Paradox van de werkvloer

Op weinig plaatsen is privacy zo slecht gewaarborgd als op het werk. Als het om bescherming van privacy gaat, is de rechtspositie van het personeel in Nederland niet erg sterk.

WERKGEVERS DIE de e-mail van hun personeel onderscheppen. Videocamera's in het bedrijfsmagazijn. Detectives die zieke werknemers schaduwen.

Wie denkt dat dergelijke praktijken meer fictie dan feit zijn, heeft het mis. Werknemers worden weliswaar niet tijdens de lunchpauze per telescherm ingelicht over de laatste productiecijfers, zoals in George Orwells beroemde roman 1984. Ook kunnen de meesten waarschijnlijk hun behoefte doen buiten het bereik van de camera. Privacyzaken staan niettemin hoog op de ladder van het arbeidsrecht. Achter loonkwesties.

Uit recent onderzoek van de Amerikaanse Universiteit van Illinois blijkt dat werkgevers anno 1999 weinig belang hechten aan bescherming van de privacy. Professor David Linowes en zijn medewerkers onderzochten het personeelsbeleid van 84 toonaangevende Amerikaanse bedrijven.

De helft van de ondervraagde firma's verzamelt informatie over werknemers zonder hen daarover in te lichten. Ruim driekwart onderwerpt zijn personeel aan alcohol- en drugstesten. Tweederde huurt wel eens een privé-detective in om werknemers te schaduwen. Zeven van de tien ondervraagde bedrijven geven toe zonder overleg personeelsinformatie door te spelen aan derden, al dan niet voor commerciële doeleinden.

Eerder deze maand gepresenteerd onderzoek van de American Management Association wijst bovendien uit dat een op de vijf Amerikaanse bedrijven de e-mail van werknemers onderschept en soms zelfs gebruikt als bewijs in rechtszaken.

Verrassend? ,,Nee'', vindt Hester de Vries van de Registratiekamer in Den Haag. Volgens de beleidsmedewerker wordt er ook in ons land volop gescreend, gefilmd, geregistreerd, geschaduwd en `bestandje gekoppeld' door werkgevers, al dan niet in strijd met de wet. Zo nu en dan haalt een incident de media, maar vaker voeren werknemers een stille strijd tegen het machtsmisbruik van hun baas.

,,Privacy op de werkvloer is een paradox'', concludeert Paul van der Heijden, hoogleraar arbeidsrecht in het boek Privacy op de werkplek. Op grond van artikel 7:660 in het Burgerlijk Wetboek heeft de werkgever het recht zijn employé opdrachten en aanwijzingen te geven, en toe te zien op de naleving van het arbeidscontract. En dat staat nu juist haaks op wat `privacy' volgens de Amerikaanse juristen Warren en Brandeis betekent: `het recht om met rust te worden gelaten'. ,,In Nederland is de individuele rechtspositie van de werknemer – als het gaat om de bescherming van zijn privacy – niet erg sterk'', concludeert Van der Heijden in `Privacy op de werkplek'.

Toch is de aandacht voor de rechtspositie van werknemers sinds de publicatie van dat boek in 1992 fors toegenomen. Als De Vries binnengekomen klachten en vragen van burgers over privacy op een rijtje zet, scoort de werkplek bovengemiddeld. Ook het aantal rechtszaken waar de privacyschending van werknemers in het geding is, vertoont een opwaartse curve.

Begin jaren negentig spande een geschiedenisleraar een kort geding aan tegen zijn werkgever. Het schoolbestuur verdacht de leraar ervan tijdens zijn ziekteverlof bij te klussen en huurde een privé-detective in om zijn gangen na te gaan. Enkele jaren geleden tekende de Ondernemingsraad van PTT Telecom protest aan bij de rechter omdat het bedrijf gebruikmaakte van een elektronisch apparaat om individuele prestaties van informatrices van 06-8008 te beoordelen. In beide gevallen oordeelde de rechter dat de werkgevers geen inbreuk maakten op de persoonlijke levenssfeer van hun werknemers, maar wel handelden in strijd met het `goed werkgeverschap'.

