Ach jongen, dan sla je toch terug?

Dat een groepje andere kinderen zich tegen je keert, is een ervaring die ieder kind wel eens heeft meegemaakt. Het is een vernederende ervaring, die zeer vormend kan zijn. Maar als het pesten herhaaldelijk gebeurt, wordt het beklemmend. Gelukkig ontwikkelen de meeste kinderen een zekere onverschilligheid en weten ze hun belagers te ontwijken.

Maar er zijn kinderen die geen verweer hebben en daardoor een aantrekkelijk mikpunt worden. Altijd doen ze het fout, iedereen in de klas kan ze voor schut zetten. Doorlopend gepest worden is dan een van de ergste dingen die kinderen kunnen meemaken.

Leraren en pedagogen maken zich met recht druk om het verschijnsel. In de recente discussies daarover werd niet verwezen naar een klassiek document uit de Nederlandse literatuur waarin gepest worden de sleutelervaring vormt: Kinderland van Aart van der Leeuw (1876-1931).

Van der Leeuw wist heel goed dat hij een aantrekkelijk kind geweest was, dat zich liet ,,lokken aan schoot of knie; mijn vochtige ogen glansden wanneer ik over het haar werd gestreken, en gewillig plooide ik de lippen naar menigen kus.''

Maar op zijn eerste schooldag werd hij meteen door veel grotere jongens gepest en zo geslagen, dat de onderwijzer tussenbeide kwam. Zijn vader kwam hem halen en vroeg vrolijk `hoe mijn eerste ochtend was geweest'.

,,Ik ben geplaagd, antwoordde ik fluisterend. Eerst zweeg hij even, dan trok hij de wenkbrauwen op en zeide luchtig: `Dan moet je er maar op losslaan, vent.' Nu ontmoette hij een kennis, zij groetten elkander, spraken een paar luide woorden, lachten en gingen weer huns weegs. Vaders mond bleef nog staan in een prettige plooi, ik begreep dat hier geen plaats was voor mijn klachten.''

Het groepje jongens had kennelijk een slachtoffer geroken, want ze gingen meteen door. ,,Lafaard en mispunt scholden zij mij; (...) Even dacht ik aan vaders raad en sloeg naar hen die mij het pijnlijkste raakten. Doch in mijn vuisten gloeide niet de vreugde der vernietiging en evenmin werden mijn ogen door bloed en vlammen omfloerst; mijn bewustzijn richtte de stoten, ik was bang dat ik iemand zeer zou doen.''

Op die manier werd terugvechten geen succes. ,,Waar mijn innerlijk zo niets van de oerdrift bewaarde, sprak het ook wel van zelve dat mijn lichaam niet ingericht was op den gewelddadige strijd om het bestaan. Wanneer een vijand mij aangreep begaven mijn zwakke spieren mij spoedig; even worstelde ik, dan voelde ik geen grond meer onder de voeten, smakte neer op de stenen en de krachtige overwinnaar zette mij, in dat gebaar dat oud is als de eeuwen, de knie op de borst. Ik sloot de ogen, de vuistslagen regenden op mij neder, totdat de aanvaller zijn dorst had gelest en ik heen kon gaan met suizend hoofd en wankelende schreden. Bij alle spelen werd ik geweerd.''

Kinderen uit de betere milieus waren daarbij een eeuw geleden ook nog het slachtoffer van het idee dat de kindertijd zo zalig was: mocht je je als kind iets anders voelen? Het uitgesloten zijn door zijn leeftijdgenoten leidde tot jaren van `glansloze somberheid'. ,,Uren placht ik te mijmeren en ik vorste naar het geheim van mijn persoonlijkheid.'' Hoe meer hij nadacht, ,,des te helderder werd het mij dat ik als een verschoppeling was geboren en niemand mij beminnen kon.''

Want wat op die eerste dag al zo pijnlijk was geweest: het verraad van zijn vader ging ook door. ,,Soms kon ik mijn verdriet niet houden en biechtte aan vader. Dat gaf geen troost.''

