Pensioenoverschot gebruiken voor welvaartsvast pensioen

Pensioenfondsen moeten hun overschotten gebruiken voor het indexeren van ingegane pensioenen en premievrije pensioenaanspraken van slapers. Dat is de essentie van een wetsvoorstel dat Tweede-Kamerlid Van Zijl (PvdA) vorige maand heeft gepresenteerd.

De vraag naar het `eigendom' van het pensioenoverschot speelt al enige tijd. Het is bepaald niet ongebruikelijk dat overschotten aan de werkgever worden terugbetaald. De situatie bij Unilever is wat dit betreft misschien wel het bekendste voorbeeld, maar ook een bedrijf als Ahold heeft de afgelopen jaren aanzienlijke bedragen van het pensioenfonds mogen ontvangen. Hiernaast komt het veel voor dat een overschot wordt gebruikt om aan de werkgever een zogenaamde premie-holiday te geven. Er hoeft dan meestal gedurende een aantal jaren geen premie aan het pensioenfonds afgedragen te worden. De KLM kon op deze manier enige jaren geleden 300 miljoen gulden op de arbeidskosten besparen.

Het op deze manier aanwenden van het overschot ten gunste van de werkgever is niet zonder meer toegestaan. In het pensioenfonds worden immers gelden bijeengebracht voor het verzekeren van pensioen, zoals de Pensioen- en spaarfondsenwet dit uitdrukkelijk als taak van een pensioenfonds formuleert. De statuten van een pensioenfonds houden normaal gesproken in dat het doel van het fonds is om pensioenen uit te keren. Het betalen van bedragen aan de werkgever is niet het doel waarvoor het pensioenfonds is opgericht. Wegens doeloverschrijding achtte het Gerechtshof in 's-Hertogenbosch in een uitspraak van medio 1998 de uitkering van overschotten aan de werkgever daarom niet toegestaan. Toch pleegt de uitbetaling van overschotten aan de werkgever geaccepteerd te worden indien de financiële overeenkomst tussen het pensioenfonds en de werkgever maar voldoende duidelijk tot uitdrukking brengt dat de werkgever op de betaling aanspraak heeft. De Verzekeringskamer pleegt bij een deugdelijke vastlegging in de formele stukken de betaling van een overschot aan de werkgever eveneens te accepteren.

Er zijn in de loop van de afgelopen jaren vele andere belanghebbenden dan de werkgever gekomen, die ook hun deel in het overschot claimen. De gepensioneerden en de slapers met uitgestelde pensioenrechten, meer en meer ook georganiseerd in verenigingen van gepensioneerden, claimen dat het overschot voor pensioen bestemde gelden zijn en dus aan hen ten goede moeten komen. De Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen heeft hierover eind vorig jaar zelfs een proefproces aangekondigd. Gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad maakt dit echter niet zo veel kans van slagen. In een situatie waar met name ook het Unilever Pensioenfonds bij was betrokken oordeelde de Hoge Raad nog in 1994 dat de rechten van gewezen deelnemers aan een pensioenfonds bepaald worden door de pensioenreglementen. Indien die reglementen geen recht op een aandeel in het overschot toekennen kan zo'n recht ook niet worden afgedwongen, behoudens eventuele correctie op grond van de redelijkheid en billijkheid.

Wellicht dat met toepassing van die redelijkheid en billijkheid met name in situaties van collectieve uittreding uit een pensioenfonds van grote groepen van werknemers, bijvoorbeeld bij de overdracht van een onderneming, een overschot-claim nog wel een kans zou maken. Voor zo'n geval van een collectieve uittreding zou er eigenlijk een wettelijk recht op overdracht van een deel van het pensioenoverschot moeten komen.

Daar gaat het wetsvoorstel van Van Zijl echter niet over. Van Zijl wil door een wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet bereiken dat overschotten niet aan de werkgever worden uitgekeerd en evenmin een premie-holiday of korting op de premie aan de werkgever wordt gegeven, indien niet eerst in welvaartsvaste indexering van de ingegane pensioenen en premievrije pensioenaanspraken is voorzien. Het wetsvoorstel beoogt niet om een indexeringsplicht op te leggen. Het blijft de vrije keuze van het pensioenfonds om te bepalen of de beschikbare financiële middelen de indexering toelaten. Het wetsvoorstel wil ook niet de uitbetaling aan de werkgever of de afspraak voor een premie-holiday verbieden. Dat soort maatregelen blijft mogelijk. Het wetsvoorstel legt echter wel een rangorde of prioriteitsvolgorde op voor de wijze waarop een overschot wordt besteed.

Die volgorde houdt in dat de uitkering aan de werkgever of de premie-holiday pas mogelijk is, nadat eerst de welvaartsvaste indexering is gewaarborgd. Die indexering dient daarbij geregeld te zijn over zowel het kalenderjaar waarin de uitbetaling van het overschot aan de werkgever plaatsvindt of de premie-holiday wordt toegekend, als ook over de twee voorafgaande kalenderjaren. In verband met het sociale belang dat is gemoeid met het op peil houden van de pensioenaanspraken, wil Van Zijl met het wetsvoorstel zorgen dat de welvaartsvastheid prioriteit krijgt boven overschotuitdelingen aan de werkgever of premie-holidays.

Het wetsvoorstel beperkt op dezelfde manier de mogelijkheid om een overschot te gebruiken om de premie voor de werknemer op nul te stellen of te verminderen. Dat wil zeggen: een dergelijke vermindering van de werknemerspremie is niet mogelijk indien niet eerst gezorgd is voor welvaartsvastheid van pensioenen en premievrije aanspraken. Wat de werknemerspremie betreft is er evenwel deze versoepeling, dat een premievermindering toegestaan is zolang maar de totale bijdrage voor de pensioenregeling (dus de werkgeverspremie en werknemerspremie samen) minder dan tien procent van het pensioengevend loon zou worden. Indien bijvoorbeeld de werkgeverspremie zeven procent bedraagt, kan de werknemerspremie tot drie procent worden verlaagd, zonder dat eerst voor indexering gezorgd behoeft te worden. Overigens beperkt het wetsvoorstel uitsluitend de premievermindering die het gevolg is van besteding van het overschot bij een pensioenfonds voor dat doel. Het om geheel andere redenen, gewoon arbeidsvoorwaardelijk afspreken dat de pensoenregeling voor de werknemer premievrij is - en de werkgever dus de gehele premie op zal brengen - is een praktijk die het wetsvoorstel geenszins belemmert.

Het wetsvoorstel zou wel eens het juiste belangenevenwicht kunnen brengen. Geen indexeringsplicht, hetgeen economisch en uit kostenoogpunt ook erg onverstandig zou zijn. Geen verbod tot het doen van uitkeringen aan de werkgever, zodat de overschotten als financieringsbron voor de pensioenregeling aanwezig kunnen blijven. Wel het erkennen van het sociale belang van welvaartsvastheid als een groter goed dan uitkeringen aan de werkgever of premie-holiday.

Prof. dr. E. Lutjens is hoogleraar Pen- sioenrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam en advocaat te Amsterdam.

De auteur heeft Van Zijl geadviseerd bij het opstellen van de tekst voor het wetsvoorstel.