Kritiek Rekenkamer op ontwikkelingshulp

Tussen 1994 en 1997 is meer dan de helft van de programmahulp van Ontwikkelingssamenwerking gegeven aan landen die niet voldeden aan de criteria die Nederland daarvoor had gesteld.

De programmahulp bedroeg in deze jaren, toen Pronk (PvdA) minister was, gemiddeld 560 miljoen gulden per jaar. Dit schrijft de Algemene Rekenkamer in haar vandaag gepubliceerde rapport Programmahulp. Zij signaleert dat in 1996 en 1997 maar 26, respectievelijk 42 procent van de hulp ging naar landen die voldeden aan de vereisten van goed bestuur en democratie, zoals die in 1994 in Den Haag waren opgesteld. Vaak werd in plaats daarvan genoegen genomen met de aankondiging dat het in de toekomst beter zou worden. Soms ging het daarbij om interpretatieverschillen en soms week de minister zelf af van de uitkomsten van het beoordelingskader voor een ontwikkelingsland, schrijft de Rekenkamer.

Programmahulp is in het algemeen ondersteuning van ontwikkelingslanden zonder dat er specifieke projecten zijn aangewezen, namelijk financiële ondersteuning of schuldkwijtschelding.