Begroet deze tempel met opgeheven hoofd

De Europese diplomatie mag de inhuldiging van deze tempel begroeten met opgeheven hoofd, zei minister van Buitenlandse Zaken, mr. R. de Marees van Swinderen op 28 augustus 1913 in zijn toespraak ter gelegenheid van de opening van het Vredespaleis Den Haag. Nog geen jaar later klonken schoten in Serajevo – de moord op aartshertog Frans-Ferdinand en diens echtgenote luidde een tijdperk in waarin de wereld twee keer in brand zou staan.

De Raad van Beheer van het Permanent Hof van Arbitrage, waarvan ik de eer heb voorzitter te zijn, is verheugd zich nu de gelukkige bewoner te mogen noemen van het imposante gebouw waarin we ons op dit moment gezamenlijk bevinden. De opening van het Paleis van Internationale Justitie is een feit geworden, en er is een belangrijke bladzijde toegevoegd aan de annalen waarin de geschiedenis van het instituut van Arbitrage is opgetekend.

Een instituut dat, ofschoon het al sinds betrekkelijk lange tijd van groot praktisch nut is gebleken, pas in de laatste twaalf jaar een solide basis heeft kunnen krijgen. Het is dunkt me niet overdreven te zeggen dat de eer voor deze ontwikkeling toekomt aan de huidige generatie staatslieden en rechtsgeleerden. Dat een zo groot deel van hen de reis naar deze plek heeft willen ondernemen, illustreert op een prachtige manier het verheven karakter van deze plechtigheid waaraan de aanwezigheid van Uwe Majesteiten en Uwe Koninklijke Hoogheid nog een heel bijzondere luister geeft.

Helaas moeten we, wanneer we de illustere namen van alle aanwezigen de revue laten passeren, de vaststelling doen dat vele vooraanstaande personen die sinds de eerste Vredesconferentie het Hof van Arbitrage sierden, ons reeds door de dood zijn ontnomen. Als we ons beperken tot degenen die daadwerkelijk zitting hebben gehad in een arbitrageprocedure, dan moeten we tot ons leedwezen constateren dat de Verenigde Staten van Amerika de eerbiedwaardige opperrechter Fuller hebben verloren, dat Rusland afscheid heeft moeten nemen van Nicolas Valerianowitch Mourawieff en Frédéric de Martens, en Denemarken van Henning Matzen.

We zijn echter vooral geraakt door het op het appel ontbreken van twee grote mannen die een plaats op de allereerste rij zouden hebben gekregen, de Ministers van Staat Beernaert en Asser, die voor ons een vasthoudend symbool vormden van de Nederlands–Belgische broederschap op wetenschappelijk gebied. Twee mannen wier trekken ons zo vertrouwd zijn dat het geen enkele moeite zou kosten ze ons hier bij ons gezeten voor te stellen, met alle kracht die in hen is, genietend van deze plechtige gebeurtenis. Elders is al betoogd wat voor eminente persoonlijkheden zij waren, en ik zal hier niet nogmaals een in memoriam uitspreken. Ik meende echter wel van Uwe Majesteiten enkele eerbiedige woorden te mogen wijden aan de herinnering aan deze groten die ons zijn ontvallen.

Nu wij, leden van de Raad van Beheer, op dit plechtige ogenblik bezit nemen van het Paleis dat dient als huisvesting voor de arbitragerechtspraak tussen landen, kan onmogelijk het belang worden overschat van de diensten van de vier mannen die, bekleed met de leiding van de Carnegie-stichting, gedurende een reeks van jaren zich volledig hebben willen inzetten ten behoeve van de bouw van dit paleis. Ik moet zeggen vier, en kan, helaas, niet zeggen vijf. Ook hier heeft de dood zijn deel geëist en onze diep betreurde collega Ruyssenaers weggenomen die, reeds voordat hij deel uitmaakte van dit college, zijn voortreffelijke denkkracht en bezieling ten dienste stelde van het permanente Hof, in zijn functie van secretaris-generaal. Aan deze vier mannen, zijne Excellenties de Ministers van Staat Van Karnebeek, De Savornin Lohman, De Beaufort en Patijn, geven wij met graagte blijk van onze erkentelijkheid.

