`Nieuwe opzet krijgsmacht inconsequent'

De Hoofdlijnennotitie die minister De Grave (Defensie) eind januari presenteerde is niet consequent, aldus onderzoekers van het instituut Clingendael.

Die notitie noemt (meer) parate eenheden essentieel voor alle vormen van inzet van de krijgsmacht. Maar zij handhaaft bij de landmacht toch een grote mobilisabele component die onbruikbaar is voor crisisbeheersings- en vredesoperaties. In plaats daarvan zou een geheel parate landmacht, dus zestien extra parate compagnieën in vergelijking met De Grave's plannen, nodig zijn. Nederland zou dan, inclusief de al parate luchtmobiele brigade, over vier parate brigades beschikken.

Deze kritiek op de Hoofdlijnennotitie levert het Instituut voor internationale betrekkingen Clingendael in zijn vanmorgen gepubliceerde studie Krijgsmacht of Vredesmacht. De auteurs van de studie, Clingendael-directeur A. van Staden en de onderzoekers R. de Wijk, C. Homan en D. Zandee, verwijten De Grave met zijn verdere accentverschuiving van klassieke verdediging naar crisisbeheersing wel een route te kiezen maar die niet helemaal af te leggen.

De Clingendael-onderzoekers bepleiten alle mobilisabele eenheden op te heffen en de staven en het materieel daarvan voor extra parate eenheden te gebruiken. Verder vragen zij de kerntaken van de krijgsmacht anders te definiëren dan in de Hoofdlijnennotitie gebeurt. Zij zouden liever niet spreken van taken op het gebied van vredeshandhaving en crisisbeheersing enerzijds en landsverdediging anderzijds. In plaats daarvan zouden zij, net als de Labour-regering in Groot-Brittannië doet, een onderscheid willen maken tussen taken met een hoog geweldsniveau (en een `expeditionaire krijgsmacht') en taken met een laag geweldsniveau (een krijgsmacht voor vredesacties en militaire ondersteuning van humanitaire operaties).

Uit die twee mogelijkheden (`opties') zou Nederland een keuze moeten maken, vinden de Clingendael-auteurs. Nederland zou in verband met zijn economische belangen en zijn ambities, bijvoorbeeld op het gebied van de internationale rechtsorde, moeten kiezen voor een krijgsmacht die op een hoog geweldsniveau in staat is met bondgenoten als de VS en de middelgrote Europese landen mee te doen aan militaire interventies, menen de auteurs. Als Nederland kiest voor een krijgsmacht ten behoeve van steun aan humanitaire acties en vredesoperaties, kan het minder voor zijn eigen belang opkomen en telt Nederland internationaal minder mee. Het komt dan in de buurt van Canada en de Scandinavische landen, die al zo'n keuze hebben gemaakt, aldus de auteurs van Clingendael.