Inkomensongelijkheid in 20 jaar sterk toegenomen

De inkomensongelijkheid is de afgelopen twintig jaar sterk toegenomen. Dat concludeert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) na vergelijking van lonen met uitkeringen tussen 1977 en 1997.

Mensen met een uitkering hebben sinds 1977 bijna een kwart minder te besteden, waar werkenden er op vooruit zijn gegaan. Het gemiddelde inkomen van gepensioneerden ging er volgens het CBS in de afgelopen twintig jaar het meest op vooruit: elf procent.

De inkomensongelijkheid is vooral in de periode tussen 1985 en 1990 toegenomen. Sinds 1985 is het besteedbare inkomen van huishoudens die rond moesten komen van een uitkering, gelijk gebleven. Dit komt vooral doordat het minimumloon van 1985 tot 1994 `bevroren' is geweest. Aan het minimumloon zijn de uitkeringen gerelateerd. Huishoudens die hun inkomen uit arbeid haalden, zagen hun inkomen evenwel met dertien procent stijgen.

In de periode 1977-1985, waarin de economie stagneerde en de lonen en uitkeringen de prijsstijgingen niet bijhielden, gingen volgens het CBS mensen met een uitkering er verhoudingsgewijs tweeënhalf keer zo veel op achteruit als werkenden.

Opmerkelijk is dat de uitkeringen en de lonen de afgelopen jaren niet in gelijke mate zijn gestegen, maar dat de inkomensongelijkheid verder is toegenomen. Dit heeft de intentie van vooral het vorige kabinet doorkruist om de uitkeringen gelijke tred te laten houden met de loonstijgingen. De uitkeringen zijn gekoppeld aan het minimumloon dat sinds 1995 gelijk met de loonstijgingen wordt verhoogd.

Volgens het CBS hebben naast de ontwikkelingen van lonen en uitkeringen ook veranderingen in grootte en samenstelling van huishoudens grote invloed op hun welvaartspositie. Het gemiddeld reële inkomen van echtparen steeg tussen 1977 en 1997 met elf procent. Dit komt vooral door de toename van het aantal werkende gehuwde vrouwen. In 1977 hadden bij een kwart van de paren beide partners betaald werk. Nu is dat bijna driekwart.

Ook het aantal eenpersoonshuishoudens, die relatief over een lager inkomen beschikken, is van belang voor de vaststelling van de inkomenspositie per huishouden. In 1977 bestond één op de vijf huishoudens uit één persoon, nu is dat zo'n één op drie, zo becijferde het CBS.