Wij begrijpen de gerechtvaardigde trots waarmee zij Uwe Majesteit zo dadelijk langs de verschillende vertrekken van dit prachtige bouwwerk zullen leiden. Het is een architectonisch meesterstuk, waaraan zij elk met hun eigen bijzondere inspanningen een persoonlijke dimensie hebben weten te geven. Ik geloof echter – zonder iets te willen afdoen aan de waardering voor de verdiensten van de andere leden van het comité – dat onze bewondering en erkentelijkheid vooral mogen uitgaan naar de voorzitter van dit college in de persoon van zijne Excellentie de heer Van Karnebeek die, niettegenstaande zijn gevorderde leeftijd, zijn geboorteakte tart met een werklust en een heldere, accurate welbespraaktheid waar ook de jongsten onder ons nog jaloers op kunnen zijn.

Mijnheer Van Karnebeek, U bent voor ons een geestverheffend voorbeeld, een man met een superieur inzicht in de publieke zaak, iemand die telkens de allerhoogste posten heeft bekleed waarin een Nederlander zijn vaderland kan dienen, en die, op een leeftijd waarop vele anderen van een welverdiende rust zouden genieten, zeker niet de minst waardevolle jaren van zijn leven heeft gewijd aan het onvermoeibaar en nauwgezet toezien op de totstandkoming van een monument dat naar zijn vaste overtuiging zijn land tot eer zal strekken.

Doch achter dit viertal intellectuele bouwers van ons nieuwe Paleis verschijnt de enorme gestalte van de man met het genereuze hart en de vrijgevige hand, die het initiatief heeft genomen voor dit grote werk waarvan wij nu de uiteindelijke bekroning vieren, en die met niet aflatende generositeit ons het mooiste en edelste voorbeeld geeft van kapitaal, de opbrengst van zijn noeste arbeid, ten dienste gesteld van de mensheid.

Mijnheer Andrew Carnegie, er bestaat dunkt me geen twijfel over dat u vandaag de gelukkigste man bent van ons allemaal. [De Amerikaanse filantroop Carnegie had 1,5 miljoen dollar beschikbaar gesteld voor de bouw, red.] Is er iets te bedenken wat uw hart meer zou verblijden dan hier vandaag te zien hoe uw stoutmoedige vrijgevigheid de vorm heeft aangenomen van deze toekomstige zetel voor internationale tribunalen? Zijne Excellentie de heer Van Karnebeek mocht al in welgemeende termen aan u tot uitdrukking brengen wat uw vrijgevigheid betekent voor de zaak van de vrede. Het is mijn voorrecht het woord tot u te richten namens de beschaafde wereldmogendheden die vertegenwoordigd zijn in de Raad van Beheer, waarvan ik vanwege mijn functie als Minister van Buitenlandse Zaken, voorzitter ben. En dat voorrecht is des te groter omdat het zeer waarschijnlijk is, niet alleen dat uw goedkeuring uitgaat naar de wijze waarop de mogendheden hebben bijgedragen aan het voortbestaan van deze wereldinstelling, maar ook dat u de voldoening zult hebben, te zien hoe door de samenwerking van de wereldmogendheden uw initiatief de erkenning heeft gekregen die u noodzakelijk achtte.

De wereld deelde uw visie en gaf blijk van grote waardering voor uw vrijgevigheid, door met overweldigende eenstemmigheid de nodige gelden beschikbaar te stellen om deze tempel altijd te kunnen houden in de uitmuntende staat waarin hij dankzij u door de bouwers is totstandgekomen. Dat is de cheque, mijnheer Carnegie, die ik u verzoek uit mijn handen aan te nemen, dat wil zeggen, door middel van mijn woorden aan te nemen van het geheel van Europa, Azië en Amerika dat hier aan dit koninklijke Hof is vertegenwoordigd. Het is een wissel op de toekomst, maar ik reken erop dat u de trekker er goed voor acht.

Mijne heren Directeuren van de Carnegie-stichting, ik neem dus uit uw handen, in naam van de Raad van Beheer van het Hof van Arbitrage, de sleutel aan die uw Voorzitter zojuist aan mij heeft gegeven en die, net als in het Romeins recht, de overdracht symboliseert van het gebouw waartoe hij toegang geeft.