Alleen bij de Koma-zaak van 1985 schaarde de rechter zich onomwonden achter de werknemer. Privacygoeroes spreken dan ook van `de zaak die alles aan het rollen bracht'. Een aantal werknemers van het koelbedrijf Koma spande met steun van de vakbond een kort geding aan tegen hun werkgever die videocamera's liet installeren ter observatie van het personeel. De werknemers konden niet zien of de camera's aan of uit stonden, maar voelden wel continu het wakend oog van de directiekamer op zich gericht. De rechtbank oordeelde dat de installatie in strijd was met de privacy van de werknemers. Ook in hoger beroep werden de aanklagers in het gelijk gesteld.

Volgens Jan Holvast, directeur van Holvast en Partner, een privacy advies- en onderzoeksbureau, was de Koma-zaak destijds opzienbarend, omdat een Nederlandse rechter voor het eerst erkende dat het recht op privacy zich niet beperkt tot de huiselijke sfeer, maar ook van toepassing is op de werkvloer. Holvast: ,,Hij maakte duidelijk dat privacy op het werk een kwestie is van proportionaliteit en subsidiariteit. Dus: staat het middel (de camera) in verhouding tot het beoogde doel (het observeren van werknemers)? En: kan het doel ook worden bereikt met minder ingrijpende middelen? Het gerechtshof oordeelde dat er bij camera's in een warenhuis of casino wel sprake kan zijn van noodzaak, omdat deze ruimten publiek toegankelijk zijn. Ook bij gecompliceerde technische productieprocessen – een raffinaderij of kerncentrale – is cameragebruik gerechtvaardigd. Maar camera-observatie in een koelbedrijf werd niet noodzakelijk geacht.''

Door middel van digitale telefooncentrales (call centres), elektronische toegangspasjes, videocamera's, `zwarte dozen' in bedrijfsauto's, e-mail en Internet heeft de werkgever steeds meer mogelijkheden gekregen om de gangen van zijn werknemers na te gaan. ,,Vaak protesteren werknemers niet tegen de installatie van een systeem, maar wel tegen de vele mogelijkheden, en dus de kans op misbruik'', stelt Hendrik van Steenbergen, beleidsmedewerker van de vakcentrale FNV. ,,Een elektronische sleutel kan worden gebruikt om toegang te krijgen tot een bepaalde ruimte. Maar ook om te controleren waar een werknemer zich op een bepaald moment van de dag ophoudt. Met een camera kun je de veiligheid van werknemers garanderen. Maar je kunt er ook het werktempo van de receptioniste mee in de gaten houden. Zolang er geen duidelijke afspraken zijn gemaakt tussen directie en ondernemingsraad, blijft de angst voor onrechtmatig gebruik voortleven bij het personeel.''

In 1993 verzocht het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Sociaal-Economische Raad (SER) een onderzoek in te stellen naar de haalbaarheid van een modelgedragscode voor personeelsvolgsystemen zoals camera's, elektronische toegangspasjes en digitale telefooncentrales. De SER kwam tot de conclusie dat dit niet mogelijk was, wegens de grote verschillen per bedrijfstak. In plaats daarvan sprak hij zich uit voor een instemmingsrecht van de ondernemingsraad bij beslissingen die raken aan de privacy van werknemers.

Gevolg: een wijziging van de Wet op de ondernemingsraden in maart vorig jaar. Sindsdien heeft de werkgever instemming van de ondernemingsraad (OR) nodig bij het installeren van systemen die persoonsgegevens verwerken of het gedrag, de aanwezigheid of prestaties van werknemers controleren.

Met de wet in de hand staan ondernemingsraden sterker, denkt Van Steenbergen. ,,De individuele werknemer is verre van mondig als zijn baan op de tocht staat. Achter een OR kan hij zich veilig verschuilen.'' Ook adviseur Jan Holvast verwacht dat de OR zich in de toekomst meer zal doen gelden. ,,Maar'', zegt hij, ,,informatie staat voor macht en geld. De werkgever beschikt over meer informatie, dus zal de werknemer altijd het onderspit delven. De OR kan hooguit corrigerend optreden.''

Ook hoogleraar arbeidsrecht Paul Van der Heijden is terughoudend; hij gelooft niet dat wettelijke regelingen de paradox van de werkvloer ooit zullen kunnen doorbreken. ,,Uiteindelijk kom je altijd weer uit bij die gezagsrelatie. Als de baas vraagt: `Jansen, waar was jij om tien over tien', en Jansen antwoordt: `Dat gaat u geen barst aan, dat is privé', heeft Jansen toch een probleem. Maar zonder wet geen discussie. En zonder discussie geen mentaliteitsverandering.''