Zijn vader haalde zijn zoon soms van school en trakteerde dan die klasgenoten. Was het een goedbedoelde poging om hen gunstig jegens het kind te stemmen? In dat geval was het een misverstand, want die verweet hem bedroefd ,,dat die mij het meest hadden mishandeld het gulst waren bedeeld. Ongeduldig wierp vader zijn sigaar op de stenen, de vonken spatten, de blijmoedigheid plooide niet meer om zijn lippen en hij herhaalde nadrukkelijk dat ik mij dan maar beter verweren moest. Het was mij te moede of hij dien ik het innigst beminde, zich tegen mij met den tegenstander verbonden had; diep boog ik het hoofd, zag mijn beeld in het water en verachtte het onuitsprekelijk. Moeder begreep mijn klachten volkomen.'' Zij beklaagde hem en probeerde te troosten.

Aart van der Leeuw veranderde diepgaand door deze misère. ,,Allang was ik het graag gekuste kind niet meer, wiens wangen aan appels herinnerden, (...) als ik mij 's morgens waste voor den spiegel, of mij 's avonds reinigde eer ik slapen ging, staarde ik een langen bleek-wangige jongen in de fletse oogen (...).'' Hij werd overmand door gedachten `aan wraak en vergelding in een dichte, verstikkende woekering' maar had ook de neiging om bij een open brug in het water te stappen of om onder de stoomtram te lopen. Hij werd op school apart geplaatst omdat hij niet oplette.

Verzonken in duistere geweldsfantasieën zat hij in de klas. ,,Dan ontwaakte ik op het spannendste oogenblik en riep met luider stemme door de klasse: `o dat is verschrikkelijk!' De meester kwam met korte, kwade stappen aangelopen en sloeg mij met de beenige vingerknokkels om het hoofd. Ook drong die vreemde drang mij soms wel als een haan te kraaien, hardop te lachen, of mijn wangen te besmeren met zwart-krijt en inkt.''

Zijn moeder trachtte hem te helpen door een toneelavondje voor zijn klas te organiseren, en omdat zij dat deed moesten de jongens hem wel laten meedoen. Hij doorzag waarom hij er plotseling wel bij mocht horen, maar kon geen weerstand bieden. ,,En ik, die zo jong was, hoe kon ik vrijwillig de reddende eenzaamheid zoeken; ook als een logen, ook als een verachtelijk mij toegeworpen gave, stelde ik mijn povere plaats in die kleine gemeenschap nog verre boven haar.''

Na die avond werd hij weer genadeloos uitgestoten. ,,In bevende toorn haatte ik hen, ik droomde ze geboeid als mijn offers, ik trof hun kwade harten met mijn wrede wapen, mij verlustigend in het vloeien van hun rode bloed.''

Toch zou later die `reddende eenzaamheid' de sleutel voor de bevrijding zijn. Tijdens een tocht met schooljongens was hij achtergelaten toen hij niet over een sloot kon springen. Hij liep alleen verder en er volgde een diepe ervaring van schoonheid, een idylle van vogels en bloemen. De volgende dag werd hij bespot door die vriendjes, honend vroegen ze wat hij verder gedaan had. ,,Ik antwoordde verrukt, met een lach waarvan zij de waarheid begrepen, dat ik nog nooit zoo mooi gewandeld had. Dan keken zij spijtig en nijdig en zeiden dat ik voortaan altijd maar alleen moest blijven.''

Van de Leeuw zwierf daarna veel alleen rond, de vrede in zijn hart en zijn zelfvertrouwen groeiden. De ontsnapping uit kinderland moet een grote bevrijding voor Van der Leeuw zijn geweest. Hij werd een bekend schrijver, maar Kinderland is alweer lang geleden voor het laatst herdrukt.

Aart van der Leeuw, Kinderland. (Amsterdam, Versluys 1914)