen in justitiële documenten en politieregisters: de politie zelf, het openbaar ministerie, opsporingsdiensten, de Binnenlandse Veiligheidsdiensten, maar ook bijvoorbeeld uitkeringsinstanties, verzekeraars en deurwaarders. Justitiële documenten en politieregisters zijn echter gesloten registers en vallen niet onder de Wet Persoonsregistratie, maar de Wet Politieregisters. Deze wet, waarvan een wijziging nu ter goedkeuring bij de Eerste Kamer ligt, regelt de bescherming van persoonsgegevens zoals opgeslagen in politieregisters, normeert de aanleg van deze registers en bepaalt aan wie gegevens uit de politieregisters worden verstrekt: opsporingsambtenaren, burgemeesters die een verklaring van goed gedrag moeten afgeven.

,,Het is absoluut verboden om buiten de wettelijke regeling om gegevens te verstrekken, maar een onderzoek van de Registratiekamer van een aantal jaar geleden toonde aan dat de politie toch via informele kanalen gegevens verstrekt'', zegt Van der Pol, vice-voorzitter van de Registratiekamer. ,,Een toekomstige werkgever krijgt dan over een sollicitant te horen `hij komt bij ons voor', al kan dat voor een burenruzie zijn.'' Voor de burger is dat niet controleerbaar. Hij kan zich niet tegen die informatieverstrekking verzetten, want hij weet het gewoon niet.''

,,Mensen hebben bijzonder weinig idee wat er over ze wordt opgeslagen en waarvoor die informatie wordt gebruikt'', meent ook Robert van Kralingen, onderzoeker aan het Centrum voor Recht, Bestuur en Informatisering van de Katholieke Universiteit Brabant. ,,Ze denken: ik heb niets misdaan, dus er zal over mij wel niets vastgelegd zijn.''

De burger kan wel controleren wat er bij de politie over hem bekend is. Iedereen kan de politie verzoeken mee te delen of, en zo ja welke, gegevens zij heeft vastgelegd. De politie moet het verzoek binnen vier weken mondeling beantwoorden en de burger kan dan vragen gegevens te verwijderen of te wijzigen.