Zal dit gebouw beantwoorden aan de verheven missie die de `vox populi' het heeft toebedeeld door het de naam `Vredespaleis' te geven?

Beslist niet, als verwacht wordt dat de klok van het paleis binnenkort het uur van de Eeuwige Vrede zal slaan, twee woorden die eigenlijk slechts op hun plaats zijn als devies boven het toegangshek van een begraafplaats.

Beslist wel, als we ervoor waken dat onze illusies niet een vlucht nemen die dat wat menselijkerwijs mogelijk en realiseerbaar is, te boven gaat. Dit voorbehoud omvat echter in mijn ogen niets wat ons zou moeten of kunnen ontmoedigen bij het volbrengen van de nobele taak binnen de muren van dit paleis, dat bestemd is een vruchtbaar laboratorium te worden waarin ideeën zullen worden geproduceerd en regels die over de hele wereld zullen worden verspreid, en die richting kunnen geven aan het geweten van de volkeren in hun onderlinge betrekkingen. In dit laboratorium zult u, Heren leden van het Permanent Hof, coryfeeën van de wetenschap van het internationaal recht, bekleed met het prestige dat u ontleent aan het respect voor uw hooggeschatte onpartijdigheid, aan de reputatie van uw heldere en diepgravende oordelen, op steeds uitgebreidere schaal uw rechtvaardige vonnissen uitspreken ter wille van het hoogste welzijn van de beschaving.

Met het oog daarop zijn er tussen een aanzienlijk aantal landen verdragen gesloten - het een verstrekkender dan het ander - die u vragen uw nobele taak te vervullen, doordat ze bepalingen bevatten voor arbitrage ingeval zich uiteenlopende gezichtspunten of belangen voordoen.

Die verdragen moeten evenwel, om in de hoogst mogelijke mate doeltreffend te zijn, gegrondvest zijn op de goede wil van regeringen. Ik zou graag mijn gedachte willen illustreren door het citeren van enkele woorden die zeer zeker het meest toepasselijk zijn om in deze ruimte in herinnering te worden gebracht en die in uw aanwezigheid, mijnheer Carnegie, werden uitgesproken door een voortreffelijk Amerikaans staatsman, de heer Elihu Root, bij het leggen van de eerste steen van het Pan-American Building in Washington: ,,de zaken in geschillen tussen landen, zijn niets; de geest waarin ze worden afgehandeld, is alles.' Er bestaan geen internationale controversen die zo ernstig zijn dat ze niet in der minne kunnen worden geschikt wanneer beide partijen dat wensen. Er zijn daarentegen weinig gevallen van onenigheid die zo onbeduidend zijn dat ze niet aanleiding kunnen geven tot een oorlog wanneer één van beide partijen die wenst.

De woorden van de heer Elihu Root kunnen niet anders dan ons de beangstigende crises in herinnering brengen die enkele lange maanden heel Europa de adem hebben doen inhouden. Laten we onze van emotie vervulde felicitaties richten aan de geest die gedurende deze periode onafgebroken heeft geheerst onder de staatsmannen die geroepen waren leiding te geven, een geest die ik naar gebruik zal aanduiden met Europese samenwerking. Het zou goed zijn wanneer diegenen die menen zich sceptisch en badinerend over deze samenwerking te moeten uitlaten, zich eens rekenschap gaven van de problemen die ze in het klein in hun eigen familiekringetje ondervinden, als het erom gaat alle anderen en ook zichzelf tevreden te stellen.

Neen, de Europese diplomatie mag de inhuldiging van deze tempel begroeten met opgeheven hoofd en het hart vol verwachting. In de tijden die net achter ons liggen, vol explosieve situaties, heeft zij aangetoond opgewassen te zijn tegen haar buitengewoon zware taak. En namen als die van Grey, Sasonow, Berchthold en Majorescu mogen letter voor letter in goud worden gegraveerd als die van de meest eminente, de meest genereuze vredesapostelen die ooit zullen kunnen prijken op de muren van ons schitterende Paleis van Internationale Justitie, de onvergankelijke schepping van Andrew Carnegie.

Dit is de derde aflevering van een serie waarin uit alle decennia van deze eeuw een voor dat decennium bepalend artikel wordt gepubliceerd.